Rouwgedicht

DSCN9275

 

Op PDF bekijken:Rouw compl

Rouw

 

‘In de oudste lagen’  

In de oudste lagen van mijn ziel,
waar hij van stenen is gemaakt,
bloeit als een gaaf, ontkleurd fossiel
de stenen bloemen van uw gelaat.

Ik kan mij niet van uw bevrijden,
er bloeit niets in mijn steen dan gij.
De oude weelden zijn voorbij
maar niets kan mij meer van u scheiden.

M.Vasalis

Als straks het rouwrumoer

Als straks het rouwrumoer
rondom jou is verstomd
de stoet voorbij is
de schuifelende voeten

voel ik dat er een diepe stilte komt
en in die stilte zal ik je opnieuw ontmoeten

en telkens weer zal ik je tegenkomen

we zeggen veel te gauw:
het is voorbij

hij heeft alleen je lichaam weggenomen
niet wie je was en ook niet wat je zei

ik zal nog altijd grapjes met je maken
we zullen samen door het
stille landschap gaan

nu je mijn handen niet meer aan kunt raken
raak je mijn hart nog duidelijker aan.

Dood heeft vele gezichten

Een voor hem die sterft
en een voor elk van hen
die achterblijven.

Er is een milde dood
die barmhartig is en goed.
Er is een harde, wrede dood,
die leegte achterlaat
en pijn en tranen.

Maar altijd is de dood
barmhartig, mild of wreed
voor hem die sterft
en voor elk van hen
die achterblijven
’n breekpunt,
’n keerpunt soms.

Aan een vriend

Ach, laten wij geen ogenblik bederven
voor wie van ons het eerst zal moeten sterven,
en laten wij ook nimmer praten
van alles wat wij huichelden en haatten.
Zolang een vlerkgespreide leeuwerik blijft zingen
vergeeft God ons al wat wij beginnen,
zolang wij kersebomen zacht in bloei zien staan
dan hebben we nog niemand kwaad gedaan.
Ach, laten wij het leed dat mens ons deed, vergeten,
God zal het allemaal wel weten,
en laten wij geen ogenblik bederven
voor wie van ons het eerst zal moeten sterven.

Leo Vroman

Troost

Velen vinden troosten moeilijk.
Ze denken vaak dat ze veel moeten doen
om te troosten, veel zeggen,
de ander er overheen beuren.

Echte troost is eenvoudig:
enkel een hand, enkel een gebaar,
een enkel woord misschien.

Iemand bij wie je jezelf mag zijn;
iemand die bij je blijft.

Iemand die er voor jou wil zijn
zoals je nu bent.

Hierna zal alles anders zijn,
nu jij voorgoed bent heengegaan.
Maar altijd zul jij bij mij blijven,
hoog zal je naam geschreven staan.

Hoog in mijn leven, diep in mijn dromen,
in wolken die je Naam uitschrijven,
in zonlicht dat men stralenbaan
jouw schaduw schildert tussen bomen.

Maar ook zal alles anders zijn
als ik voorgoed ben heengegaan
en winden onze Namen noemen:
dan zal ik je zoenen, zal ik je zoenen.

Als ik op de hoogte kom

Wachten moet ik in het donker
licht verwachten van omhoog
met een God verbonden leven
die nog nooit een mens bedroog
zal ik wachten
zal ik hopen
zal ik weggaan?
‘mens waar ben je’
zal ik horen
tot ik op de hoogte kom.

Vragen moet ik om een teken
dat mijn leven gaande houdt
afzien van de dag van morgen
lachen om mijn zelfbehoud
zal ik vragen
zal ik wachten
zal ik hopen
zal ik weggaan?
‘mens waar ben je’
zal ik horen
tot ik op de hoogte kom.

Geven moet ik heel mijn leven
zelfs wat mij het liefste is
trouw zijn aan de stem van binnen
mij verliezen in gemis
zal ik geven
zal ik vragen
zal ik wachten
zal ik hopen
zal ik weggaan?
‘mens hier ben ik’
zal ik horen
als ik op de hoogte kom.

Op de hoogte zal ik komen
tot het einde zal ik gaan
waar ik dood, tot mens geboren
oog in oog met God zal staan
zal ik komen
zal ik geven
zal ik vragen
zal ik wachten
zal ik weggaan?
‘mens hier ben ik’
zal ik horen
als ik op de hoogte kom.

Als je van me houdt

Als je van me houdt, huil niet.
Als je het ondoorgrondelijke mysterie van de hemel
waar ik me bevind zou kennen,
zou je nooit om me huilen.
We hielden voor eeuwig van elkaar in het leven,
maar alles was toen vluchtig en beperkt.
Denk aan deze prachtige plek waar er geen dood is
en waar ik vlak bij de onuitputtelijke bron
van geluk en liefde ben.
Als je echt van me houdt, huil dan niet meer om mij.
In ben in vrede.

Liefde overleeft de dood

Je liefde zal je dood overleven
Ze blijft onder de mensen aanwezig
ook als je al lang gestorven bent.
Jijzelf wordt in je sterven
opgenomen in het geheim van Gods liefde.

Gelovig sterven is afscheid nemen
van de tijd, niet van het leven.
Gelovig sterven is het ene mysterie
verlaten om het andere in te gaan.
’t Is op het woord van Jezus
de hoop verwisselen voor zekerheid
dat God liefde is.

De mensen van voorbij

De mensen van voorbij,
ze blijven met ons leven.
De mensen van voorbij,
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemen, geuren, in een lied,
dat opklinkt uit verdriet.

De mensen van voorbij,
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij,
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen;
daar waar géén pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij!

Hanna Lam

De bomen langs de singel
staan ingetogen stil
geborgen in hun eigen wezen
ze lezen in hun spiegelbeeld
dat in het water staat geschreven:
oeroud is het verhaal
van sterven en weer leven

het beeld verrimpelt
door het vallend blad
symbool van afscheid nemen

behoedzaam lees ik mee
en zie verrast
de knoppen reeds gespeld –
verlicht weet ik:
als straks de winter
dood en leegte preekt
wil ik hieraan blijven denken
aan de knoppen
die reeds zijn gespeld.

Oeke Kruytthof

Gedicht voor ons kind

Je bent gedragen om verlost te worden
Je hebt veel te vragen.
gekomen om te gaan
de streng die je bond
aan het lichaam van je moeder
moest verbroken worden
om je te laten leven.

Dit mogen wij nooit vergeten:
je bent geen bezit.
Wij hebben jou niet
jij hebt ons,
om je te leiden
te beschermen
te bewaren voor angst
om Je zeggen
dat we niet bang zijn
als het onweert
en met je te zingen in de nacht.

We zijn toeschouwers
aan de rand van je leven
we mogen je gadeslaan
terwijl je speelt
en naar je lachen
terwijl je verloren bent
in wat je ziet en doet

We zien je langzaam worden
wat je bent
we houden de weg open
naar je geluk
en trachten te verhinderen
dat je wordt
wat je niet zijn kunt.

Als je naar God vraagt
vertellen we van het leven
vraag je waar je vandaan komt
dan zullen wij zeggen:
uit de wereld der liefde.

Je mag ons eenmaal verlaten
je bent er om dat te doen
je mag je heengaan voleindigen.
Al wat wij voor je deden is voor jou
Je moet ons niet worden.
Je moet jezelf worden.
Je moet worden waarheen je
je eigen wonder.

Wij hopen voor je
altijd
je verschijnt in onze gebeden.

We hopen dat je blij zult worden
levend in de schepping
man en vrouw
wandelend in licht
van vergeving
en wachtend op het Rijk

Je mag gaan
Je zult het.
Het is een gebod
een belofte.
Ga heen in vrede

Kwade dagen

Ga niet naar anderen als dát leed u slaat
dat de mens kromt, of als een wig hem splijt:
ga niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt,
die harde kern waarmee ge het bestaat.
En houdt uw huis in stand, gelijk altijd.

Ga niet naar anderen: hun blik verraadt
weigering te beseffen wat er is.
Straks woelt hun onrust om in uw gemis.
Mijd hun bedisselen, hun ergernis
dat ge u blijkbaar niet gezeggen-laat.

Zoek het bij een goede vriend, u toegewijd
een die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt
maar u verdraagt met uw beschreid gelaat.
Die, zelf zwijgzaam, u kent voor wie gij zijt,
en merkt dat het, nog bevend, berg-op gaat.

Ida Gerhardt

In alle stilte

Een vriend van mij, een vriend van mij had kanker
Maar goeie vrienden laat je niet alleen
Al wist ik dikwijls niet wat ik moest zeggen
Ik ging er elke week toch even heen

In feite zou ik gister weer gegaan zijn
Dat hoefde niet meer, zei het ochtendblad
‘Gestorven: onze zoon en broer en zwager…
In stilte gecremeerd’ – en dat was dat

‘In stilte’ – jee, waarom in ‘alle stilte’?
Het was zijn ‘laatste wens’, dat stond erbij
Ik snap ’t niet, dat zou hij mij niet aandoen
Dat is gewoon gelogen volgens mij

Ik ga niet in een hoekje zitten huilen
Ik scheur ook het behang niet van de wand
Maar toch: waarom is sterven en begraven
Verbannen naar een hoekje van de krant?

Ik heb een advertentie laten zetten
Je wilt toch wat, als afscheid, als besluit
‘Dag Jaap, ik zal je heel erg missen, Ivo’
Maar Jezus… wat zag dat er lullig uit!

Als ik ooit doodga, kom dan allemaal maar
En hou je flink of snotter, alles mag
Vooruit, laat ’t maar druk zijn en luidruchtig
Ik zorg wel voor de stilte op die dag

Ivo de Wijs

Er is zoveel nog niet gezegd
er is nog zoveel doodgezwegen
door jullie en door mij.

Zoveel waarheid nog ontdoken
zoveel nog niet uitgesproken
en het heeft zo voor de hand gelegen
bij jullie en bij mij.

Opgekropt, weggestopt,
stil gesust, zoet gekust,
afgeschoven, weggewoven,
wel gedacht, niet verteld,
afgewacht? uitgesteld,
doorgeschoven, weggewoven,
door jullie en door mij.

Er is zoveel nog niet gezegd,
er is zoveel nog doodgezwegen,
zoveel grond nog niet ontgonnen,
zoveel planten niet begonnen,
vragen die geen antwoord kregen
van jullie en van mij.

Paul van Vliet

En toen ze terugkwamen

En toen ze terugkwamen, vertelden ze elkaar
opnieuw verhalen: hoe de ontmoeting ook henzelf
goed had gedaan, hoe de ontmoeting nieuwe
banden had geschapen, hoe ze ook zelf meer
mens waren geworden door te luisteren. Ze
begonnen steeds meer te beseffen dat ontmoeting
gelukkig kan maken en iemand zei:

Je bent een gelukkig mens
als iemand luistert naar jou
als iemand bij jou stilstaat.

Jij bent een gelukkig mens
als iemand jou serieus neemt
als je je aanvaard weet, zoals je bent.

Een ander vulde aan:
Je wordt een gelukkiger mens
als je kunt treuren met de mensen die verdriet
hebben
als je kunt lachen met de mensen die lachen
als je stil kunt worden wanneer woorden teveel
zijn.

Dan gebeurt het wonder van de ontmoeting.

Ter sprake

Jij komt zo vaak
zwijgend aanwezig onder ons
Waar ben Jij toch te vinden?
Mijn ogen zoeken Jou.
Jij spreekt in
’t tedere gebaar.
Jij raakt mij aan
in de stilte.
Jij overvalt ons niet.
Jij spreekt niet zonder
te luisteren.
Jij ziet eerst onze pijn
en ons zoeken naar het licht.
Jij spreekt wonderlijk in
de gewonde mens.
JU komt ter sprake in
de taal van liefde en
louter goedheid.
Jij werd de mond van de
sprakeloze.
Jij bracht de machtigen
tot stomme verbijstering.
Jouw liefde doet nog altijd
in mensen van zich spreken.
Jij gaf het woord aan de
monddood gemaakten.
Jij gaf het woord aan wie
niet gehoord werden.
Jij hoorde alle fluisteren
in licht zoekende gezichten.

Marinus van den Berg.

De boom zo mooi,
zo recht van lijf en leden,
zo sterk, met kracht
en wijsheid van de tijd.
Daar ligt hij heden,
geveld, verteerd van
binnen zonder macht.

De geest van deze boom
Geworteld in zijn takken
blijft eeuwig voortbestaan
Valt nooit meer
om te hakken.

Ik weet dat je gestorven bent

Ik weet dat je gestorven bent.
Je handen hebben de mijne
en de dingen om je heen losgelaten.
Je kijkt niet Meer door het raam
naar het weer van vandaag.
Je luistert niet langer als er ergens een deur opengaat
en je zegt niet meer: Kom binnen.
Je zegt de woorden niet meer die je
– met jouw ogen en jouw stem –
vroeger altijd zei.
Het is stil geworden om je heen

Maar toch hoor ik je nog spreken
en zie ik met gesloten ogen wat je deed,
toen je nog gaande en staande was.

Nee, je zou pas echt dood zijn
-ik zou pas echt dood zijn –
als ik je kon vergeten
en als je weggewist uit mijn geheugen
me niet meer bij zou staan
met raad en daad
zoals toen.

Maar dat doe je dus nog
als ik over jou verhalen vertel:
hoe je het leven en de mensen zag
en wat je doen zou als je voor vragen stond
waar ik voor kom te staan.

Nee, alles is nog niet voorbij,
je leeft nog in mijn verhalen over jou.
Mijn handen kunnen je niet meer vasthouden
maar wel mijn woorden en de ogen van mijn hart.
En daar zul je leven tot eens alles is volbracht
in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Het land van amen (1978)

Ik zal voorbij zijn en het dorp zal duren
gelijk vandaag met harpen in de bomen.
Geblaat geblaf. En telkens toegenomen
bewegingen tegen de middaguren.
Het gras ontelbaar tussen vogelveren
en leeuweriken als omhooggetrokken
onhoorbaar bezig in een tijd vol klokken.

De knapen die nu haastig huiswaarts keren,
de ransels rondzwaaiend naar alle kanten
zullen volwassen zijn met grote handen.

A.v. Wilderode

Ik voelde mij zo gelukkig met jou;
ik zag de zon, ik zag de zonnebloemen in je ogen.
En ik dacht; tot aan het einde van de wereld
zo met jou te leven (mogen).

Ik zag in jou mijn pa, jouw opa
joviaal en met een heel groot hart.
Voluit mocht ik jouw moeder zijn
Nooit zag je ’t leven zwart.

Maar toch…als moeder voelde ik soms angst
je van huis te laten gaan, die jachtige wereld tegemoet
Jij bleef de positieve optimist;
gaf vaak mijn leven zin en moed.

En zo opeens, mijn liefste, die vreselijke nacht,
verpletterde onze droom, diep in mijn hart verwond
omdat zinloos geweld jouw hulpvaardigheid
en mensenliefde niet verstond.

Verscheurd mijn moederhart,
diepe leegte om ’t gemis.
Omdat wie ik lief had, jij liefste Joes,
nu niet meer is.

En zie ik straks door ’t donker, Joes,
straks even maar, heel even weer de zon
Dan zal ik weten, voelen, leven,
van jou, mijn liefdesbron.

Afra

HELD

Er bestaat een held, als je in je hart kijkt
je hoeft niet bang te zijn om wat je bent
het antwoord ligt er, als je in je ziel reikt.

Dan komt een held voorbij
met de kracht om door te gaan
je zet je angsten van je af
en je weet dat je het redt.
Dus als je denkt dat er geen hoop meer is
kijk dan in jezelf en wees sterk
en je zult de waarheid zien
dat er een held in jou huist

Het is een lange weg
als je alleen tegenover de wereld staat
en niemand een hand naar je uitstrekt
die je vast kunt pakken
Je kunt liefde vinden
wanneer je in jezelf kijkt
en de leegte die je voelde zal verdwijnen.

Dan komt een held voorbij
met de kracht om door te gaan
je zet je angsten van je af
en je weet dat je het redt.
Dus als je denkt dat er geen hoop meer is
kijk dan in jezelf en wees sterk
en je zult de waarheid zien
dat er een held in jou huist.

Iedereen weet, dromen zijn moeilijk waar te maken
maar laat niemand ze afnemen
hou vol, er komt een nieuwe dag
waarop je je weg zult vinden.

Dan komt een held voorbij
met de kracht om door te gaan
je zet je angsten van je af
en je weet dat je het redt.
Dus als je denkt dat er geen hoop meer is
kijk dan in jezelf en wees sterk
en je zult de waarheid zien, dat er een held in jou huist

Mariah Carey

Spreken met vader  
(1947)

Vader, wij hebben u begraven en de grond erkend
zacht om te slapen, zacht om te vergeten:
zand dat vervloeit en water, ongeweten,
herinnering en droefheid voormaals onbekend.

Gij zult niet eenzaam zijn, maar slapen slapen
met sterren ’s avonds een onblusbaar vuur
en, rond uw eiland, het traagstromend water.
De bomen wuiven tijdeloos en ieder uur.

Gij zult niet eenzaam zijn. De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingend uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.

Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.

A.v. Wilderode

Moeder van ver al (1978)

Ik zwem in tegenstroom van vijftien jaren
sinds je verscheiden naar de koninkrijken
die ik niet meer of nog niet kan bereiken
en waar je bent herkenbaar aan gebaren
en oogopslag en zachtgezegde woorden.
De zoute zeeën van een eenzaam leven
hebben mij verder van jou weggedreven.

Misschien kun je mijn armslagen toch horen
daar aan jouw kust, en kom je moegezwegen
mij met een taal vol aardse tekens tegen.

A.v. Wilderode

Februaribomen

in al hun vezels wachten zij –
de bomen langs de singel
ademloos gespannen

windstil wachten zij
de kluizenaars in ons bestaan
in zichzelf gekeerd
altijd op dezelfde plaats
en toch –
en toch
verrichten zij
het grootste wonder
herscheppen zij
het leven keer op keer

ik weet
de lente komt
de nieuwe taal
die zij gaan spreken
de kente
waar ook ik –
ook ik op wachten wil

O. Kruythof

Kom nu met uw donker, diep erbarmen, Eindelijk Dood.
Laat dit pijnlijk lichaam in uw armen Rusten als het kind op moeders schoot.

Laat mij veilig door de schaduw uwer grote Vleugelen gedekt Slapen gaan, het
moede oog gesloten En het lichaam pijnloos uitgestrekt.

Jacqeline van der Waals

Ik weet, ik weet niet Heer, waarvan Gij koning zijt,
hoe klein uw land is of hoe wijd,
noch wat ik U kan vragen,
maar dit, dit sterven Heer, dit kan ik niet verdragen.

Ik weet, ik weet wel Heer het lijden maakt soms vrij
en in de felle pijn zijt Gij misschien de diepste drager,
maar dit, dit sterven Heer, dit
kan ik niet verdragen.

Toch zult, toch zult Gij Heer – zo wordt Gij ook verstaan –
de doden weer rechtop doen gaan, doen lachen, niet meer klagen.
Want dit, dit
sterven Heer, dit wil ik niet verdragen.

Theo van Reen

Aarde. Deze.
Enig denkbare.
Rond en blauw in de ruimte,.
Met zon, maan en sterren,
seizoenen, rivieren,
rivieren die stromen naar zee.
En niets valt omhoog
en alle somlaag.
En niets is nog af
en alles nog nergens.
En overal mensen
die weten van niets
en maken van alles –
en alles bederven,
seizoenen, rivieren.en achteloos doden.
En sterven en doden
en sterven.

Ween niet

De dood is niets. Ik ben slechts naar
de andere kant. Ik ben mezelf, jij bent
jezelf. Wat we voor elkaar waren, zijn
we nog altijd. Noem me zoals je me
steeds genoemd hebt. Spreek tegen
me zoals weleer, op dezelfde toon, niet
plechtig, niet triest. Lach om wat ons
samen heeft doen lachen. Denk aan mij,
bid met mij. Spreek mijn naam
uit thuis, zoals je altijd gedaan hebt
zonder hem te benadrukken, zonder
zweem van droefheid. Het leven is
wat het altijd is geweest. De draad is
niet gebroken. Waarom zou ik uit je
gedachten zijn? Omdat je me niet
meer ziet? Nee, ik ben niet ver, juist
aan de andere kant van de weg. Zie
je, alles is goed. Je zult mijn hart
opnieuw ontdekken en er de tederheid
terugvinden. Dus, droog je tranen en
ween niet, als je van me houdt.

De doden zijn niet dood

De overledenen zijn nimmer heengegaan:
ze zijn in de lichte plek in de schaduw en in de schaduw die dichter wordt. Ze zijn in
de boom die dreunt en in de boom die steunt. Ze zijn in het stromende water en in
het water dat slapend de ogen sluit. Ze zijn in de hut, ze zijn in de boot: de doden
zijn niet dood.

De overledenen zijn nimmer heengegaan:
ze zijn in de borsten van de vrouw, ze zijn in het kind in haar lichaam. Ze zijn in de
oplaaiende strijd, ze zijn niet onder de grond: ze zijn in het uitgaande vuur, ze zijn in
het wenende gras, ze zijn in de brommende rotsen, ze zijn in het bos, in het huis, in
de boot: de doden zijn niet dood.

Birago Diopp, Senegambia

Enzovoort

Na de begrafenis van oom speelt de familie
rond de verse weduwe stommetje,
tot iemand zegt dat het bij
het graf gelukkig even niet regende.
Het had net zo goed wél kunnen regenen,
zoals het de vorige dag immers vrijwel
onafgebroken geregend heeft en
zoals het trouwens de hele week
al een natte boel is.
Denk maar aan de totaal verregende
verjaardag van Chris, je weet wel, die met een
dochter van Ada getrouwd is,
ze kon geen kinderen krijgen, o nee?
Enzovoort.

Huub Hoek

In de hemel

‘In de hemel is het altijd zomer, de zon schijnt er altijd. De bomen en planten zijn
groen en de bloemen bloeien in allemaal kleuren. De Hemel is een groot dal omringd door bergen, maar het dal is zo groot dat het niet net is alsof je er tussen
gevangen zit.
Op de bergen groeien grote bossen met allemaal verschillende bomen en struiken.
Er zijn ook grote weiden en beekjes en in het dal is een heel groot, mooi, helder
blauw meer, waar allemaal vissen in zwemmen en waar je zelf ook in kunt zwem
men. Er zijn veel dieren. De mensen en dieren leven er samen. De mensen zorgen
voor de natuur en de natuur zorgt voor de mensen. Zo hebben ze er beiden wat aan.
De mensen zijn er heel vrolijk en ruzie bestaat niet. Alle mensen zijn gelijk, er is
geen verschil tussen arm en rijk, want je geld kan je toch niet meenemen naar de
hemel. Er zijn ook geen mensen die beter zijn dan de andere mensen. Geen verschil
tussen blanke en zwarte mensen. Het gaat niet om hun huidskleur, maar hoe ze van
binnen zijn.
Alle vijanden die je vroeger had, ken je niet meer, je leeft gewoon weer in vrede met
elkaar. Ze doen en delen veel meer samen. Ze zijn meer ‚‚n, ze begrijpen elkaar
beter en laten elkaar ook in hun waarde. Ze schelden niemand uit om wat hij zegt of
doet.
In de Hemel is God niet God, maar is Hij de koning die om zijn mensen geeft en voor
ze zorgt. Hij is er in levende lijve om erop toe te zien dat alles ook goed gaat. De
Hemel lijkt in veel opzichten op de aarde, maar in de Hemel zijn al die nare dingen
van de aarde er niet.’
Sanne

Nooit vergeten

Een zee van vergoten tranen in de Wiener Graben omspoelt mij als ik sta heel klein
en nietig op de appélplaats van deze aardse hel en bijna verdrink ik daarin als de
muziek mij wegdraagt ver over de grenzen van mijn gevoel mijn onvermogen om te
begrijpen hoe mensen elkaar dit kunnen aandoen ik denk: nooit vergeten nooit weer
en huil tot ik geen tranen meer heb.

Van een jonge bezoekster van het concentratiekamp Mauthausen.

Sterven

Je ogen zien het varend schip voorgoed vertrokken van de ka kleiner en kleiner
wordend na tot enkel nog een vage stip

verdwijnt achter de horizon, waarna een stem terzijde zegt: ‘keer je maar om, nu is
het weg, je deed het laatste wat je kon’.

Maar is het weg? Vanuit het zicht van hier verdween die kleine boot, maar ginds
vaart hij nog even groot als toen het anker werd gelicht

en juist als hier klinkt ‘laat ons gaan’ roept iemand aan de overkant al wijzend,
wijzend met zijn hand: ‘daar komt hij aan, daar komt hij aan’.

Hans Mudde

Als ik doodga hoop ik dat je erbij bent
dat ik je aankijk dat je mij aankijkt
dat ik je hand nog voelen kan.

Dan zal ik rustig doodgaan
Dan hoeft niemand verdrietig te zijn
Dan ben ik gelukkig

Remco Campert

Nu ik jouw voetstap niet meer horen zal
op straat of binnenshuis,
nu ik jouw handdruk niet meer voelen kan
in goede en in kwade dagen,
nu ik jouw stem niet meer versta
opbeurend of vermanend,
nu ik jou niet meer strelen kan –
weet ik dat jij er toch nog bent
omdat ik jouw geschiedenis in mij verderdraag.

Nu jij niet meer bij ons zult zijn
blijft de herinnering aan jouw nabijheid.
Nu jij hier niet meer zelf kunt zijn
blijft ons nog het vinden van jouw werk en woorden
Nu jij niet meer in ons midden bent
blijft jouw gestalte ons nog bij.
Nu jij er niet meer bent om mee te praten
blijven wij praten over wie jij was, en
wat jij betekende voor ieder van ons.

Maar straks zullen wij staan bij jouw graf
troost zoekend en gevend aan elkaar.
Met vreemd-lege handen zullen wij staan
om de draad op te nemen die jij ons spon.
Nu wij ogenschijnlijk verweesd samenkomen
kunnen wij toch weten dat jij er nooit niet zult zijn
omdat jij al was altijd en overal
zoals wijzelf en al het andere.

Anneloe Koens

Bezoek aan een kerkhof

Stilte
rust

een treurwilg kust
de aarde
die zwijgzaam
vol erbarmen
herbergt tot in eeuwigheid
wat rest van
angst en pijn en strijd

een merel zingt haar
avondbede
Vrede.

Verstoorde lente
 
De vorst
van de nacht
diep – donker – zwart,
verbrandde de bloesem
in een koude omhelzing

de vroege ochtendzon
bracht géén redding –
slechts het kraaien van een haan
werd gehoord

Daar hing hij dan
vol van belofte…
géén mens die met hém deelde
terwijl hij…
een en al delen was

hij werd in een graf gelegd
fris als de nacht
er waren tranen –
rouwklacht –
een steen sloot  alles af!

De nacht duurt…
er is nog geen ontwaken…

GOD WEET KOMT HET GOED

God weet komt het goed,
een rechtvaardige wereld
waar niet de dood heerst.

Je denkt na de dood een veel
grotere ruimte
waar je terecht komt.
Waar we kunnen wat we nooit konden,
oogsten wat we niet hebben gezaaid –
woorden die niet bestonden,
dachten we,
maar ze bestonden.
Of gaan we in vlammen op?
Of word je een vlam in de zon?

God weet komt het goed,
een rechtvaardige wereld
waar niet de dood heerst.

Misschien nog op deze onschatbare aarde
eeuwen van schoonheid,
onder open hemel wijd landschap,
lichtrivieren, verte in blauw,
rotsen, eikenwouden, valleien,
steden in tuinen.
En stilte groter dan taal.
En liefde sterk als de dood.

God weet komt het goed,
een rechtvaardige wereld
waar niet de dood heerst.
Huub Oosterhuis

Wieg

Geur van honing
en jonge melk,
van een nestdiertje
at slaapt.
Een ademhalen van dons.
En speurbaar
aan de neusvleugels
de geur van wat er gebeurd is:
geboorte,
geheim.
Ida Gerhardt
U Heer, U kent mijn stil en groot verdriet
‘k zal moeten huilen maar wil het niet
‘k doe groot, maar ik weet dat U mijn kleinheid ziet
‘k zou willen bidden, maar ik kan het niet
Wat mij nog rest is hoop, maar ook toch wel vertrouwen
Dat U mijn stil verdriet als ‘bidden’ wilt beschouwen.

om jou te herinneren

Stil word ik in mijzelf.
Jou wil ik voelen in mij.
Ik hoor nauwelijks het geschuifel
van de voeten.
Mensen zijn gekomen.
Van alle kanten.
Verbonden met jou waren ze.

Stiller word ik in mijzelf.
Verdoofd ben ik nog.
Niet te zeggen hoe ik mij voel.
Alles zo vreemd.
Ben ik dit wel zelf?
Zal het morgen niet gewoon een
andere dag zijn?
Alsof er niets gebeurde?

Zo anders stil wordt het in mij.
Jou herinner ik mij.
Jouw gezicht voor mij.

Zo anders stil word ik nu.
Jouw naam klinkt.
Een kaars wordt ontstoken.
Jij licht in mij.
Jij licht voor mij.
Jou wil ik mij te binnenbrengen.

Zo stil wordt het nu…
Marinus van den Berg

Van vlam geboren

Droefenis is gegaan en ’t hart zal niet meer vragen;
Alle herinnering gaat stilaan henen;
Al wat het leven gaf is wet verdwenen
en alle kracht gaat henen met de dagen.

En die veel klaagde heeft verleerd te klagen
en die veel weende heeft verleerd te weenen
en van verlangens bleef alleen dit eene
dat ieder weet die veel aan leed moest dragen.

Er is een vreemd geheim na diep verdriet;
er is een vlam geboren in het hart
die woekerend verteert en telt ons niet

en in de kracht van dezen vagen glans
openen zich verloren schemeringen,
het landschap van de ziel in trans na trans.
W. Buning
Graf

Gij laat mij tot de stenen toe
met dezelfde tederheid,
als eenmaal tot uw huid.
Mij is te moede of de dood
u maar verwisselde van kleed.
De plaats, die gij geworden zijt:
grint,
blind zand,
kruid:
gebenedijd.
Gebenedijd.
G.Achterberg

Allerzielen

De zomer is voorbij, de blaren vallen…
verkronkeld liggen zij bij duizendtallen.
Doorweekt en weer gedroogd, kapotgetreden,
verlept en uitgeloogd in lijf en leden.
Zo droevig weergekeerd naar moeder aarde,
die roekeloos verteert wat ze eens baarde.

En zo, hoe cru het schijnt, vergaat het mensen,
de dood maakt bruut een eind aan alle wensen.
Die ons zo lief voorheen en dierbaar waren
ze vielen een voor een als dorre blaren.
Het wreed verscheiden sloeg zo diepe wonden.
Het leed dat God mij vroeg kan ‘k niet doorgronden.

Maar in mij brandt de hoop door Hem gegeven
dat sterven is de doop naar een nieuw leven.
Het weerzien van hen die ons ontvielen,
verbonden als ik ben met Alle Zielen.
J. Babeliowsky

Ik berg de smart diep in mijn hart
Ik berg de smart diep in mijn hart
omhul mijn gelaat met een masker
de ogen tranen, stil is mijn wenen
en ook in mijn lach verbergt zich een zucht

Ik kijk naar je omlijste beeld
de tijd verstrijkt, minuut na minuut,
je blik lijkt gewend naar een andere wereld
je gelaat verzegeld met het zegel van stilte.

dag na dag, weer een jaar, alles verglijdt
de schutter schiet zijn pijlen, de hemel betrekt
de wind is koel, een geur van herfst…
je vrienden dragen al kinderen op hun schouders
en jij oogstte niet de oogst van je jeugd
en je bent niet meer nu.
Dov Fishman

Heer, herinner u de namen

Heer, herinner u de namen
van hen die gestorven zijn,
en vergeet niet dat zij kwamen
langs de straten van de pijn,
langs de wegen van het lijden,
door het woud der eenzaamheid,
naar het dag en nacht verbeide
Vaderhuis, hun toebereid.

Heer, herinner u hun luist’rend
wakker liggen in de nacht
en hun roepen in het duister,
en armzaal’gheid van hun kracht,
en wil zeer aandachtig lezen
in de rimpels van hun huid.
de verscheurdheid van hun wezen,
en wis hunne zonden uit.

Heer, herinner u hun namen;
oordeel hen, en spreek hen vrij,
en bedek hun schuld en laat hen
zitten aan uw rechterzij.
M. Verdaasdonk

Nu ik ben aangekomen op de plaats

Nu ik ben aangekomen op de plaats
waar het zal moeten zijn waar ik van zing,
Ik ben een vijver zonder rimpeling
met alle hemelen in mij weerkaatst.
G. Achterberg

De doden die in de aarde vergaan zijn

De doden
die in de aarde vergaan zijn
en die verstrooid zijn op de wind
voorgoed onvindbaar

de uit hun huis geroofden
en onvoltooiden
allen die weg zijn gegaan zonder groet

wat heeft met hen gedaan
Hij die nooit laat varen
het werk van zijn handen?

Leg hen als een zegel
aan uw hart als een zegel op uw arm
want sterk als de dood is uw liefde.

Kom tegemoet de ontluisterde,
de door het leven geleerde,
die niet kan geloven,
in meer dan hij ziet;
de stekelige eenzame,
de schampere,
de spotzieke, morrende,
de verdorde van hart.

Zalf zijn wonden,
zijn zere huid,
wek zij zachtheid opnieuw.

Geef hem terug
de ogen van een kind.

De onnadenkenden, de afgestompten,
de harden die niet te vermurwen zijn,
die niet van andermans ellende
willen horen,
zij die niet weten wat zij doen
heb nog geduld met hen.

Maar de mensenmoordenaars,
de wereldverdelers, roofzuchtigen,
al die groten der aarde:
daag hen toch uit
de mens te worden
die Gij in hen gezien hebt.

Gij die uw vijanden liefhebt.

Geen twijfel mogelijk

en de maan met al haar sterren
is mijn zuster in de nacht,
dank U God, zij is het einde,
hoog en droog houdt zij de wacht.

En de wind mijn liefst broertje
blaast de wolken voor zich uit,
dank U God, hij is het einde,
dat hij waait is uw besluit.

Water heet mijn koele zuster
soms orkaan en soms geruis,
dank U God, zij is het einde
brengt een schip behouden thuis.

En de dood mijn laatste broertje
krijgt bezoek van iedereen,
dank U God, hij is het einde
zonder hem blijft U alleen.

A. Bosch

verliezen om te vinden

Steeds weer
door tranen achterhaald
breekt hij de waan van de nacht
en in de morgen
als de zon
hem tegen komt
danst hij dansend
over het meer
visser en vogels zingen
keer op keer
steeds weer.

J. Corstjens

Speciaal voor jou  
wees niet wanhopig, als de hemel lijkt gesloten,
als je van ieder mens verlaten bent,
als je je hoofd zo dikwijls hebt gestoten
dat je geen blijdschap en geen vreugd meer kent,
als je verward bent in de leugen, het bedrog:
God is er toch? God is er toch?

Denk aan je doop. Toen heeft de Heer gesproken:
‘Je bent mijn kind.’ En of je wilt of niet,
al heb je elke dag je word gebroken,
toch breek Ik mijn belofte aan jou niet.
Ik zei het toen, Ik zeg het nu nog:
Ik ben er toch? Ik ben er toch?

Voel op je voorhoofd: daar brandt nog het water
dat teken was van mijn verbond met jou.
Dat gold voor toen, dat geldt voor nu, voor later,
al ben jij ontrouw, eeuwig is mijn trouw.
Denk niet wanhopig: ‘God wat moet ik nog?’

Ik ben er altijd. Maar je moet Mij zoeken,
Ik zal je horen, vóór je roept tot Mij;
maar roep dan ook. Al lijkt je bidden vloeken,
Ik hoor je stem. Ik kom en maak je vrij.
Al is er niets, dat in je voordeel pleit
Mijn kind, Ik ben er toch. Voor jou. Altijd.’
N. Benschop

Een kind maakt zich los
uit de veilige holte
van de moederbuik,
het maakt zich vrij
om zelf mens te worden,
kome wat komt.

Pijn doet het baren,
golven pijn het loslaten
van dat stuk van jezelf
dat een nieuwe mens wordt
de uittocht van een kind.

Pijn doet aan een kind
het licht in de ogen
het geluid in de oren
de kou van de lucht.

Misschien is zo de dood:
een mens maakt zich los
uit het warme leven
uit het veilige weten,
en dringt zich een weg
naar het onbekende
buiten
kome wat komt.

Pijn doet het afscheid
loslaten van een mens
die je lief is geworden
die een stuk van jezelf was
de uittocht van een geliefde.

Misschien is zo de dood:
de gang waardoor wij
ons dringen,
naar vrijheid, nieuw leven,
kome wat komt.

Dagloner  
Ik heb hier geen hoog loon gevraagd,
ik heb me hier niet rijk gerekend –
ik heb alleen mijzelf betekend,
en hebt u aan Gods woord gewaagd.

Ik stuurde in dit land de ploeg
van woorden door nog natte bodem:
dat God gewoner is en groter,
dat hij die draagt ook ons verdroeg.

Slechts één ding vroeg ik telkens: kracht,
te dulden dat ik ben geboren
in tijden, dat wij veel verloren –
geduld toch maakt ook stenen zacht.

Het oogsten maak ik niet meer mee –
maar nooit wordt dit land nog bedolven
onder de hemelhoge golven,
want niet meer neemt en doodt de zee.

Dit wordt het laatste gedicht  
Dit wordt het laatste gedicht wat ik schrijf,
nu het met mijn leven bijna is gedaan,
de scheppingsdrift me ook wat is vergaan
met letterlijk de kanker in mijn lijf,

en, Heer (ik spreek je toch maar weer zo aan,
ofschoon ik me nauwelijks daar iets bij voorstel,
maar ik praat liever tegen iemand aan dan
in de ruimte en zo is dit wel

de gemakkelijkste manier om wat te zeggen),
hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht
van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in

het onverhoeds onnoemelijke begint?
Of is het dat jij me er een onverdicht
woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt.
Hans Andreas

Wanneer het einde nadert
komen mensen, niet zelden
langs een heel moeilijke weg,
pas echt aan zichzelf toe.
De lagen stof die een leven
lang kwamen aangewaaid,
schudden ze van zich af en
breken heen door de schors
op hun ziel vast gekoekt.
En alwat ooit zo moest,
zo nodig, onontbeerlijk was
hoeft ineens niet langer meer.
Alles staat in ander licht.

Wanneer het einde nadert
vallen alle holle frasen,
lege leuzen door de mand.
Alle grootspraak is bedrog en
bakerpraatjes tijdverdrijf.
Sprekend zijn enkel nog
de woorden die reiken
van hart tot hart en
lucht en adem geven aan
de ziel die in ons huist.

Wanneer het einde nadert
lokt geen verwachting meer
dan het totale visioen,
hoe ver en wazig ook;
gloort geen enkele horizon
dan het eindeloze vergezicht,
hoe moeilijk ook te zien;
trekt geen enkele toekomst
dan alleen de Eeuwige nog,
zo onnoembaar als Hij is.

Afscheid nemen  
Die laatste weken
van een leven
de laatste dagen
van een mens,
de laatste uren
van een ziekbed..
die blijven je bij.

Wat Anne Frank,
op haar kamer benauwd,
vluchtig in haar dagboek
nog heeft neergeschreven.
Wat Etty Hillesum, wachtend
op de reis naar het einde,
in Amsterdam en Westerbork
over God en Goed
onder woorden heeft gebracht.

Wat mensen op het laatst
nog zien en zeggen…
waarover zij zich
zorgen blijven maken..
wat ze nog willen dat wij …

Laatste woord en gebaar,
laatste blik en oogopslag,
die blijven je bij.

En de stilte die dan volgt
vult zich langzaam zeker
met dierbare herinnering,
met leven en wezen van
die zijn heengegaan.

Wat is erger
Wat is erger
dan doodgaan

het leven verliezen
door achterdocht,
wanhoop, verbittering,
verliezen van het leven

wat is erger
dan leven

doodgaan voordat
je de liefde kent
geslagen door
die bliksemschicht geluk
en nadien al die uren
gemis en verdriet

iets ergers
dan leven en doodgaan
is er niet
Bea Dorpema

Wij zagen je gaan
wanneer ik weer naar huis zal gaan.
U zult niet in de kamer staan
en mij omhelzen, als voor dezen.

‘k Zal nooit meer, als u zat te slapen boven een boek, boven een krant, het blad, dat
glipte uit uw hand glimlachend van de grond oprapen.

‘k Zal nooit uw “Goede nacht” meer horen, of het gestommel op de trap, wanneer uw
trage, moede stap de morgenstilte kwam verstoren.

Nooit zult u meer door de tuin lopen, waar iedere bloem en iedere plant getuigde
van uw verzorgende hand. – Nu ging de hemeltuin u open. –

O, die vertrouwde, kleine dingen, die u zo onopvallend deed, die zal ik missen, tot
dit leed verstild is tot herinneringen.

Dood  
De dood waarvoor elk mens
met goede reden huivert
is als een vlammend vuur
dat alle zielen zuivert
Dat snel verteert
al wat verblinding is en waan
en tast alleen het schone
en werkelijke niet aan.
Frederik van Eeden.

De tuinman
De bloemen staan in ’t donker bed
Als porceleinen scherven –
God heeft ons op de wereld gezet,
Het leven kan niet sterven.

Ieder mens is een hovenier,
Ieder mens is een graver:
En zacht en diep graven we hier
Een kuil voor ons cadaver.

Maar ’t leven is te vast en hard:
Of we al een rustplaats graven,
Nog nimmer kwam de grote nacht
En er is een mens gaan slapen.

Zie naar de bloemen op een graf,
Het leven kan niet sterven.
Nooit komen we de wereld af,
Al barsten we tot scherven.
Martinus Nijhoff

In memoriam  
De blaren vallen in de gele grachten:
Weer keert het najaar en het najaarsweer
Op de aarde, waar de donkre harten smachten
Der levenden. Hij ziet het nimmermeer.

Hoe had hij dit bemind, die duistre straten,
Die atmosfeer van mist en zaligheid,
Wanneer het avond wordt en het verlaten
Plaveisel vochtig is en vreemd en wijd.

Hij was geboren voor de stille dingen,
Waarmee wij leven – maar niet even lang –
Waarvan wij ’t wezen slaken in ons zingen,
Totdat wij zinken, en met ons de zang.

Het was een herfst als nu: de herfsten keren,
Maar niet de harten, na hun korte dag;
Wij stonden, wreed van menselijk begeren,
In de ademloze kamer, waar hij lag.

En voor altijd is dit mij bijgebleven:
Hoe zeer veel stiller dood dan slapen is;
Dat het een dagelijks wonder is, te leven,
En elk ontwaken een herrijzenis.

Nu weer hervind ik mij in het gewijde
Seizoen, waar de gevallen blaren zijn
Als het veeg zonlicht van een dood getijde,
En denk: hoe lang nog leef ik in die schijn?

Wat blijft ons over van dit lange derven,
Dat leven is? Wat, dat ik nog begeer?
Voor hem en mij een herfst, die niet kan sterven:
Zon, mist en stilte, en dan voor immermeer.
J.C.Bloem

BEGRAVEN
Zou hij begrijpen dat ik niet aan zijn graf was
omdat ik verkouden was, als ik verkouden was;
En zou hij weten dat dit een smoes was,
mij toeknikken van ja natuurlijk, en dat het helemaal niet hoefde?
Dat het geen zin had deze regen op zijn kist te horen vallen, dat hij zelf niet was gekomen als hij hier niet toch toevallig –
Hij met zijn schemerlampje opvouwschaartje thermostaat.
Die deuren dicht hield voor de tocht, zijn ogen open
vooral voor het zien openvouwen van de zachte blaadjes
zijn oren alleen nog voor het vrolijk gekwetter van vogeltjes in de volière –
Zou hij begrijpen, als hij nog iets begreep, wat mij
hier bracht, onder deze onbetamelijk gehaaste wolken, terwijl hij nergens was?
Judith Herzberg

TEN OVERSTAAN VAN HET EINDE
Ten overstaan van het einde
en met het oog op U
beleef ik de laatste termijn, de
stilte van het uur U.

Omdat ik niet meer kan leven
en nochtans leven moet,
heeft God mij met U verweven,
liefste en dit voorgoed.

En wil ik bij U verblijven,
liefste en dit voortaan,
Hij zal mij van U verdrijven
tot Hem vandaan.
GUILLAUME VAN DER GRAFT

In deze dagen…  
Onzichtbaar
maar des te meer voelbaar
is in deze dagen
ons gemis.

Dat maakt deze dagen
donkerder en langer
dan de nacht.

In ons huis
branden we een lichtje
bij Wilriekes foto.

Ze is nooit
uit onze gedachten.
Spreken over haar
geeft troost.

Jullie aandacht,
het noemen van haar naam.
Jullie delen van
herinneringen.

Het soms stil ziin met ons
doet goed en geeft licht
in onze nacht

Jullie aandacht
is als een zachte hand
op onze schouder.
Een zachte hand van de Eeuwige
M. v.d. Berg

Uit de tijd
Sluipend ongemerkt
raakte jij uit onze tijd.
Je ging in je eigen tijd leven.
Je trok je niet zoveel meer aan
van onze gewoontes.
Je ging je eigen gang.
Jij doorbrak steeds meer
onze gang van zaken.

Sluipend ongemerkt
raakte jij uit onze tijd.
Je ging weer op zoek
naar waar je vandaan kwam.
Je vergat gewoon even
dat je gehuwd was
en kinderen had.
Je zocht je eigen kindertijd weer op.
Je was boos
als wij dat niet begrepen.

Sluipend en ongemerkt
raakte jij uit onze tijd.
Je liet ons leven
in twee tijden tegelijk:
die van jou
en die van ons.

Zo waren wij
soms meer verward dan jij.
We keken elkaar aan
en vroegen ons af:
hoe kon dit toch?
In ons hart voelden we ons
in de steek gelaten.
Jij liet ons zomaar zitten
in onze tijd
met de handen in het haar

Soms, als er niets wordt gezegd,
jij even rust vindt
op je eindeloze dwaalwegen,
dan even ontmoeten onze handen
en onze ogen elkaar:
alles lijkt vergeten,
de pijn en de onrust,
onze ontmoeting is vrede.
De tijd staat even stil.
M. v.d. Berg

Als de donkere nacht
van ’t verdriet om ’t verlies
je overvalt
als ’n overval,

als je in je levensboot
alleen verder moet
beroofd van wie jouw liefste
en warmste licht was,
dan word je zoeker
naar licht en troost,
tastend als ’n blinde,
beroofd van licht.

Als je liefste licht sterft,
sterf je mee
en word je ondergedompeld
in ’t donkere water
van ’t verdriet.

Als die dingen gebeuren,
ontsteek dan dit licht,
omdat ons beloofd is
dat de nacht zal overgaan
in troostend ochtendlicht.

De stilte komt de trap af
Hoe lang is het al geleden
dat jij de trap afkwam,
gewoon om de nieuwe dag te beginnen,
koffie te zetten
en naar je werk te gaan, – onbezorgd.

Hoe lang is het al geleden
dat jij de trap opkwam,
gewoon om de dag te besluiten,
tanden te poetsen,
en je lichaam neer te leggen – wel te rusten.

Toen kwam de tijd
dat het steeds drukker werd
op de trap.
Vreemden kwamen,
vreemden gingen.
Velen kwamen de trap op
en gingen de trap af,
jij betrad de trap niet meer.

Nu komt alleen nog de stilte
van de trap af:
Soms denk ik dat het nu lang
genoeg heeft geduurd,
dat je wel weer gewoon de trap
af kunt komen,
om de dag te beginnen.
Dan voel ik nog steeds meer
dat alleen nog de stilte
van de trap afkomt.
M.v.d.Berg

Voor wie niet verder kon leven
Bij wie kan ik schuilen
in dit uur
in deze vreemde dagen,
de dood om mij heen,
nog zo onverwacht toch
na alles.

Bij wie kan ik huilen
in deze dagen
bij dit afscheid
van jou,
die als levensdood
geen plek meer vond
om te schuilen.

Jij verlangde zo naar een plaats
om te schuilen.
Nergens kon jij die vinden.
Jij huilde van binnen
al jouw jonge jaren
totdat je nog slechts naar
de dood kon verlangen.

Jij ging stil van ons weg,
eenzaam en zonder gerucht,
in de vroege ochtend.
Jij kon niet meer opstaan.
Jij ging een ander licht
tegemoet,
vriendelijk en veilig
om bij te schuilen.

Mag dat Licht jou groeten
en omarmen,
een schuilplaats voor jou zijn.

Troost
Niemand gaat echt dood
Iedereen leeft voort
In andermans denken, doen en voelen
En als je goed geleefd hebt
Dan leef je na de dood
Meer dan ooit tevoren.

Barensweeën
Onzichtbaar voor anderen
maar des te meer voelbaar
voor ons, voor mij,
gaat ons kind
met ons mee
op de levensweg.

Ons kind
dat ons leven veranderde
bij de geboorte,
maar nog meer
voor altijd ons leven veranderde,
toen de dood ons
van het kostbaarste beroofde.

Onzichtbaar voor anderen,
maar des te meer voelbaar
voor ons, voor mij,
is ons kind
afwezig-aanwezig
bij ons, bij mij
als een wond
die schreiend schrijnt.

Weer zijn er
de barensweeën
om opnieuw geboren
te worden uit de pijn
van ons verdriet:
vaak onzichtbaar
maar des te meer
voelbaar.
M. v.d. Berg

Zo graag
Zo graag zou ik trots op
je willen kunnen zijn:
’n trotse vader
Zo graag zou ik willen zien
hoe je als ’n jonge boom
openbloeit en omhoogschiet.

Zo graag zou ik willen zien
hoe je ’n lust voor het oog
wordt in ’t landschap van de mensen

Zo graag zou ik met je willen praten,
horen wat jij vindt van de dingen
van vandaag.

Zo weinig mensen begrijpen
dat ik je niet minder
maar steeds meer mist

Sinds die dag dat je niet
terugkeerde.

Nu we jou dit huis uit zullen dragen
uit huis waar je zo graag was,
uit huis dat je tot een thuis maakte,
‘je aardse paradijs’,

dit huis zo mooi gelegen,
‘altijd wat te zien’
‘altijd wat te doen’,

dit huis waar je je kinderen ontving
en je kleinkinderen, je broers en zwagers
en ieder die maar aankwam,

dit huis waar je je deur openhield,
dit huis waar je je laatste jaren
deelde met de liefste mens van jouw leven,

dit huis waar je van elke dag
een feestdag maakte en je laatste verjaardag
het laatste hoogtepunt was

nu we jou dit huis uitdragen,
beseffen we nog maar half,
hoe dit huis voor altijd anders
zal zijn: leger en stiller.

Nu we jou dit huis uitdragen
groeten we je
In de verwachting van een nieuw
thuiskomen voor jou.

Allerzielen
Het wordt nu vroeg donker, zegt mijn groenteboer.
Er zijn steeds meer kaarsen in de winkels, merk ik.
De eerste herfstwind heeft al veel gekaald.
Vandaag is het nog een zachte dag, 2 november.

Velen bezoeken het graf, niet vindend wat ze zoeken.
Anderen dwalen in huis, want de as werd verstrooid.
Sommigen nemen een hark mee en nieuwe bloemen.
De dierbare plek krijgt zo veel mogelijk zorg.

Het is druk en stil in de dorpskerk die avond.
Ieder is gekomen met de naam in het hart van zijn dierbare.
Namen geschreven in de palm van Gods hand, zegt de priester.
Hij zegt zijn tedere woorden duidelijk en rustig.

Zesentwintig namen worden dit jaar genoemd.
Zesentwintig kaarsjes worden ontstoken aan het Licht.
Soms wordt het diep stil, houdt elk gehoest op.
De namen worden genoemd van wie nog zo jong waren.

Het meest luister je naar je eigen naam.
Het meest kijk je naar dat éne kaarsje voor haar,
voor hem wiens naam blijft geschreven in jouw hart.
Stil keren we in het donker terug naar onze huizen.

Allerzielen, zielsgenoten samen, ieder ook alleen.
Allerzielen, gedenken mag, gedenken moet, gedenken is leven.
Streep geen namen door in de verhalen, in het gedenken.
Lever niemand uit aan de dood van het niet meer noemen.

Geschreven in ons hart, in de palm van Gods hand…
de kern van een mens, haar diepste bezieling,
zijn goddelijk licht dat blijft en ons verlicht,
als de avonden vroeg en donker worden, de winter nadert.

DORPSTUINMAN
Hij schiep de wereld om tot deze orde:
een klein stuk grond, warm en donker
en bemind,
en werd tussen de kinderen een kind,
dat met een glimlach naar de dood verdorde.

Sommigen onzer gaan als bloemen open,
bloeien en gaan dan, als een bloem, weer
dicht,
een mens kan weerloos onder het harde
licht,
zijn weg onaangerand ten einde lopen,

leven kan zacht zijn als een morgenwind:
een heldere dag achter elk wakker worden,
zonlicht op linnen, brood op witte borden,
een droom, zuiver gestold om gras en grint.
H.G. Hoekstra

Zingen
van liefde zingen
tegen beter weten in

tegen de klippen op
de onverbiddelijke
klippen van de dood

tegen de lippen op
de bevroren lippen
van je eigen wanhoop

zingen
van liefde zingen
een gat in de nacht

zingen
tot wonder boven wonder
de werkelijkheid wijkt

en alles en alles
weer opnieuw begint
Hans Bouma

ZOALS JIJ LIEP
Zoals jij liep,
zo prachtig van lijf,
zo prachtig van ziel,
zoals jij liep,
bespeeld door de wind,
gestreeld door het licht,
zoals jij liep,
droom van de Eeuwige,
droom die mens werd.
Nooit meer.
Vlammen sloegen je neer.
Dood liep je.
Zeventien. Een wereld.
een heelal vergaat.
O God, droom dan niet.
Maar gedroomd is gedroomd,
een mens is een mens.
Dóór liep je.
Jij lied van een vrouw,
zo prachtig van lijf,
zo prachtig van ziel.
Lieve lieve Cynthia,
aandacht die je draagt,
een hart dat je huisvest.
Die God van ooit.
God die je tooit,
voltooit.
Hans Bouma

ZOMER
Lente werd het wel voor jou,
maar waarom?
Hoe kort was je zomer.
Wat je leven noemt.
Even reiken naar het licht,
een naam krijgen, een gezicht
om dan, net ontloken
mijn God – afgebroken.
Lieve Chantal,
bloem van één seizoen,
het is nu dat je viel,
peilloos diep
in de armen van wie je schiep
en opbloeit
in zijn eeuwige zomer –
leven was anders
geen leven voor ons.
Hans Bouma

Er is nog plaats voor jou in onze woorden,
de dagen dragen stilte voor je aan
en in de vlucht van meeuwen zit je witte reis verpakt
steeds verder van ons weg
steeds minder vlees en bloed…
W. Verhegghe

Als je van iemand houdt en je bent van hem gescheiden,
kan niets de leegte van zijn afwezigheid vullen;
je moet dat niet proberen,
je moet eenvoudig aanvaarden en volharden.
Dat klinkt erg hard, maar het is ook een grote troost;
want zolang de leegte werkelijk leeg blijft,
blijf je daardoor met elkaar verbonden.
D. Bonhoeffer

Stilte snijdt de pijn
en de onmacht mee.

Troost wordt bijeengebracht
in kleine woorden. Spaarzaam.
Ik vind ze niet.

“Ben blij dat je gekomen bent.’
Toen was het toch zo stil niet meer
we waren niet alleen.
B. Wirix

Liefde gaat er altijd van uit,
dat het woord een oor vindt,
ook als er geen antwoord meer is.
Zij gaat er van uit,
dat de hand een hand voelt,
ook als dat nergens uit blijkt…

Spoedig zullen wij allen sterven
elke gedachtenis
zal dan van de aarde verdwenen zijn,
en wij zelf zullen een kort ogenblik
worden geliefd en daarna vergeten.
Maar de liefde zal genoeg geweest zijn!

Er is een land van de levenden
en een land van de doden,
en de brug tussen hen is de liefde –
het enig blijvende, de enige zin.
J. Zink

OM MIJ TE GEDENKEN
De dag zal komen waarop mijn lichaam op een netjes ingestopt wit laken ligt in
een ziekenhuis dat druk bezig is met de levenden en de stervenden. Op een
gegeven ogenblik zal een dokter vaststellen dat mijn hersenen niet meer
functioneren en dat mijn leven eigenlijk is opgehouden.
Als dat gebeurt, doe dan geen pogingen om met apparaten kunstmatig leven in
mijn lichaam te laten vloeien. En noem het niet mijn sterfbed. Laat het
levensbed heten, en laat mijn lichaam eraf halen om anderen te helpen een
voller leven te leiden.
Geef het licht van mijn ogen aan de man die nooit een zonsopgang of het
gezicht van een baby of liefde in de ogen van een vrouw heeft gezien. Geef
mijn hart aan iemand wiens eigen hart hem nooit iets anders dan eindeloze
dagen met pijn heeft bezorgd. Geef mijn bloed aan de tiener die uit het wrak
van zijn auto is gehaald, opdat hij lang genoeg leeft om zijn kleinkinderen
te zien spelen. Geef mijn nieren aan iemand wiens leven week in week uit
afhangt van een kunstnier. Neem mijn beenderen, elke spier, elke vezel en zenuw
uit mijn lichaam en vind een manier om een invalide kind te laten lopen.
Onderzoek alle hoeken van mijn hersenen. Neem als het nodig is mijn cellen en
laat ze groeien, opdat op een dag een stomme jongen juicht bij een doelpunt
en een doof meisje het geluid van de regen tegen haar raam hoort.
Verbrand wat er dan van mij over is en verspreid de as met de wind om de
bloemen te helpen groeien.
Als u erop staat om iets te begraven, begraaf dan mijn fouten, mijn zwakheden
en alle vooroordelen tegen mijn medemensen.
Geef mijn zonden aan de duivel. Geef mijn ziel aan God.
Als u er behoefte aan mocht hebben om mij te gedenken, doe dat dan met een
vriendelijke daad of met een vriendelijk woord tegen iemand die u nodig heeft.
Als u alles doet wat ik heb gevraagd, zal ik voor altijd leven.

NIET BANG VOOR DE DOOD
Ik ben niet bang meer voor de dood,
ik ken heel goed
de donkere, stille gang
die naar het leven voert.

Ik ben bang voor een leven
dat niet op staat uit de dood,
een leven
met verkrampte handen
en stroeve, stijve leden.

Ik ben bang voor mijn eigen angst,
maar meer nog voor de angst van anderen
die niet weten waarheen te gaan,
ze lopen achter elkaar aan en klampen zich vast
aan wat voor hen het leven is,
terwijl wij weten dat het de dood is.

Ik leef iedere dag om de dood te doen sterven,
Ik sterf iedere dag om het leven voort te brengen,
en in deze dood van de dood
sterf ik duizend malen
en verrijs ik telkens weer.
vanuit de liefde,
bron van hoop
voor mijn volk.
Julia Esquivel

OPSTANDING
Opstaan uit het graf
van de eeuwige stilte
Ontwaken in de muziek
van een ware droom
Dan opent de hemel
zijn blauwe ogen en
staart als een standbeeld
naar een stervende tijd
De horizon
hervindt zijn hartslag
Nieuwe adem ontdooit de grens
van de dwalende dood
De belofte van het warme licht
brengt de toekomst tot leven
Ester

EEN WONDER
Ik zocht je
en ik vond je niet.
Je ging
en liet mij achter.
Waar ben je?
Ken je mijn verdriet,
mijn liefde,
mijn verwachten?

Ik zag
de leegte van je graf.
Er ging
een wereld onder.
Mijn tranen
schermden alles af.
De toekomst
werd zo donker.

Ik zocht je
en ik vond je niet.
Je ging
en liet mij achter.
Ik zong
mijn stille liefdeslied,
droeg jou
in mijn gedachten.

Ik zag
de leegte van je graf.
Er ging
een wereld onder.
Tot hij
mijn naam jouw kleuren gaf:
‘Maria…’
’t was een wonder.

VOL BLOEMEN
Sinds jij weg bent is er van alles veranderd. De weg waar we we langs gingen is
weer vol met bloemen net als vorig jaar, weet je nog? De lente zal weer komen met
bloemen en bloesem en koren op het veld, de winter is voorbij. Alleen jij bent er niet
mijn liefste. En elke bloem op het veld ieder tak vol bloesem doet mij denken aan
jou.

DE DONKERE WEG
Kind, ga met God het smalle, donk’re pad
waarop wij je niet kunnen vergezellen;
wij kunnen je alleen steeds weer vertellen
hoe wij je altijd hebben liefgehad.

Kind, strek je zwakke handen naar God uit:
wij zijn onmachtig om je vast te houden,
want om je heen is reeds de stervenskoude,
is reeds het stil-vallen van elk geluid.

Kind, weet dat ons gebed steeds om je is;
maar innerlijk zijn wij uiteengereten;
want eindeloos verdrietig is het weten
dat soms de grootste liefde macht’loos is….
Nel Beschop

EEN BOOM IN DE WIND
Laat mij, o God, een boom zijn in uw tuin:
de wortels in de aarde, maar de takken
omhoog, om zo de hemel vast te pakken,
en recht de stam, en bloemen in de kruin.

Laat mij een schaduw en een schuilplaats zijn,
en laat mij récht staan, als uw stormen loeien.
Laat, Heer, mij langzaam naar uw hemel groeien,
en laat mij wuiven in uw zonneschijn.

Ik bid U ook, Heer, dat Gij vruchten vindt
wanneer de tijd van oogsten is gekomen;
Uw levenssappen moeten door mij stromen –
Laat mij een boom zijn, ruisend in uw wind!
Nel Benschop

DE OUDE MAN
Hij was een wijze oude man
en mild in spreken en in hand’len,
hij mocht, als Henoch, met God wand’len
totdat zijn Heer hem bij zich nam.

Hij was een man, die metterdaad
God wilde dienen in zijn leven;
hem werd de heerlijkheid gegeven
die voor Gods kind te wachten staat.

Daarom is er, naast het gemis
van hem, die nu werd weggenomen
die blijde zekerheid gekomen
dat hij in ’t Rijk van Vrede is.
Nel Beschop

Heer geef ons alstublieft een beetje licht,
Want donker is de nacht en loodzwaar zijn gewicht
hij, die wij liefhadden, sloot zijn ogen dicht.

Heer, wij zouden willen vluchten uit het hier en nu,
want alles lijkt zo zinloos, klinkt zo cru
en wie wij liefhadden is voorgoed bij U.

Zegt U nu: Zet je voeten in mijn spoor,
Ik zal jullie ondersteunen, vecht toch door,
want wie je liefhad ging je enkel voor….
Nel Benschop

DE LAATSTE VIJAND
Mijn God, waarom laat Gij juist die mens sterven
die nog zoveel voor U had willen doen?
Waarom laat Gij uw mes geen dor hout kerven
inplaats van hout dat levend is en groen?
Waarom laat Gij uw naam vervloeken en bevlekken
en smoort de stem, die U bezingen zou?
Waarom moest d’aarde juist d…t lichaam dekken
dat nog zo veel voor U verrichten wou?
Waarom dooft Gij de vlam die helder brandde
en spaart het licht, dat nauwelijks schijnsel geeft?
Waarom verlamt Gij krachtig-sterke handen
en spaart de slappe hand, die beeft?
Waarom mijn God? Ik kan geen antwoord vinden,
Uw raadselen zijn mij te hoog, te diep….
of weent Gij met ons, als met uw beminden
bij ’t graf van Lazarus, uw vriend, die sliep?
Nel Benschop

PORTRET
Grijs-blauwe ogen: zomerlucht met regenwolken;
de mond vol wilskracht, toch gevoelig, zacht;
de houding luist’rend, of ze op iets wacht,
en handen die de ernst, het doorzetten vertolken.

Scherp in haar oordeel: woorden die als dolken
toestoten, waar ze ongerechtigheid vermoedt,
scherp onderscheidend tussen kwaad en goed,
bruisend van energie, als water bruist in kolken.

Wonderlijk mengelmoes van zachtheid, hardheid, kracht,
altijd een ander beter dan zichzelf achtend,
altijd bereid tot geven, maar ook veel verwachtend
van liefde, sympathie. De moeder die haar zonen,
haar man, haar vrienden, metterdaad wil tonen
hoe overleg en wijsheid sterker is dan macht.
Nel Benschop.

TE LAAT
Ik heb je vaak alleen gelaten
wanneer ik je niet troosten kon;
ik heb zo dikwijls zitten praten
wanneer ik beter zwijgen kon;
ik heb je niet de steun gegeven
die je van mij verwachten kon;
ik leefde zó mijn eigen leven
dat ik je zelfs vergeten kon.
En nu God je heeft weggenomen
omdat Hij je gebruiken kon,
nu wilde ik, dat je w‚‚r kon komen,
dat ik je nog eens zeggen kon
hoe schuldig ik me soms kan voelen
omdat ik niet deed wat ik kon,
omdat ik niet, naar Gods bedoelen
wat van Zijn vreugd verspreiden kon.
Maar wat voorbij is, kan ik niet ontlopen,
hoe vurig ik ook wou, dat ’t kán;
en daarom blijf ik hierop hopen:
dat Christus deed, wat ik niet kon.

AMEN
Nu alleen maar: ‘Amen’ zeggen,
al is ’t met gebroken stem;
dan je hand in Gods hand leggen
en op weg gaan, achter Hem.

Nu alleen maar blijven hopen
in het voetspoor van je Heer;
blijven strijden, blijven hopen,
wachtend op zijn wederkeer.

Nu alleen zijn woord vertrouwen:
‘Altijd zal Ik met je zijn;’
Als een kind je handen vouwen,
Zijn getuige willen zijn.

Al je twijfel af te leggen
en alleen maar: ‘Amen’ zeggen.
Nel Beschop

GOD HEEFT U VAN MIJ AFGEËIST
God heeft u van mij afgeëist,
en nu de tedere avond grijst,
buig ik, niet meer vermetel,
bij uwe lege zetel.

Hoe zal ik zeggen, ziek van leed:
‘Hij doe, al schijnt het nog zo wreed,
wat goed is in Zijn ogen,
Zijn recht is vol mededogen.’

O dit, dat Hij zijn kinderen slaat,
en plotseling in hun midden staat
om ’t liefste weg te rukken!

En duidelijk hoor ‘k mij gezegd:
‘Kind ik heb veilig weggelegd,
wat anders viel in stukken.’
Willem de Mérode

Herinnering
Omkijken? Liever niet.
Want kijken, echt kijken doet pijn.
Je voelt weer hoe het was, de pijn, het gemis.

Omkijken? Liever niet.
En als het moet, dan maar gewapend als beton, met droge ogen.

Herinnering. Zonder tranen gaat het niet.
Maar door de tranen heen blijft liefde leven, vind jij jezelf terug.

Herinnering.
Alleen wie om kan kijken, kan vooruit zien.
Wie tranen zaait, zal licht en toekomst oogsten.

Jezus weende
Ik vind geen woorden om het je te zeggen
hoe wij hem zullen missen, allemaal.
Het diepst gevoel is moeilijk uit te leggen,
het hart spreekt een niet uit te spreken taal.
Dit sterven is zo moeilijk te verwerken,
zijn l‚ven was ons allen zoveel waard.
Hij was een van die stille, geestlijk – sterken
die iedereen, alleen zichzelf niet spaart.
Ik vind geen woorden om je troost te brengen,
want hier zwijgt mijn verstand, mijn mond staat stil.
Wie kan zijn leven met ‚‚n dag verlengen?
Het is precies zo lang als God het wil.
Ik weet het niet, ik kan de zin niet vinden
van wat God met dit sterven heeft bedoeld.
Maar Jezus weende, toen de vriend die Hij beminde
gestorven was. Hij weet, wat je nu voelt.

O nee, ik kan het je niet zeggen
waarom het lijkt, of God je niet verhoort;
Ik wil niet trachten, het je uit te leggen,
ik kan het niet: onmachtig is mijn woord.
Het is onmogelijk, je te verklaren
waarom de liefste mensen van ons gaan.
Je kunt je er wel blind op blijven staren,
maar raakt steeds verder van de Heer vandaan.
Ik weet het niet, waarom de mensen lijden,
waarom er zoveel pijn is en geweld,
waarom het je niet lukt, je te bevrijden
van wat je in een wurggreep houdt omkneld.
Ik heb geen ander antwoord op je vragen
dan dat je blindelings vertrouwen moet,
omdat de Heiland Zelf jouw last wil dragen.
Hij zorgt voor je, zoals een vader doet.
Misschien klinkt je dit alles afgesleten,
je zegt misschien: “Die troost is wel goedkoop”.
Maar als ik dit niet wist, dan zou ik niets meer
weten:
In leven en dood is het mijn enige hoop.

Voor wie verdrietig is
Mijn God, hoe kan een mens zó eenzaam zijn,
zo aan zijn eigen wanhoop vastgeketend,
zo zonder hoop of licht, en niets meer wetend
dan enkel dit: mijn hart doet pijn, doet pijn.

Mijn God, hoe kan een mens zo droevig zijn,
en zo vervuld van eindeloos verlangen
naar wie door niemand ooit is te vervangen,
die met ons ’t brood brak, met ons dronk de wijn.

Mijn God, wie lijdt dit lijden werk’lijk méé?
Wie kan er in dezelfde diepte dalen?
De duivel met gelijke munt betalen?
– Eer dat ik u vergeet, Gethséman‚. –

De profundus
“God” zeg ik, en alleen maar: “God”.
Ik zeg het woord stil voor mij heen –
O God, wat voel ik mij alleen,
hoe komt mijn levensschip weer vlot?

“God” zeg ik, en dat kleine woord
is als een kreet om hulp, om kracht.
Ik heb zó lang op u gewacht,
maar hebt u wel mijn stem gehoord?

“God” zeg ik, en ik weet niet meer
wat ik u verder zeggen moet;
Uw naam is mijn gebed om moed,
maar ook mijn opstand, mijn verweer.

“God” zeg ik, en alleen maar: “God”.
Tot eindelijk, in een zachte wind,
Uw antwoord komt: “Mijn kind, Mijn kind”,
en ik het uitsnik: “God, mijn God!”

Meer dan een moeder troost …
Stil maar, Mijn kind – Ik weet van je verdriet.
Huil nu maar uit; je hoeft niet flink te wezen.
Het zal wel duren, voor je wonden zijn genezen;
Ik weet het. Droeg Ik al de smart der wereld niet?

Stil maar, Mijn kind – Ik weet wat je behoeft:
Woorden van troost, die om geen uitleg vragen,
een arm die steunt en die je last helpt dragen,
een hart dat mee – schreit om wat jou bedroeft.

Stil maar, Mijn kind – de nacht gaat weer voorbij;
Ik strooi het licht uit, waar je voeten lopen,
Ik doe de dichte deur weer voor je open,
Ik ben er altijd. Maar vertrouw op Mij.

Stil maar, Mijn kind – Ik geef je troost en moed,
meer dan een moeder aan haar kind kan geven.
Je naam staat in Mijn handpalmen geschreven:
Ik schreef de letters met Mijn eigen bloed …

Toen je het wist…
Wat moet ik doen? Wat moet ik je nu zeggen?
Al wat ik zeggen kan klinkt zo goedkoop:
dat ik mijn gebeden voor Gods troon zal leggen,
dat je vertrouwen moet, op hoop zelfs tegen hoop?
Maar ’t is onmogelijk, dat ik me in kan denken
hoe jij je voelt, hoe jij je leven ziet;
onmogelijk, om woorden te bedenken
die kunnen helpen. Nee, ik k…n het niet.
Ik weet alleen dat jij de lijn moet grijpen
(en dat geldt net zo goed voor jou als voor mij)
die God je toegooit als de nood gaat nijpen.
Denk aan wat Jezus vóór zijn lijden zei:
“Uw hart zei niet ontroerd, wees niet verslagen,
Geloof in God, in Mij, die je bevrijdt.
Want wie zijn kruis achter Mij aan wil dragen
zal met Mij leven tot in eeuwigheid.”

Er groeit in mij een boom van grijs verdriet,
Er groeit in mij een boom van grijs verdriet,
bloeiend met parelmoeren bloesems.
Geen vogel heeft er ooit zijn nest gebouwd,
geen dier komt rusten in zijn schaduw.
Mijn boom is stil.

Alleen de bloesems
laten hun tak geruisloos los
om traag, onmerkbaar neer te dalen:
een meer van onvergoten tranen
waarin mijn boom weerspiegeld staat,
eenzaam onder een bleke hemel.

Je bent niet dood.
Je bent niet dood.
De heer heeft je geroepen
bij Hem te wonen in zijn glanzend huis.
Je hoeft geen rust en vrede meer te zoeken
je hebt ze nu …, want je bent veilig thuis.
Je bent niet dood,
je mag voor eeuwig leven.
Je bent verlost van onvolkomenheid,
van pijn en verdriet.
God zal je geven
een onbegrensd geluk in onbegrensde tijd.
Je bent niet dood.
Maar ach, ik zal je missen,
zoals de mens de meest geliefde mist.
De jaren van geluk zijn nooit meer uit te wissen,
en ik geloof: God heeft zich niet vergist.
Nel Benschop

Ik ben op reis, al weet ik niet waarheen
Ik ben op reis, al weet ik niet waarheen
maar ergens stond geschreven
dat ik deze weg moest gaan
en al aarzel ik soms even langs die eindeloze baan
toch weet ik: iemand ging mij voor
en daarom ga ik door.

Ik heb geen geld, geen kaart en geen kompas
maar ik zie de tekens en die zeggen mij genoeg
en al geeft er niemand antwoord
op de dingen die ik vroeg, toch weet ik:
aan het eind vind ik gehoor
en daarom ga ik door.

ACHTERGELATEN
in een onbewoonbare wereld
rinkelend van kleuren
en geluiden
waar de dag te licht is
en geen nacht donker genoeg
om het verborgen tumult
te bedaren.

In alle straten, alle kamers
blijf ik je zoeken.
Tussen ontelbare mensen
vind ik je
nergens.

Verlos mij
uit dit luchtledig.
Laat mij toe tot de aarde
die je bedekt.
Dicht bij je wil ik slapen
en tot stof vergaan.

HOE KAN ik ademen
met je dood als een brok
in mijn keel?
Hoe kan ik lachen
nu het onherroepelijke vonnis
mijn mond verzegeld heeft?

In een houten kist
gaat de toekomst
tot ontbinding over.
Ik voel hoe ik langzaam
maar zeker bevries.

Toch blijf ik ademen.
Toch lach ik, oudergewoonte.
En dat is misschien
het ergste van alles.

ONZICHTBAAR
kom je mij tegemoet
op mijn moeizame tocht
door het maanlandschap
van de tijd.

Onhoorbaar
dringt je stem door
tot mijn geheimste
luisterpost.

Jij die al mijn wegen kent,
die mij ontcijferd en gelezen hebt,
blijf bij mij
onzichtbaar, onhoorbaar
en leid mij over de drempel
van de dood.

LANGZAAM beweeg ik mij voort
door windstille vlakten.
Er is niets meer te vrezen,
niets te verwachten.

Voetstappen blijven
zwakke geluiden in de mist.
Onbekende stemmen
dringen vaag tot mij door.
Waarom zou ik antwoorden?

Blindelings levend
in het verlengde van je dood
verwijder ik mij onmerkbaar
van je graf, op weg
naar het mijne.

JAREN later
op een heldere middag
vol nuchtere geluiden
en bezigheden in een huis
dat je nooit heeft gekend,
herinner ik mij plotseling
hoe zacht je ogen werden
als je me aankeek.

En even verschijn je mij
ten voeten uit, onverwacht
overgekomen uit het tijdloze.
Zo zacht zijn je ogen
dat ze mij verzoenen
met je weggaan, sneller
en onverwachter dan je komst.

WONDERLIJK heimwee
naar de onnozelste dingen.

Driftige voetstappen op de trap.
Een gestalte in tegenlicht
Ogen versluierd door de rook
van een haastig opgestoken sigaret,
Een hand op het stuur van de auto
waar nu een vreemde in rijdt,
misschien wel door hetzelfde landschap
als wij vroeger.

Lieve herinneringen.
Lieve dode.

De voortvluchtige oase,
trillende luchtspiegeling
boven het hete zand
van de woestijn,
liever oog in oog
met de onbewogen sfinx
die zich zijn geheim
niet af laat dwingen,
bedolven te worden
onder een pyramide
van zelfbedrog
dan de ingekapselde vrede]
van het dal zonder uitzicht
waar het leven geruisloos
wegsijpelt in de dood.

UIT Egyptische ogen
-nachtblauwe pupillen
in lichtend groen –
kijkt de poes mij aan.
Niets begrijpt ze van me,
maar ze is zacht
en warm onder haar vacht
van goed vertrouwen.

EINDELIJK verlost
van de frivole zomer
met zijn schijngestalten
en luchtkastelen, fonkelend
in het valse licht
van loze verwachtingen,
heradem ik bij de komst
van het najaar, koel
als je handen om mijn gezicht,
grijs en zachtmoedig als je ogen
in de schaarse momenten
dat je mij toelaat
tot de ingesneeuwde grot
waar je stem met zijn echo verkeert
en je spiegelbeeld roerloos rijst
in het ijs dat niet smelten wil.

ERGENS in deze stad
moet je te vinden zijn.

Zoveel mensen
komen je tegen
en onder hen misschien niet ‚‚n
die je zo verlangend zoekt
als ik.

Tot in mijn dromen
houd je je schuil.
Onvindbaar teruggetrokken
keur je mij geen wenk,
geen teken waardig.

Zo straft een god
de overmoedige die hem
te na dorst komen.

DE NACHT is lichter
of donkerder
dan toen.

Waarom laat het geheugen
zijn buit niet los
als de bron vergiftigd
en de droom bezweken is?

Geen andere toevlucht
dan slapen. Ruggelings
verdrinken in de oceaan
der ongeborenen.

Verlost te worden
van het malende denken
aan de morgen
die lichter zal zijn
of donkerder
dan toen.

IN EEN onbewaakt ogenblik
hunkerend binnengeslopen
dwaal ik in je rond.

Een barbaars landschap
dragend de schaarse tekens
van je aanwezigheid:
de ontbladerende boom
die geen schaduw werpt,
het zwartgeblakerd struikgewas,
de verdroogde kreek
tussen de rotsen
en diep onder de grijze
dorstige aardkorst
het gesmoorde ruisen
van murmurend water
dat geen uitweg vindt.

ALS HET NIET van ons is
wil ik het niet, dit voorjaar
met zijn springvloed van licht,
zijn rondspattende kleuren.

De bronzen wolken, weelderig
opgestapeld tegen vlammend blauw,
de met het allerfijnste groen
bespikkelde bomen roerloos
in de duifgrijze avond
en de opalen glimlach
van wereldomspannende regenbogen
zijn aan mij alleen
niet besteed.

ONHEILSPELLEND laag
hangt de gele zon
boven de daken.
Bomen wringen hun takken
in de opstekende wind.

Angst drukt een ijskoude
hand in mijn nek. Waar
ben je? Wat gebeurt
er met je?

Zachter dan zeeschuim
zou ik willen zijn
en ondoordringbaar als hars
om je rondom te bedekken
tegen de naaldscherpe tanden
waarmee nacht en verwording
je naar het leven staan.

DENKEND aan hoe wij samen waren
en het misschien eens weer zullen zijn,
zie ik dorstig groen
tegen een onweerslucht.

Windstille spanning tussen tekort
en overvloed. Ondraaglijk
opgedreven verlangen.

Boomtoppen rekken zich
naar de hellende hemel.

Adembenemend evenwicht
eer de ruimte kantelt
en de regen valt.

ONDERGEGAAN
in de vloedgolf van een omhelzing
hoor ik dicht aan mij oor
je stem bezwerend fluisteren:
denk niet aan later.

Omfloerste voorecho
die mij onmerkbaar vluchtig
rillen doet tegen de warmte van
je lichaam, je naakte huid.

NEERWAARTSE voetstappen.

Stilte daalt als een spin
van de zoldering. De kamer
hangt vol grijze draden.
Tussen de muren draalt
verouderd licht.

Klinkende munt van hier
en nu omgezet
in het papiergeld
van de herinnering.

NIET LANGER
drinkt mijn huid
de dauw van het voorjaar.
In mijn ogen
verschaalt het licht.

Moge de aarde mij verzwelgen.
Die in mijn armen sliep,
kent mij niet meer.

ONDER de rimpeling
van onverstoorbaar kabbelende
dagen blijven mijn gedachten
met je bezig. Elke glimlach,
leer gebaar van jou
naar mij en alle woorden
die je hebt gezegd,
stollen tot broze
veelkantige kristallen,
verblindend als je helle ogen
waarin ik mij voelde verdampen, lang
voordat ik door had kunnen dringen
tot waar je wortelt in de nacht.

NEEM mij tot je
als brood. Drink mij,
adem mij in.

De binnenkant van je huid
zal ik kussen, je gebeente
verwarmen. Je hart
dat als een getergde vogel
tegen de kooi van je ribben slaat,
zal ik liefkozen zachter dan
het licht de toppen der bomen.

Om alles wat mij
niet langer lief kan zijn,
smeek ik je: lijf mij in.
Buiten jou
kan ik niet leven.

ONWILLEKEURIG, bijna
zonder het te merken
heb ik je ingelijfd
bij de muziek die je niet raakt,
bij de taal die je niet spreekt
en niet verstaat, bij mij
van wie je niet houdt.

TRIEST
als het licht
van de eenzelvige maan
achter nachtelijke wolkenhagen
en even ongenaakbaar.

OMFLOERST hangt het rad
van de zon tussen berooide bomen.

Stilstaand water draagt
een spoor van ontbinding.

De dagen slepen zich voort
in slinkend licht. Het jaar
knarst in zijn gewrichten.

De bloesems zijn verdord,
hun vruchten bitter.

HET bladerloze licht
van een herfstdag zonder wind
maakt oude mensen
ontroerend mooi.

Doordat zij de worsteling
met het verval al lang
hebben gestaakt en spiegels
niet meer vrezen, zijn zij
broos geworden en doorschijnend
als gesponnen glas met de zachte
mysterieuze glans van zilver.

ONRUSTBAREND verwant
het witte gezicht
van de dag, weggedoken
in een kraag van wolken.
Het donkere wijdopen oog
van een regenplas. De vogel
die tegen de wind in zingt,
wankelend op de valreep
van het licht.

AAN OPEN ramen graast
zachtaardig de nacht,
zijn donkere vacht besprenkelend
met lichtdruppels, vage geuren.

De rook van een sigaret
reikt naar onzichtbare sterren.

Onder zomers gebladerte vaart jeugd
voorbij.

SINDS je mij voor altijd
bent binnengegaan,
ben ik tot de rand
van je vervuld.

Dwars door de rukwinden
van het verdriet
voel ik je onder mijn huid
bewegen, warm en goed
als vroeger
toen wij overnachten
binnen de omheining van
elkanders armen.,

Wat doet het er dan toe
dat de wereld leeg
en winters is geworden
nu mijn ogen
je nooit meer zullen zien
en ik mijn hoofd niet langer in je schoot kan leggen?

IEDERE morgen
word ik onwetend wakker.
Gloednieuwe wolken drijven
het raam voorbij.
Veelbelovend glimlacht
de dag: alles
is mogelijk.

Maar iedere avond
gaat in rook en vlammen
de wereld onder.
Het langst rekt de stad
haar held bestaan,
vuurspuwend van leven
tegen de intzware achtergrond
van je dood.

TOEN ik dacht
dat je was weggegaan
en mij zonder leeftocht
alleen had gelaten
in een verdroogde steppe,
heb ik mij vergist.

Nu weet ik dat je mij
hebt uitgekozen
om je voorgoed te herbergen
veilig besloten in
mijn duisternis

Wanneer ik mij aandachtig
over mezelf heenbuig,
ontmoet ik je oogopslag
helder en diep als water
en je glimlach overrompelt mij
met de ernstige vreugde
van vroeger.

Dat is genoeg
voor een heel leven.

‘Onder water’

Onder water
grif ik je naam
in de granieten bedding
van mijn stroomgebied.

Tussen de wieren
van het verleden
flitsen pijlsnelle vissen
als mensen voorbij.

Alleen in de diepte
mag ik je voortaan ontmoeten:
mijn warme tegenstroom,
mijn lief.

Het staat vast
dat je dood bent.
Maar wat is dood?
Kokhalzend

Kokhalzend wakker worden
tussen de gestolde feiten
van gisteren en eergisteren.

Opstaan, het licht trotseren.
Onder het oorverdovend
carillon van herinneringen
optornen tegen een geheugen
dat geen duimbreed wijkt.

Lachen, praten, overmoedig
denken dat het zo wel gaat.
Merken dat men zich vergist
ook hierin. Heel het treiterend bedrijf
van deze dag en alle volgende
in vier woorden samengebald:
iemand is niet gekomen.
Oktober

In oktober is het licht dun
als de blauwe doorschijnende
huid van een stervende.

De boom kan zijn bladeren
niet langer vasthouden
en de hand opent zich
om het tot as verteerde
amulet los te laten.

Tegen de onvergankelijke hemel
het witte skelet van onze liefde.
HET KIND
Sedert de droomspin mij omspon
met duizend parelende webben,
zie ik hem spelen in de zon –
het kind dat wij nooit zullen hebben.

Zijn ogen die het zonlicht vangen,
zijn klaar en helder als kristal
en onvertroebeld door verlangen:
ogen van voor de zondeval.

Hij glimlacht schuldeloos en wijs.
Zijn vogelstem streelt licht mijn oren.
Zijn wereld is zijn paradijs,
want hij is rein en ongeboren.

Ik mag mijn armen niet uitstrekken,
hem smekend met ons mee te gaan.
Waarom ook zouden wij hem wekken
tot een ontluisterd, aards bestaan?

Nimmer zal hij behoren bij
de uitgebloeiden, de verdorden
en nimmer lijden zoals wij
die nooit zijn ouders zullen worden.
bovenstaande gedichten zijn van de hand van Hanny Michaelis

OM DE GRAVEN GESCHAARD
Die toen zijn doodgegaan
zwijgen een gat
in de aarde

daar staan wij dan
om de graven geschaard

met het woord god als een hoge hoed
hoed in de hand
of het woord Nederland
of het woord voorgoed

die toen zijn voorgegaan
zwijgen voorgoed

Omdat wij huilen moesten
lachen wij uitgelaten
lachen wij met de gaten
in ons gezicht, met de knoesten
in ons hart, lachen wij
bij nacht en ontij.

Laten wij liever
lachen dan
stijf staan van moed
laten wij
liever dom zijn
dan haarfijn
weten hoe het moet.

Het gaat nog altijd door
Er is geen einde aan.
Joden en negers genoeg
om dood te slaan,
mensen te over om
één voor één te verraden,
woorden genoeg in de taal
om alles goed te praten
Wat is de hel dan
kou, nacht en leegte?

En de hemel? Een
dag in Mei.

Maar wat is de aarde dan?
Allebei.

Laten wij, Jezus
Christus, in godsnaam,
verdomme, laten wij
voorzichtig wezen,
doorgaan met liefhebben
ademen, ebbe en vloed.
Willem Barnard

Het glanzend zwarte water stroomde
Het glanzend zwarte water stroomde
zwijgend uit de nacht
Kringen werden zichtbaar
Draaiden
Bewogen
Als tranen in ogen
En zogen
Dampend ’t daglicht op
En tussen
Dauwnatte oevers
Met druipende bomen
Lag een waas
Een winterse vacht.

En gele stralen kropen stiekem door de mist
Sluiers kleurden, dansten
nevels
vervlogen
Zon in water, blauwe lucht
Scherpe lijnen en bogen
Een pad
Langs bomen zonder blad
Hoorbare stappen
Een dag
Een rivier
Die wist en zag.

Het kille en heldere landschap kleurde dieper in
lage stralen, zilver water
Doofden
Glanzende schaduwen
Vingen vlak voor de nacht
De schittering
Van tranen zonder macht
Het pad was leeg
Wie
Las het bericht
Van
’t Spiegelend schemerlicht?
A. van Opstal

God
hier ben ik dan

niet wetend
of mijn bestaan
toevallig is of een bedoeling heeft

niet wetend
waar mijn woorden vandaan zijn
en nog minder
waar ze terecht zullen komen.

God,
Jij bent mijn vermoeden
dat het zin heeft om te leven

en ik hoop
dat ik het met Je volhoud
al lijkt de zinloosheid
soms wel erg groot te worden.

Ik hoop
dat ik het zo lang
vol mag houden met Jou
als Jij het volhoudt
met mij.

Nacht
en als dan plotseling
de nacht
valt
als een tapijt van sneeuw
en toedekt
wat gebleven is
en de duur vervaagt
tot stilte

dan voelt de koude
tot op het bot
lacht geen vogel
geen bloem, geen
wuivend gras

een kraai krast
geritsel, stilte
de koude wind
neemt de plaats in
– reeds lang voor
hem bestemd –
nu grijpt hij zijn kans

geen sterren
geen maan
geen stille tekens hoop
slechts een blauwe schijn
trilt de stilte vast

verharding, ijs
verstening van de ziel
lichaam, hand, oog
verliezen al hun kracht
het is niet de dood
die hier ons wacht –
het is de leegte
en het niets,
een verder dan de
dood –
want die is slechts
een deur, die
zwaaiend openzwiept
en met een zacht
geruis weer
terug in het slot
van het leven.
J. Hacking

En als ik doodga treurt maar niet
Ik ben niet echt weg moet je weten
Het is de heimwee die ik achterliet
Dood ben ik pas als jij mij bent vergeten

“Als een bloem zo is het leven
het begin is teer en klein
De een die bloeit uitbundig
de ander geurt heel fijn.

Sommige bloemen blijven lang
weer anderen blijven even
Vraag niet bij welke groep je hoort
dat is het geheim van het leven.”

Er is een wereld van mensen,
zo vol macht en zo dicht.
Er is een wereld van sterren,
zo zacht en zo licht.
Vind je rust in jouw wereld
eindeloos, onwezenlijk, veilig.

Mijn liefde zal blijven
Mijn lichaam deed pijn,
niets kan me meer deren.
Mijn lichaam ging dood,
maar zelf leef ik verder.
Voor altijd met jou verbonden.

Leef maar, LEEF maar,
bewaar mijn gedachten,
de goede herinneringen,
ons vallen en opstaan.

Het mooiste
wat je mij mee kunt geven
is jouw groeien en bloeien
en intens leven.
Mijn liefde zal blijven,
mijn liefde de zal stromen
en alles zal goed komen.
Alles komt goed.

Uniek
Uniek jouw oogopslag
de manier waarop je
met ons sprak
over jouw heengaan.
Uniek zoals je
met ons omging
de manier waarop
Je liep, stond en zat.
Uniek jij,
hoe kun je dan weg zijn
voorgoed onvindbaar?
We begrijpen het niet, neen
We willen er niet aan.
Uniek jij
enig, onvervangbaar.
Daarom blijft er iets van jou ons bij
en ben jij niet weg, jij
want: uniek jij, voor ons
en zeker voor God
bij wie je
voorgoed geborgen bent.

Moed houden
eenvoudig voortgaan als je kunt.
De weg gaan zoals die komt met zijn voor en tegen.
Je ogen die een lamp zijn van je ziel
en die meer zeggen dan je mond verwerken kan.
Doen wat voor de hand ligt,
antwoorden geven als die er zijn
met een lach, maar ernstig gemeend.
Praten met je allerliefsten
of zwijgen als het mysterie te groot is.
En intussen niet teveel omzien,
want de weg van het leven gaat soms dwars door je hart.

Moed houden,
eenvoudig voortgaan als je kunt.
En als je niet kunt
wachten en uitrusten bij wie je zorgen deelt
of bij een vriend/vriendin, als die er is,
zomaar een gesprek, eerlijk en vertrouwd.
En als die er niet is
toch wachten…
Dan maar alleen…
Wachten tot het weer gaat, straks…

Mijn hart brak.
Een uitspraak van Da Free John bleef maar
door me heen gaan: ‘Beoefen de wond van de liefde… beoefen
de wond van de liefde.’ Echte liefde doet pijn; echte liefde
maakt je totaal kwetsbaar en open; echte liefde zal je ver voorbij
jezelf brengen; en daarom zal echte liefde je vernietigen. ik
moest steeds denken, als liefde je niet verbrijzelt, ken je geen
liefde. We hadden beiden de wond van de liefde beoefend, en ik
was verbrijzeld. Als ik er op terug kijk, komt het me voor dat
we op dat eenvoudige en directe moment beiden zijn gestorven.

Huil niet aan mijn graf;
Daar ben ik niet. Ik slaap niet.
Ik ben duizend winden die waaien;
Ik ben de diamanten schitteringen op sneeuw.
Ik ben het zonlicht op rijp graan;
Ik ben de zachte regen in de herfst.
Als je wakker wordt in de stilte van de ochtend,
Ben ik de zwerm van vogels
Die in een vlaag opstijgen.
Ik ben de zachte ster die s nachts schijnt.
Huil niet aan mijn graf,
Daar ben ik niet…

ZINGEN
tegen de lange duur van de dingen
tegen de jaren, laten we zingen
over het water aan de lippen
tegen de klippen op
Guillaume van der Graft

VERLIES
Zijn kant van het bed,
zijn toiletartikelen op de wastafel,
zijn kleren in de kast,
zijn stoel in de hoek van de kamer,
zijn plaats aan tafel,
zijn pijp in de asbak,
zijn tabaksdoos, altijd hetzelfde merk,
zijn bureau in de werkkamer, grote chaos,
zijn boekenkast,
zijn jas aan de kapstok in de gang,
zijn gereedschap in de schuur,
zijn geur in het huis,
zijn stem die mij riep,
ik zoek hem in de leegte die mij omringt.
Myriam Steemers-van Winkoop

WAAR WAS JIJ?
Waar was jij, God?
Sliep je soms?
Keek je de verkeerde kant op?
Zag je niets?
Was je even afwezig?
Was je niet op je plaats?

Waar was jij, God?
Die zondagmiddag,
die zaterdagavond,
die dag na nieuwjaarsdag,
die avond voor de Kerst?

Waak jij niet meer
over mensen?
Heb je geen zorg meer om ons leven?
Een kind kun je toch wel sparen?

Ik bestorm je met mijn vragen.
Ik beschiet jou koperen hemel.
Mooi ver weg ben jij.
Mooi veilig op afstand.
Je hebt me mooi in de steek gelaten.
Wat voor een God ben jij…?
Marinus van den Berg

HERFST
De blaren vallen, vallen als van ver
als welkten in de hemel verre tuinen
zij vallen tegen wil en dank

En in de nachten valt vanuit aal sterren
de zwarte aarde in de eenzaamheid

Wij allen vallen. Deze hand hier valt
en zie de andéren aan, het is in allen

Toch is er Een die al dit vallen
oneindig zacht in beide handen houdt.
Rainer Maria Rilke

Wanneer ik sterf…
Als je moet huilen wanneer ik sterf
Huil dan om de ander
Die naast je op straat loopt.
Als je me bitter nodig hebt
Sla dan de armen om iemand heen
En geef hem wat je mij schenken wilde.
Ik wil je iets nalaten
Iets beters dan woorden of klanken.
Zoek mij in de mensen
Die ik gekend en liefgehad heb.

En kun je dat niet, geef me dan weg
Laat me tenminste voortleven in je ogen
Niet in je gedachten.
Je hebt me het meeste lief
Door iemands hand vast te houden.
Iemands lichaam aan te raken.
Door kinderen los te laten
Die vrij moeten zijn.
Liefde sterft niet, mensen wél
Dus als van mij niets is gebleven dan liefde
Deel mij dan uit.
E. Kübler-Ross

Afscheid
De regendruppels vielen in het rond
en staande in de avondschemering
begreep ik dat de zomer sterven ging
en dat de winter aan de poorten stond.

Nog waren alle bloemen niet gedord,
nog stonden alle bomen vol in blad.
Maar in hoe korte tijd verandert dat!
Vraag het de man die morgen tachtig wordt

en gisteren nog vijfentwintig was.
Seizoenen gaan als wolken in de wind
zo snel voorbij. Voor ieder mensenkind
is het bestaan kortstondig als het gras.

Soms dacht ik wel, men stelt de zaken scheef,
want tijdbesef is louter relatief.
Maar onlangs vond ik in de la een brief
die iemand mij tien jaar geleden schreef.

Tien jaar geleden. En wat is er niet
veranderd in een zo kort tijdbestek.
Elk die de tijd ontkennen durft is gek.
Of zou hij bang zijn voor het afscheidslied?

Het afscheidslied dat klinkt in het geruis
van trage regen in de grijze dag.
God geve ons nog ‚‚n zomer als het mag,
want het is nog een lange weg naar huis.
Jules de Corte

De rode boot
In aandenken aan Marieke
Als de horizon ver zou zijn,
het zou mij hoop geven.
Als de aarde diep zou zijn,
het zou mij moed schenken.
Als de lucht diepblauw zou zijn,
het zou mij nieuwe kracht geven.

Maar de horizon is niet ver,
de aarde is niet diep,
de lucht is niet blauw
maar droevig als de regen
in een donkere nacht.

Mijn leven samengebald in de ruimte
van een boot, varend op golven van tranen,
afscheid en heimwee,
verlangen en een lege plaats.
Wat vrolijk had moeten klinken,
vol lentetonen hangt nu zwaar over het land,
wat blijdschap had moeten dragen
hoop op overleven, is nu bedekt
onder een zee van bloemen.
Hun geur het laatste saluut,
voor een nieuwe reis.

Daarachter…
de overkant
J.Hacking

Veronica
Woorden kunnen verbrokkelen als oud brood.
Geen woord dat troost.

Je wilt zo graag woorden
als er geen woorden zijn.
Je hebt het gevoel dat geen woord
verwoordt wat onverklankbaar is.
Je hoort elk woord als
te veel en te vaak gezegd.

Je kunt misschien maar het beste stil zijn
en kijken en vertellen,
wie hij was,
hoe je hem hebt gekend,
hoe hij gegaan is.

Je kunt misschien maar het beste stil zijn
en herinneren.
Er zijn geen woorden
die kunnen verzachten.
Er is niets te verzachten.

Soms raakt een gebaar je.
Soms een zachte hand.
Soms een doek die je getergde
gezicht teder troost.
Een mens die je woordeloos
nabij is.

Gras
Ik heb mijn moeder honderd maal verloren.
In dromen; winters; aan een stenen stad;
aan andere kinderen, uit haar geboren;
en aan die vader, bevend liefgehad.

Maar honderd maal heb ik haar teruggewonnen:
languit voorover in gewoon groen gras,
dat ademde en zwoegde of onbezonnen
golfde als een lied, en golvend, eeuwig was.

Wees eindeloos, wees zacht, een en al armen.
Grasmoeder, moedergras, bevend erbarmen.
Achter ons staat de mensenhemel rood.

De wolken zeilen en de vogels zweven.
Leer me nog met een hart te veel te leven,
totdat ik weg kan in uw beider schoot.
Michel van der Plas

Veni Sancte Spiritus
Veni Sancte Spiritus
et emitte caelitus
lucis tuae radium.
Hierheen, Adem, steek mij aan,stuur mij uit jou verste verte golven licht

Veni pater pauperum
veni dator munerum
veni lumen cordium.
Welkom armeluisvader welkom opperschenker welkom hartenjager.

Cinsolator optime
dulcis hospes animae
dulce refrigerium.
Beste tranendroger
In labora requies
in aestu temperies
in fletu solatium.
Even rusten voor tobbers en zwoegers, voor
O lux beatissima
reple cordis intima
tuorum fidelium.
Onmogelijk mooi licht, onverstroom de afgrond

Sine tuo nomine
nihil est in homine
nihil est innoxium.
God ben jij, zonder jou is alles nacht en ontij, wreedheid, schuld,

Lava, quod est sordidum
riga, quod est aridum
sana, quod est saucium.
maar jij maakt schoon. zalf mijn wonden.

Flecte, quod est rigidum
fove, quod est frigidum
rege, quod est devium.
Stijf sta ik, toegang verboden, Vreemd ga ik, zoek mij.

Da tuis fidelibus
in te confidentubus
sacrum septenarium
Ik zei ja jij, doe mee.

Da virtutis meritum
da salutis exitum
da perenne gaudium.
Niets ben ik zonder jou.
Dood wil ik naar jou toe.
Dan zal ik lachen.

Verblijfpas
Gaandeweg wordt het mij duidelijk
dat ik een vreemdeling ben
in Jeruzalem, in Amsterdam,
overal waar ik kom –
in de wereld onverlost,
uit een andere wereld gedrost,
nergens geheel op mijn plaats
ga ik verbijsterd om,
en ik ben maar door blijven loopen
in den doffen slaapzwaren nacht
door de leege wakende straten
van de omgekeerde stad,
of ik iets in die desolate
woestijn nog te zoeken had.
Doch omdat ik geen adem kan scheppen
buiten dat waar ik op wacht,
alleen door het zinneloos hopen
dat ik plotseling vleugels zal reppen,
dwaal ik onophoudelijk om,
en mijn holle voetstap weerkaatst
hard tegen blinde muren,
maar mijn stem, mijn stem blijft stom.
O wereld niet te verduren,
toch kan ik hier niet vandaan
– die losprijs hebt gij bedongen
en gij vraagt erom tot het laatst –
voordat ik heb geroepen,
voordat ik heb gezongen.
Daar liggen de glimmende pleinen,
de zwarte beslagen stoepen.
Ik voel de straatstenen deinen,
maar ik loop tot het uur zal slaan
dat de hemelsche granaat
van het onweerstaanbare woord
in het stadsgezicht openslaat.
Met de stem uit dat andere oord
zal ik roepen zoo doordringend,
zingen zoo handen wrijfend,
zoo de gansche stad omkringend
dat het ieders rust verstoort.

Honderdvijfentachtig dagen in memoriam R.
1.
Wie zal onze dromen komen begrijpen?

En wie zal verstaan: wij missen zijn stem
die hij nog niet had. Wij missen
de liefde die hij ons zou geven
en meer nog: onze liefde voor hem.

Hulpeloos vogeltje, nietige engel,
voor even maar van God gekomen.
Een naam, een kleine mensenzoon
en toen: herinnering, gestorven dromen

wie zal begrijpen; wie zal komen?

Elk woord nu
is het verkeerde.
En stilte verdragen wij niet.

Alles doet pijn
onze ogen; de huid van ons lichaam;
ons hart.
Wij hebben gehuild
en wij houden verdriet.

Elk woord is verkeerd;
het schiet tekort,
het komt van ver,
het treft ons pijnlijk:
het brengt ons terug bij het kind

hoe lief wij het hadden,
hoe vertrouwd het ons werd;
dag na dag, maand na maand.
En konden wij ’s nachts niet slapen,
dan waren wij samen met ons kind.

Elk woord nu is het verkeerde,
en stilte verdragen wij niet.
2.
Hoe leeg ook van vragen, hoe blind van tranen:
wij moeten verder door de dagen.
Wij hopen niet op troost maar op genade.

Er is gezegd, er staat geschreven
dat van Gods liefde niets ons scheiden kan,
ook niet dit mateloos verdriet.
De wegen van God – ze zijn zo duister
en wij
begrijpen ze niet.
3.
God die het leven draagt en elke dode,
en alles wat ons treft en pijnigt van de dood;

God, die ons tilde uit de slaap,
de doodse stilte van nog niet geboren zijn;

God, die het kleinst geborene
uit onze armen in Zijn handen nam;

Gedenk ons kind,
gedenk zijn naam en onze namen.

Zie met erbarmen, hoe wij kwamen
gedenk ons kind en onze namen.

Het geschondene
Overvloeiende gouaches leven
van de smalle grenzen
tot de dood.

Harde, scherpe randen
van een ongewenst bestaan
tussen zwarte, zware wanden.

Elders zijn de levenden
met de goden en hun liefde,
maar aanwezig niet.

Water roept de verre aarde,
roept vergeefs een mens, een hemel.

Dode moeder
kinderdood.

Rouw
Wij lopen op beton
en bijna in de trage regelmaat
van voeten die op weg zijn naar een graf.
Gelukkig zijn het licht en ook de wereld
grijs als de steen van dit gebouw.

Nevel over de resten van wat eens polders waren.
Gehavend land van aarde, gras en onkruid.

Dit werd je wereld
maar was je wereld niet.
Het is hier vol van jou. Hier wil ik
thuis geweest zijn. Sporen van je vinden
zij zijn er niet meer om nog aan te raken.

Ik wil hier ziek zijn in een bed,
hier wil ik liggen, zoals jij.
En vloeken, huilen van verraad en dood –
het is nog maar één voorjaar later.

Na die tijd
De grijze paden
onder mijn rond schedeldak
jij liep ze alle af:
niet voor altijd
ben ik daar allen gebleven.

Mijn ogen – eens
zijn ze geweest verzadigd
van je gestalte, van
je armen als een wieg.

Mijn oren bleven nog lang wachten
op je stem,
die eens daarin gevallen was
als zachte balsem, als muziek.

En ergens buiten mij
beweeg je weer en leef je toch.
En in mij
huilt om jou wie ik eens was –

De zachtste mens
die ik ooit ben geweest:
met jou.
Het lieve leven
Mocht er ooit iets met me gebeuren,
leef dan door, want het lieve leven
is je voor het leven gegeven:
daarna komt de tijd om te treuren.

Na mij komt er altijd een ander,
want jij bent voor samen geboren.
Er gaat zonder mij niets verloren,
omdat er toch weinig verandert.

Het enige is dat ik weg ben,
maar dan voor een langere tijd:
zo is het nu eenmaal geregeld.

De ander, die ik nog niet ken,
ben ik ook, want je raakt me niet kwijt:
ik blijf in je leven weerspiegeld.

Nico Scheepmaker

De dood is als een regenbui
-plaatselijk-

de hemel blauw
en hier en daar
een wolk witgrijs

een plas op straat
geeft stil getuigenis
is echo
van een voorbij moment

hij valt als regen tussen ons in
doet zo zijn krachtig werk

wij blijven
– wachten –
weten niet

ons verdriet
zwelt tot een stormvloed aan

beukt met slagen
tegen ons hart

geen deur sterk genoeg
geen ziel te zwaar

een windvlaag neemt ons allen mee
totdat de stilte daalt

Avondtijd
Bleek geworden is mijn levenslust…
ik viel zo eenzaam op de aarde
van waar ik kwam, heeft nooit een mens geweten,
alleen jij, opdat ik verenigd eens met jou zal zijn.

Ik ben door inhammen ver omgeven,
en elk ding ervaar ik in het schuim.
De mens, die mij als vijand tegemoet treedt, vervalt!
En ik weet slechts van hem in dromen.

En zo beleef ik de schepping van deze wereld,
op aarde reeds ontkomen aan haar schaal.
En jij de ster die hoog uit de hemel valt
begraaft zich diep in het dal van mijn hart.

De avondtijd verdonkert sterk mijn bloed –
dooradert vol kwellingen mijn vermoeide ziel.
Naakt stijgt ze weer uit de voorwereldlijke vloed
is angstig, dat ze lichamelijk hier op aarde zou ontbreken.

En wat de dag nog voordat hij ontwaakt,
verzuimde morgenroodachtig te beleven,
reikt hem het droomende beeldenspel der nacht
in enkel kleurrijke weefsels.

Verre handen brengen mij naar huis
uit gele sikkels een vroom boeket.
De wijzer wandelt langzaam om het cijferblad
de zonnewijzer, die goud van mijn leven had.

Zij gloeit door het kloppen bewaakt
en luidt tussen nacht en middernacht…
Daar wij ons zagen in het raadselachtige uur –
jouw mond bloeit duizendschoon op mijn mond.

Al mijn levenslust vervloeide
in het donkere gewaad met de avondtijd.
Ik zocht zonder ophouden een hemel waar…
Alleen in de openbaring is de weg tot hem niet ver.
Else Lasker-Schüller

Jij en Ik
Als de tienduizend gerechten voor God aantreden,
deze tienduizend gerechten, door wie elke aeon bestaat,
waarom zijn wij dan niet onder hen, jij en ik?
Was onze tijd toch overvol met het boze
en verlangde een goed gewicht.
Zal de weegschaal blijven zweven, als wij ontbreken
jij en ik?

Makkelijker was het, te vallen in deze dagen, zo zeggen jullie,
makkelijker dan in de tijden van de herders, van Abel en Kain,
makkelijker dan in de tijden, toen wijde bossen nog rookten en woestijnen brandden
in eenzaamheid
en mens en mens zich vrolijk groetten,
blij, een gezicht te zien, dat het op het zijne leek.

Afgunst baart engte, en ellende vraagt niet naar prijs en verdoemenis.
Maar was het boze niet op de weg, om ons te wekken?
Schreeuwde op de straten niet luid het lot van duizenden,
de verdrevenen, schreeuwde niet het lot van de hongerigen en de onteerden
luid in ons hart en luider dan in de dagen van de herders,
maar het hart, ons hart, bleef stom?

Alleen lauw waren wij. Zelfs nog niet slecht. Traag alleen en onrechtvaardig. Daar
om spuwt hij ons uit, wij die geen medelijden kenden,
geen gerechtigheid voor de vervolgden,
hem niet zagen in het bedelaarskleed met de magere heupen
en toch zo gelijkend op het beeld van de gemartelde in de kapellen,
voor wie jij, brassende boer, de knie buigt.

Waarom zijn wij niet in de scharen die zwijgend voor de Heer verschijnen,
die de weegschaal in evenwicht houden, de toorn verstrooien,
jij en ik?
Zie, hun ogen branden op ons. Wij waren geroepen
en vergaten de roep. Gewogen wordt er. En de schalen, o wee, ze zwenken.
Enkel tienduizend houden ze zwevend. Twee ontbreken: jij en ik.
Zal de weegschaal zinken, omdat twee vandaag verzaakten, wij beiden,
jij en ik?
H.O. Münster

Van Abrahams geslacht
Zwervende mensen, vreemden, ontheemden,
harten onrustig van eeuwigheid
zoeken oase, bron, levend water,
weg uit die doem van onvruchtbaarheid.

Harten vol honger, zoekende mensen,
slepende jaren, levenswoestijn,
angstige vragen: Zal levend brood mij
iedere dag weer gegeven zijn?

In onze harten flarden gedachten,
levende woorden in ons gezaaid:
Planten in droefheid, oogsten in vreugde,
onkruid verbranden, tarwe gemaaid.

De gestorvene
Zeven maal om de aarde te gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zeven maal, om die ene te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde te gaan.

Zeven maal over de zeeën te gaan;
schraal in de kleren, wat zou het mij deren
kon uit de dood ik die ene doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.
I. Gerhardt

‘Sotto voce’
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar ééné het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo’n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Verdriet

Verdriet kit al mijn krachten samen,
zodat ik roerloos word als steen.
Mijn hele wezen wordt materie,
o sla de rots, opdat ik ween.

Nog is het mooi, ’t geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
M.Vasalis

Zoek niet naar mijn graf
vraag me niet wie ik ben
en of jij mij gekend hebt.
De idealen die ik had
blijven ook zonder mij bestaan.
Ik ben dood, maar leef voort
in de idealen die ik had.
En de anderen die blijven strijden
zullen nieuwe rozen doen bloeien.
Wanneer je daarover spreekt, spreek je over mij.

Zoek niet naar mijn graf,
want dat zul je niet vinden.
Mijn handen zijn nu de handen
van anderen die strijden.
Mijn stem roept in andere stemmen,
mijn droom leeft voort bij anderen.
En weet dat ik pas sterf
als jullie de moed opgeven.
Want ieder die in de strijd valt,
leeft voort in zijn vrienden.

‘Er zijn”
Er zijn dingen, die alleen het oppervlak beroeren,
daaronder blijft de ziel gelijk en blinkt
zoals een vijver waarop blaadren varen,
of als een kinderoog onder verwaaide haren.
Men zingt en luistert hoe het klinkt.

Maar er zijn soorten van verdriet,
die iets veranderen aan het lied.
Men wordt bespannen met heel andre snaren
en wie het niet ervoer, die weet het niet.
O kindje met je zachte witte vingren
en met de blauwe aadren aan je kleine slaap,
die zich als heilige rivieren slingren.
Slaap mijn kindje, slaap.
M.Vasalis

Voor hen die ik liefheb
Voor hen die ik liefheb, en zij die mij liefhebben:
als ik ben gegaan, laat me los, laat me gaan.
Ik heb zoveel dingen te doen en te zien;
bind jezelf niet aan mij vast met tranen:
wees verheugd over zoveel goede jaren.

Ik gaf je mijn liefde; je kunt slechts gissen
hoeveel je mij gaf in vreugde.
Ik dank je voor de liefde die wij aan elkaar hebben getoond
maar nu is het tijd dat ik alleen verder reis.

Wees een tijd verdrietig om mij, want verdriet hoort erbij,
maar laat dan je verdriet omhelsd worden door troost.
Het is slechts een tijd dat we moeten scheiden;
daarom zegen de herinneringen in je hart.

Ik zal niet ver zijn, het leven gaat verder;
en als je mij nodig hebt, roep me en ik kom.
En hoewel je me niet kunt zien of aanraken
ik ben dicht bij je
en als je luistert met je hart
zul je horen
al mijn liefde om je heen, zacht en helder.

En als je moet gaan, deze weg, alleen,
ik zal je begroeten met een glimlach
en een ‘welkom thuis’.

Wonden en wonder
Ze liggen dicht bij elkaar
het zijn tweelingen;
Didymos
leed en vreugde
pijn en genot
avondschemering en ochtendgloren
Goede Vrijdag en Pasen
dood en verrijzenis

het ene schreeuwt om het andere
wil vastpakken
voelen, tasten, weten
dat het waar is
voelen dat het leeft

wonden en wonder
ze liggen dicht bij elkaar;
vraagtekens die
heel af en toe
uitroeptekens worden
kapotgebroken brood
brood om van te leven!
geperste druiven, vergoten wijn
levensvreugde!
opgegeten, leeggeschonken
om van te leven.

De dood en het besef van de dood
De dood en het besef van de dood
kan rustgevend en vrede-brengend zijn.
Dat klinkt wellicht wat vreemd
in de oren van de mensen
die zich zelfs in hun vrije tijd laten opjagen:
‘Ik moet nog zoveel’, ‘Ik wil nog zoveel’,
‘ik moet er niet aan denken dat ik op een dag
al deze dingen niet meer zou kunnen doen’.

De dood, en het besef van dood
kan rustgevend en vrede-brengend zijn.
De dood is angstaanjagend
voor mensen die uiterlijke schoonheid,
lichamelijke gezondheid en materiële rijkdom
als belangrijkste idealen in hun leven zien.
Nogal wiedes, de dood zegt hun
hoe relatief, hoe beperkt hun idealen zijn.

De dood, en het besef van dood
kan rustgevend en vrede-brengend zijn.
Hoe vaak hoor je niet mensen zeggen
die met de dood in aanraking zijn geweest:
‘Ik heb geleerd om meer te genieten
van de kleine dingen in mijn leven’.
En: ‘Ik maak me geen zorgen meer
of ik mijn werk wel of niet af krijg’.

De dood, en het besef van dood
kan rustgevend en vrede-brengend zijn.
Het klinkt misschien vreemd,
maar het lijkt wel of je het meeste leert
van de dingen waarvoor je het meest bang bent.

Aan de stam
Als een twijgje
ben je
aan de stam
wiegend in de wind
de zon onder je bladeren
wiegend in de wind
aan de stam.

Als een rank
ben je
aan de stam
nieuwe loot
zul je vrucht dragen?
nieuwe loot
aan de stam.

Houd vol.
Houd vast
aan de stam
tot de herfst,
geef je zoete vruchten?
in de herfst
aan de stam?

Met zijn wortels
tot het water
knoestige stam
tot de lente
tot jij komt om leven
en herleeft in
de knoestige stam.

Meer kun je niet
meer hoef je niet
leven
is wachten aan de stam
groeien, blijven hopen
wachten aan de stam
op leven.

Ontij

I
Wie zoek je? Ze is niet hier.
ze at as die als fijn rijp
over de grashalmen lag

wat raap je op? Wat scherven
water, zuurstof, scherven vuur,
en gruis, van deernis het gruis

wie raak je aan? Iemand werd
uit je lijf gelost, iets laat
een leegte in je vieren

wat wil je? Wat ze drinken
wat ze zien, horen, ruiken
bestasten zou, willen zou , zeggen,
wat zij over dit alles en altijd
had kunnen willen zeggen

II
De grond waarop je stond, valt,
in de hand genomen, door
de vingers heen, droogste grond,
op je schoenen, op de uitgegraven

losse grond waarop je staat.
Je strekt je arm, de hand lekt
De rest grond, op het klein deksel
In de afgrond

je hoort dat je niemand vond

Hans Groenewegen
Memoria
Kijk toch eens naar jezelf, zei hij,
zoals jij naar de hemel staart
en naar mijn stomme graf

ik ben noch hier, noch daar. Keer om
en ga naar huis. Pluk bloemen af
en zet ze op je tafel. Vraag

je vrienden langs en maak een maaltijd klaar
zoals ik je geleerd heb: kip met vruchten,
kunstig versierd, aan knoflook geen gebrek.

Laat er muziek zijn, dans onder de luchter,
drink rode wijn en leun in veler armen,
jaag me de straat op met een schaterlach:

ik keer  terug in het verbrijzeld glas.

Renée van Riessen
Zo vallen de woorden mij
Moeiteloos in:

Zo als ik drink
Als ik adem.

Later pas proef ik
Wat ik geschreven heb.

Begrip is nasmaak van taal.

G. van der  Graft

O verduisterd gelaat
Aan de andere oever,

Hoever, hoever
Van mij vandaan?

Valkbij, te ver om te gaan

G. van der  Graft

Wij zijn als doden, wij weten
Maar wat het nabijste is
Dat blijft in de adem steken
Het licht en de duisternis
Het is niet te vergelijken
De dood kent geen overgang
Wij kunnen alleen maar kijken
Ons leven lang

Wij zijn als doden, wij weten
Wij denken niet meer en wij rekenen niet,
Wij betekenen niets en wij doen niets
Behalve vervuld raken van het woord
En het woord is een zaad en een dode,
Een godenverschijning en een teug wijn,
Een schoof koren en een boom lover,
Vol zomer en tegelijk
Vol van de andere drie seizoenen;
Een woord is te veel om te noemen,
Het is alles en het is niets,
Geen denken, geen doen, geen teken,
Het is vol zoals de maan vol is
En leeg als de aarde,
Maar de doden diep in de mond,
Deze geteisterden
Weten
Wat het nabijste is

G. van der  Graft
Zes zinnen

Het licht begraaft je niet, jij wordt daarin
Begraven zodat het jou daarbinnen
Proeft en ruikt en streelt en hoort en ziet.

Daar reik je naar een nieuw begin,
Het zingen van een aanvangslied,
Dat opstijgt naar de eerste geest,

Een zeker weten dat de taal jou redt
Omdat je als een onvergetelijk woord
Tussen de zinnen wordt gezet.

Zes zinnen

Sterven is loslaten. Jij hield niet vast.
Ik streelde te stevig en smeekte: Ga
Toch maar blijf. Nu droom ik van je.

Raak me niet aan, zeg je, tegen leven
Op de tast ben ik niet meer bestand.
Het vormt een eeltlaag, hard en koel.

Nevels verbergen mij, maar ’s nachts
Verschijn ik aan de rand. Laat los, voel
Mij overdag, in de palm van je hand.

Zes zinnen

Stervenden zijn zoekekauwen. Wat proefde
Jij toen jij je duim opstak: sacrale
Voorsmaak, honingzoete toverdrank?

Bang? Vroeg ik. Ongeloof schudde je hoofd.
Sterven was verstenen, vermineralen,
Verzilten van het suikerriet. Nieuwsgierig

Bewoog je je witte lippen. Alsof de dood
Jou de borst gaf, zo zoog je, terwijl je
Ons in kou en bitterheden achterliet.

Zes zinnen

De geur van hyacint, zei je, seringen
Of eigenlijk jasmijn. Een prikkelend parfum.
We lachten om dit wisselend boeket

Omdat we wilden huilen. We wisten
Dat de vorst odeur versnijden zou
Tot hersenschim en vlagen wind.

Wat zie ik naar de lente uit, ik zal
Vooroverbuigen, diep inhaleren
En jou in bloesemgeur aanwezig ruiken.

Zes zinnen

Je stierf aandachtig. Wat hoorde jij
Toen je hand licht danste door de lucht,
En jij je ogen sloot, opende, glimlachte?

Verdi was je vriend, Belcanto de plaats
Waar je thuis was en elke zondagmiddag
Wakend in de leunstoel op hem wachtte.

Ik hoor het Slavenkoor en weet dat je één
Van de tenoren bent. Je zong altijd mee,
Met verval en vanitas meer dan bekend.

Zes zinnen

Stervenden zijn zieners. Wat schouwde jij
Aan de achterste grens? Verontrustende
Struiken of een tamarisk aan de bron?
Lichtgroene weiden of een krijtwitte rots,
Een afgesloten paleis of een bloeiende tuinen?
De genade van een oplichtende zee

Open het gordijn. De kamer moet licht
Zijn, de aarde het domein van de zon
Die schijnt op aankomst en afscheid.

Anton Ent
Verwachting

Ja  je bent vertrokken
Ik zag je ergens anders
Het leven ging gewoon door
Iedere ochtend stond je op
’s avonds weer naar bed
Zonder en woord
Niets was veranderd
Je was altijd al een afwezige vader

En op een dag
Zou ik je zien op straat
Uit de verte
Van achteren
Ik zou achter je aan hollen
Maar je niet kunnen bereiken
Verdwenen tussen de mensen
En op die dag zou je echt dood zijn

Nicolas Ouwehand
Zijn jas

Mijn vader J was nog maar net
Gestorven toen mijn moeder A
Zijn nieuwe regenjas voorzichtig
Van de kapstok nam. Pas eens,
Zei ze, hij was er zo trots op.

Daar stond ik dan en voelde
Aan de mouwen en bij het sluiten
Van de knopen hoe dood hij was
En hoe ver weg van mijn jeugd. Oud
En zwak zou ik worden, in deze
Plooien zou mijn huid gaan hangen
Om mijn knoken.

Rutger Kopland
Tijdstip

De dood komt altijd te vroeg
Of laat te lang op zich wachten

Op je begrafenis heb ik niet gehuild
Het is maar een lichaam dacht ik
Maar daarvoor
Nog gestrand op je ziekenhuisbed
Je holle ogen even verbaasd als de mijne
Tranen met tuiten toen
En veel later ook
En nu nog

De dood komt altijd te vroeg
Of laat te lang op zich wachten

Nicolas Ouwehand
Wie kan niemand zijn

Ik heb vanochtend vroeg het gras gemaaid
een spin werkte aan een web
altijd als het kouder wordt zie je ze

de stoelen in de tuin stonden stil
ook de tafels zoals altijd plat het vlak
er lag niets op, ik zag alleen het hout met nerven

een merel kwam langs, zoals vaak de zwarte
met die snavel hij pikte in het web
er hingen hier en daar al dode dingen in

de telefoon ging maar ik dacht wie
kan niemand zijn, zo vroeg, zo laat
en inderdaad het rinkelen duurde maar hield op

in het gras hoopjes zand er groef vast een mol
een gang ondergronds zoals altijd
dat zal wel nooit veranderen

een van de bomen wordt echt te groot
ik dacht ik zie niets meer van de straat
maar je kent de buren vandaag maar beter niet zagen

de krant lag in de brievenbus
zoals altijd niets gebeurd het weer is matig
maar jij stond er keurig in met al je namen

wat kan ik je nog meer vertellen
nu moet ik naar je begrafenis
maar straks ben ik weer terug

HENK PRÖPPER

De huif

Het is een teder en doorzichtig vlies
dat als een huif om mijn beleven ligt,
maar dag na dag veert toch het wanbericht
weer schrijnend op: een onverteerd verlies.

Toch ga ik alweer schertsend door de dagen
die vol van zon en vol verwachting zijn
en in de lucht ontwaar ik reeds een klein
gerucht van zwaluwen op licht gedragen.

Ik zie haar soms nog tussen kale bomen,
haar grijze hoofd, het onmiskenbaar feit,
dat ze weldra voor even wéér zal komen.

Zo slijt de pijn en zo vervaagt de tijd,
zo houd ik nog mijn spinsels en mijn dromen:
een moeder raak je nooit voor altijd kwijt.

FRANS HOPFENBROUWERS

Rouwproces

Weer zijn de dagen loos voorbijgegaan,
een rouwproces van leegte en gemis
nu er van haar geen beeld meer over is
en ook haar stem van weerklank is ontdaan.

Toch hoor ik soms het timbre van haar taal
in het geritsel van de noordenwind.
Dan ben ik weer haar onderdanig kind,
dat zwijgend luistert naar haar bits verhaal.

Vaak stelde zij haar eigen starre wet
en zelden boog haar niet gedoofde oor
zich naar de zachtheid die ik onverlet

te berde bracht; dat haar verminkt gehoor
de warmte ving die ik had uitgezet,
verhoudt zich nu als troostrijk tot teloor.

FRANS HOPFENBROUWERS
Begraafplaats
I

kom, de seringen verkleuren, de vlier staat in bloei,
nu de avond vochtig in de ochtendschemer valt
blijft hij geuren, kom, de klimop overgroeit
de daklijst naar de nok, hoor de merel, de linden
van de buren zijn al tot een gebaar geknot

gisteravond viel voor het eerst het zonlicht
weer door de beukenlaan, kom, zet het masker
van je herinneringen op, dan kunnen we gaan

in wie welt hier niet die regel op, de melodie
van dat ene lied, en neuriet hem niet, neuriet hem niet

II
komt men hier, ziet men alles wat men wist.
dan mist men iets, alsof er niemand is.

een hand rust op de neusrug. de open
ogen daarachter houdt men dicht. te laat

weet men dat men in dit duister zingen
moet om er iets te kunnen horen, te laat,

men staat aan een rivier die stilstaat. een
windvlaag, haar gewaad ruist zilverwilg licht.

in wie welt hier niet die regel op, de melodie
van dat ene lied, en neuriet hem niet, neuriet hem niet

III
gekomen omwille van wind
van regens, van zon, van de nevel.

van de doden zijn wilgen, zijn bomen
rode beuken, eiken, coniferen

de geluiden zijn van de doden,
gekomen omwille van wind
de stemmen, het schrijden, de merels
onder heggen die de veldjes omzomen

ogen, lippen en vingers zijn blind
vertrouw de gezichtshuid, de benen
gekomen omwille van wind
de voeten gingen, ze zullen komen

naar de laan, de laantjes, de stenen.
onder mos, onder gras murmelt grind
als ik kom, en ik kom, ben gekomen
gekomen omwille van wind

in wie welt hier niet die regel op, de melodie
van dat ene lied, en hij zingt die regel niet, hij zingt hem niet

HANS GROENEWEGEN
Vertrouwd

Haast elke nacht word ik wel even wakker
omdat haar geur dan door mijn dromen gaat.
Dan zie ik haar weer in haar nachtgewaad,
terwijl ze wandelt door de dodenakker,

waar ik de laatste tijd wat vaker kwam
om naar de zin van hier en ginds te zoeken.
Ik vond het antwoord niet in vrome boeken,
omdat haar dood de waarheid tot zich nam.

Ik ruik de geur weer van het oude huis,
vooral van soep die al te trekken staat,
maar ook van hout dat loeit in het fornuis.

Vertrouwde geur die niets te wensen laat,
een geur van warmte en van veilig thuis,
de geur van moeder, doende met de vaat.

FRANS HOPPENBROUWERS
Bij het graf van mijn moeder

Ik heb vandaag weer bij je graf gestaan
en dacht dat alles maar verloren ging,
dat zien en horen van een sterveling
tot wuivend gras en vogelroep vergaan.

Ik proef het bitter van het zinloos staan
voor deze steen van gepolijst graniet,
waarin de houwer naam en tekens liet:
dat je geboren bent en dood gegaan.

Ik kom hier om de zoveel weken weer
om troost en ook om het verloop van tijd:
wat is de dood nou welbeschouwd nog meer

dan een voorzegd en onontkoombaar feit,
fijntjes gekruid met Onze Lieve Heer,
verrijkt nog met een snuifje eeuwigheid?

FRANS HOPPENBROUWERS
Op de sterfdag van mijn moeder

Wij hadden slechts haar hand om in te knijpen
door al het tuig dat haar was aangedaan,
opdat er technisch niets meer mis zou gaan;
toch voelden wij wie er zijn kans zou grijpen.

Er was geen winst te puren uit de maan
die in die nacht veel te uitbundig scheen
toen moeder daar ontkoppeld lag, sereen
ontkomen aan een uitzichtloos bestaan.

Ze was gezegend met een levenskracht
die tot voorbij de eeuwigheid kon gaan;
maar niemand keert het tij van overmacht.

Wij hebben haar in eerbied afgestaan
aan bos en graf, het donker van de nacht.
Daarna zijn we onthoofd uiteengegaan.

FRANS HOPPENBROUWERS
( … )

Dit is het verschil met lijsters en hanen
wij kennen de goden niet meer bij name
Ze zijn in onze hoofden geschonden
Wij kunnen niet meer wat we vroeger konden

Want de vogels hoe gaan ze te werk
Ze hebben een waterpas in hun staart
Ze hebben een passer in hun snavel
Ze heb ben een beitel in hun keel
De splinters van rotsbeen vliegen in ’t rond
Ze geven ons de namen in de mond
ze geven ons de goden in het oor
maar wie is hun dankbaar daarvoor?

Niemand of liever een enkeling
Een ondergekomen drenkeling
Een nakomer van een poëet
Die tussen een woord en een stilte weet:

De goden – de goden zijn dood en begraven
Ze liggen voorover op hun namen
Ze hebben voorgoed in het zand gebeten
En iedereen kan het weten
Behalve de vogels die zijn zo naief
Die weten dat zo niet

Maar als men de spade der taal
diep in de aarde zou steken
dan zou men de goden bereiken
dan zou wat men zei gaan lijken
op dit vogelverhaal
met woorden diluviaal.

(Fragment uit: DE RELIGIE DER VOGELS.)

G. VAN DER GRAFT
Thebe

Met leven toegerust voor beiden,
liep ik vannacht de gangen in,
die naar u leiden.
Het ondergronds geburchte droeg
een stilte, die met tegenzin
mijn tred verdroeg.

De muren stonden als verzadigd
van ruige schimmel; lucht en licht,
voorgoed beschadigd,
beten mij uit; de wil alleen
bij u te zijn in ’t jongst gericht,
hield mij ter been.

Het labyrinth verliep in schroeven
van eender, blinder cirkeling.
U ten behoeve?
Ik weet niet meer hoe lang ik ging.
Hoe brachten zij, die u begroeven,
zover een ding?

Totdat mijn voeten op u stuitten:
uit een volslagen duisternis
zag ik uw ogen opensplijten;
uw handen, die ik niet kon tillen,
voelde ik langs het leven strelen,
dat in mij sloeg;
uw mond, in dood verholen, vroeg.

Een taal waarvoor geen teken is
in dit heelal,
verstond ik voor de laatste maal.

Maar had geen adem meer genoeg
en ben gevlucht in dit gedicht:
noodtrappen naar het morgenlicht,
vervaald en veel te vroeg.

GERRIT ACHTERBERG
De dood van mijn moeder

Ik zeg haar zachtjes dat ze dood zal gaan
en dat het niet zo heel lang meer zal duren.
Ze kijkt niet op, laat evenmin een traan,
als stond ze al voor heel wat heter vuren.

Ik kijk naar buiten, zie slechts kale muren
en mensen die van hier naar ginder gaan.
Ik sterf van binnen, tel haar laatste uren.
Maar zij heeft haar horloge afgedaan.

Ze reikt het aan, een achteloos gebaar,
en zakt terug in het te ruime bed.
Ik zoek vertwijfeld naar de juiste snaar.

Een voorgevoel verzoent haar met de wet.
Ik zoek naar woorden, onverdacht en klaar.
Maar zij doet stil de allerlaatste zet.

FRANS HOPPENBROUWERS

Ars Moriendi
Als het zover  is  – laat me dan eindelijk
weten hoe je dat kan, sterven
hoe je kan weggaan, weg

zou het iets hebben van wat er in mij
gebeurt wanneer een choraal van Bach klinkt
er welt een gevoel op, een besef van onontkoombaar
verlies maar het geeft niet, nu even niet
het heeft misschien ook iets van het zien van
een uitzicht over de bergen, die lucht en leegte en de
huiver voor de eenzaamheid die in de verte
op mij wacht, maar het geeft niet, nu even niet

af en toe is er zo’n avond dat er over de wereld
het mooiste licht valt dat er is, laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
als het zover is – laat me dan eindelijk
weten hoe het is om te zeggen: ik kom.
Rutger Kopland

Namen
Streep hun naam niet door
al zijn zij tot stof vergaan.
Streep hun naamniet door
alsof zij nooit hebben bestaan.

’t liefste dat ik heb bezeten
’t toekomstbeeld van mijn bestaan.
Vraag me niet dat te vergeten
en gewoon weer verder te gaan.

Want ik wil wel verder leven
maar ik weet niet hoe dat moet.
‘k hoor bij hen die achterbleven.
Overleven vergt veel moed.

Streep daarom hun naam niet door.
Noem hun naam en laat me weten
dat ook jij niet zult vergeten.
Zo alleen kan ‘k verder gaan.

Gery den Otter
Sub finem
En nu nog maar alleen
het lichaam los te laten –
de liefste en de kinderen te laten gaan
alleen nog maar het sterke licht
het rode, zuivere van de late zon
te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.
Het werd, het was, het is gedaan.
M. Vasalis

Zwart als git
Zwart als git wordt het licht,
aardedonker de zon.

Loodzwaar hangen de wolken,
na regen klaart het niet op.

De huisbewaarder vlucht uit het huis
en onbeheerd blijft het achter.

Bomen van mannen
beven als riet.

De harde hand van de molenaarsvrouw
is moe van het malen.

Toonloos wordt een liedje gezongen,
ijl klinkt de stem van een vogel.

Iedere hoogte is me te hoog,
trappen te steil, woorden te veel,

ik durf de schrikwekkende
straten niet meer begaan.

Ach olijven, je smaakt me niet meer,
amandelbomen, bloei niet voor mij.

Ik streel je nog wel maar voel je niet meer,
zegt de ene mens tot de ander.

Weg, weg naar je eeuwige huis,
roepen de doodgravers door de straten

voort, naar onze blijvende woning,
roepen de doden de levenden toe.

Het zilveren snoer wordt doorgeknipt,
de gouden lamp valt stuk op de vloer.

De kruik barst aan de boorden van de bron,
het scheprad schept geen water meer.

Stof wordt stof en leem wordt leem,
alles keert naar zijn oorsprong terug.

De adem stroomt naar de ademzee,
tot Hem die leeft.

de dood
Deur,
door jou heen
kunnen wij de aren
naar de dorsvloer dragen,
onze hartsgedachten.

Naar ons toe vloeit
door jouw duisternis
licht,
dat ons gebiedt te leven,
ons land te bewerken.

Jij
spoort ons aan ongewapende
leerlingen van jou te worden,
leerlingen in
de werkplaats van de Verrezene.
Jochen Bärner

Gemis
Jij hebt de weg voor mij gebaand
die onbegaanbaar was
stuurde mijn gedachten
in m’n zware nachten
hebt in m’n bos van boze dromen
de bomen omgekapt tot ik het licht weer zag
en in de dag die aanbrak kon geloven
jij die de bergen kon verzetten
leidde me zo zachtjes door m’n diepste dal
jij bedwong m’n zwaarste stormen
brak m’n val.

Jij hebt de weg voor mij gebaand
die ik alleen moet gaan
wees me waar ik zwak was
wees me waar m’n kracht lag
jij hebt een brug voor mij geslagen
over al m’n drijfzand naar een zeker land
hebt me als ik niet meer kon gedragen
jij die me eigenlijk geleerd hebt
dat liefde wegen vindt als er geen uitweg is
blijft nu ik het goed alleen kan
mijn gemis.
Liselore Gerritsen

Sta even stil
Sta even stil
draai niet om
en kijk ook niet vooruit
tel de seconden
niet de uren
adem in en uit.

Sta even stil
en leg je armen
langs je eigen lijf
voel je voeten
op de aarde
want dit is je verblijf.

Sta even stil
en weet het weer
leg het nooit iemand uit
aan liefde
is niets uit te leggen
adem in en uit.
Liselore Gerritsen

Loop niet voor mij
ik kan je niet volgen
loop niet achter mij
ik kan je niet voorgaan
loop naast mij
geef mij een hand
we zullen samen gaan.

Geheim
Al zwijgen de mensen
de bergen zwijgen niet
zij tonen ons het rotsvast geheim
dat er een grond van leven moet zijn

zij bewaren voor ons het oergeheim
dat wij in God geborgen zijn

al zwijgen de mensen
de bomen zwijgen niet
zij zingen ons het kwetsbaar geheim
dat er een kracht tot leven moet zijn

al zwijgen de mensen
de vogels zwijgen niet
zij zingen ons het kostbaar geheim
dat er adem tot leven moet zijn

al zwijgen de mensen
de wateren zwijgen niet
zij tonen ons ’t verfrissend geheim
dat er een bron van leven moet zijn

al zwijgen de mensen
de dieren zwijgen niet
zij leren ons het veilig geheim
dat er behoud van leven moet zijn

al zwijgen de mensen
de kinderen zwijgen niet
zij dromen ons het eeuwig geheim
dat ons leven een wonder moet zijn
H. Jongerius

Er hangt een huilbui als een onweer in elk van ons
Er hangt een huilbui als een onweer in elk van ons
Maar je houdt je groot
Je houdt je in
En als we dat niet deden
Kwam het met bakken naar beneden
Stond het water ons al gauw tot de kin.

Om al de dingen die we slikken
Waar we stilletjes in stikken
Maar waar wij van blijven schrikken
Altijd weer…

Om kinderen niet geboren
Voelen nergens bij te horen
Om een jeugd voorgoed verloren
Komt niet meer.

Om de kans die is verkeken
Om het plan dat is blijven steken
Om ’t verzet dat is bezweken
Onder de tijd.

Om bedrogen uitgekomen
Om vervlogen mooie dromen
Om illusies je ontnomen
Kwijt.

Er hangt een huilbui als een onweer in elk van ons
En stel, dat wij ons een keer lieten gaan
Als de gene was verdwenen
Kreeg je het oeverloze wenen
Werd het tranen dweilen
Met een open kraan.

Om de drift die wij bedwingen
Het verdriet dat wij verdringen
Om de dingen die niet gingen
Als gedacht.

Die ontglippen en mislukken
Die in scherven en in stukken
Door ons onbegrijpelijk krukken
Dag en nacht.

Tijd van vloek
Tijd van vloek en tijd van zegen
tijd van droogte, tijd van regen
dag van oogsten, tijd van nood
tijd van stenen, tijd van brood
tijd van liefde, nacht van waken
uur der waarheid, dag der dagen
toekomst die gekomen is
woord dat vol van stilte is

tijd van troosten, tijd van tranen
tijd van mooi zijn, tijd van schamen
tijd van jagen, nu of nooit
tijd van hopen, dat nog ooit
tijd van zwijgen, zijn vergeten
nergens blijven, niemand weten
tijd van kruipen, angst en spijt
zee van tijd en eenzaamheid.

wie aan dit bestaan verloren
nieuw begin heeft afgezworen
wie het houdt bij wat hij heeft
sterven zal hij ongeleefd
tijd van leven om met velen
brood en ademtocht te delen
wie niet geeft om zelfbehoud
leven vindt hij honderdvoud

strijd
Om een strijd voor niets gestreden
Een geloof voor niets beleden
Om een onvoltooid verknoeid
Verleden tijd.

Om dat steeds weer net niet halen
Om de internationale
Van het totale menselijk falen
Wereldwijd.

Er hangt een huilbui als een onweer in elk van ons
Maar je houdt ’t leuk
Je houdt je groot
Maar als wij zouden lozen
Ging het hier gigantisch hozen
Dan had je alle dagen watersnood.

Er hangt een huilbui als een onweer in elk van ons
Tranen als het water van de zee
En heel ons lange leven
Zal die boven blijven zweven
Drijft die huilbui als een onweer met ons mee.

SPECIAAL VOOR JOU
Wees niet wanhopig, als de hemel lijkt gesloten,
als je van ieder mens verlaten bent,
als je, je hoofd zó dikwijls hebt gestoten
dat je geen blijdschap en geen vreugd meer kent,
als je verward bent in de leugen, het bedrog:
God is er toch? God is er toch?

Denk aan je doop. Toen heeft de Heer gesproken:
‘Je bent Mijn kind. En of je wilt of niet,
al heb je elke dag je woord gebroken,
toch breek Ik Mijn belofte aan jou niet.
Ik zei het toen, Ik zeg het nu en nòg:
Ik ben er toch? Ik ben er toch?

Voel op je voorhoofd: daar brandt nog het water
dat teken was van Mijn verbond met jou.
Dat gold voor toen, dat geldt voor nu, voor later,
al ben jij ontrouw, eeuwig is Mijn trouw.
Denk niet wanhopig: ‘God, wat moet ik nog?’
Ik ben er toch? Ik ben er toch?

Ik ben er altijd. Maar je moet Mij zoeken,
Ik zal je horen, vóór je roept tot Mij;
Maar roep dan ook. Al lijkt je bidden vloeken,
Ik hoor je stem. Ik kom en maak je vrij.
Al is er niets, dat in je voordeel pleit
Mijn kind, Ik ben er toch. Voor jou. Altijd.’

NAAR EEN GEBROKEN HART
Naar een gebroken hart
mag enkel iemand gaan
die ook het hoge voorrecht kent
dat hij pijn heeft doorstaan.
Emily Dickinson

Als God eerlijk zei
Als god eerlijk zei:
Straks maak ik één van mijn laatste tochten
maar heden heb ik niets geen haast
Ik wring mij nog in allerlei bochten
maar moet ik gaan, ben ik toch verbaasd

Toch leef ik in mijn laatste dagen
Bijna gereed voor de laatste reis
en zal ik die sprong eens wagen
wordt ik weggelokt van ‘aardse paradijs

Het wordt ’n eindeloos gevecht
Ik schijn er soms aan te bezwijmen
en heb ik niet mijn eigen recht
om te weten…wat ligt er achter die horizontale lijnen

Want ik moet gaan, zoals zovelen
Wat geeft het of ik zeg, dat ik ’t haat
ik ben gedoemd dat lot met anderen te delen
en denk, mijn god, wat is dat voor verraad?

Hij is gestorven, omdat wij zouden leven
maar daar wij nog ten onder gaan
zou ik er alles voor willen geven
als god eerlijk zei…’ik maak’t ongedaan’

Omdat jij het bent
Ja, ik weet het,
grote woorden zijn het,
liefde en trouw.
Dus als het niet om jou ging,
bleef ik wijselijk zwijgen misschien.

Want het leven is lang, hopen we,
en de dagen zijn zo verschillend als het weer.
En morgen zijn wij zelf anders dan vandaag,
mensen ooit volgroeid?
Dus als het niet om jou ging..

Maar het gaat om jou.
En ik weet,
ik lees het in je ogen,
dat jij me zult aanvaarden
met al wat in mij leeft en groeit,
en faalt misschien.

Ja, ik vermoed dat liefde in je woont,
te groot en te wijd voor woorden,
waarin ik thuis mag zijn
en waar ik mag terugkeren,
opdat met vallen en opstaan
ik mens mag worden
en jij je daarover in liefde kunt verheugen.

Daarom zeg ik “ja” vandaag.
En niemand meer dan jij weet
hoe ik dat bedoel.

in jouw ogen
Wie in een spiegel kijkt,
ziet zichzelf,
met ogen, huis en haar,
maar niet wat achter ogen ligt
en niet wat in hem zucht en zingt.
Ziet hij zichzelf?

Wie in een spiegel kijkt,
ziet die zichzelf?
Maar als ik in de spiegel van jouw ogen kijk,
zie ik – behalve jou –
mijzelf door jou aanvaard
zoals ik ben van binnen
door jou vermoed, bemind zoals ik ben
gezocht en gezegend.

In jouw ogen zie ik het antwoord
op mijn ongesproken vragen
een die genade vindt en vrede,
mijzelf,
van binnenuit weerspiegeld
in jouw ogen.

Vandaag en morgen
Ik zal je liefste zijn, sprak zij,
jouw naam geschreven in mijn hand,
mijn hart geen dagtocht zonder jou.
Ik zal je liefste zijn,
maar vraag en wil niet weten
of ik morgen zijn zal
wie ik ben of gisteren was.
Vraag niet dat ik van plastic word
van binnen.
Ik wil je graag beminnen
zoals ik ben en worden zal,
met al wat in mij zucht,
nog ooit mij overkomt.

Kom, sprak hij,
wees wie je worden zult
tot in lengte van jaren.
En elke nieuwe dag
zal eender en vertrouwd,
maar ook anders zijn.
Want leven zul je waar ik ben
en zingen zul je
wat je hart je ingeeft,
tot ook ik geworden ben
een mens van morgen,
anders dan ik was of ben.
Want liefde leeft,
en nieuw zijn al de dagen van ons leven.

Wonen
Hoe zal ons huis zijn,
opdat jij er vrede vindt?
Met deuren goudbeslagen,
voorzien van sloten
die een vreemde verre houden?
Granieten muren
en kostbaar hars in vaten,
van oude droomverhalen,
moet zo ons huis zijn om te kunnen wonen?

Of zal ik aan een houten tafel
het brood van vrede met je delen?
Zal ik rusten waar jij op me wachtte.
En onder een dak van eenvoud,
zal ik zeggen dat ik van je houd.

Jouw handen openen ramen
naar het licht van de morgen.
En deuren gaan open
naar wie er vriendschap willen delen.

Mag zo ons huis worden?
Wees gerust, de hemel zegent hen
die elkaar zegenen:
jouw huis, oase van vrede.

Luisteren
De liefde spreekt een ja-woord.
Maar zou het waar zijn
dat liefde meer luisteren is dan spreken?
Luisteren naar jouw ogen,
naar wat jouw hart mij zeggen wil,
met of zonder woorden?

Zou het waar zijn
dat jouw ja-woord om mijn stilte vraagt,
waarin het kan uitgolven tot een lied
diep in mij van binnen?

Ik luister met gesloten ogen
Laat mij de naklank van jouw woorden zijn,
ruimte waarin jouw woord gaat leven.

Zou het waar zijn
dat liefde meer luisteren is dan spreken?
ik lees het in je ogen.

Jij misschien
Hoe in mensen
liefde ontspringt,
weet geen wijze.
Zelfs geen kind weet
waar de huiver van liefde begint.

Geen wijze, geen kind,
alleen jij misschien
waarom een mens als ik
door jou wordt bemind.

Liefde, niet te bedenken,
maar wonder dat welt als verlangen
dat ik voor je zijn mag
al wat gelukkig maakt,
een leven lang
jouw morgenlicht en avondvrede.

Door de hemel aan mensen gegeven,
kleurt liefde hun wereld,
net warmte en licht,
wordt zij een lied
dat in blinkt in hun ogen.

Adem van liefde,
niet te bedenken,
maar een wonder
dat ruimte vindt
in wie wordt als een kind.

Vanwaar
Woorden bestormen de hemel vandaag
en roepen om zegen.
Maar grote woorden maken mij verlegen,
ware het niet dat in jouw ogen
warmte en zegen al zichtbaar gloeit.
En wat jouw doorstroomt,
raakt ook mij van binnen.
Vanwaar dit vreemd en wonderlijk gevoel
dat wij, ondanks ons zelf, elkaar beminnen?
Worden wij van hogerhand gezegend
met wat een mens verrassend overspoelt?
Maar dan zal ook, zo bidden wij,
de hemel aan ons blijvend schenken
wat ooit in ons is neergelegd
en wat aan liefde
in ons leeft en bloeit.
Zijn wil geschiede dus op aarde
dat wij, volkomen voor elkaar bevrijd,
in liefde blijvend vreugde vinden
en voor de hemelpsalmen van erkenning
en van vrede zingen.

als een blad van een boom valt
Als een blad van een boom valt
Kijkt niemand op of om
Een boom een blad ach wat
Een speelbal in de wind
Maar nu valt geen blad
Geen boom zelfs
Nee nu valt een kind

Als een bom op een dorp valt
Veert iedereen boos op
Om uitgebreid te melden
Wat hij ervan vindt
Nu valt een stilte
Geen bom valt
Nee nu valt een kind

Ach God hou me staande
Ach God anders val ik om
Zeg me God waar ik je vind
Ach God hij was drie maanden
Ach God hij huilde soms
Ach God ben jij dat kind

Sprakeloze mensen kijken
Zwijgend naar het kistje
Van spaanplaat met fineer
Dat schommelend wegzakt
In de betraande aarde
Een kind niet meer

Geen schuld treft hen
Maar ze zijn gedoemd
De moeder wankelt
De vader houdt zich groot
Hij denkt had ik
Mijn kind maar God genoemd
Dan had ik kunnen zeggen
God is dood.
Freek de Jonge

Tot de doden
Wij kunnen u niet meer bereiken,
wij komen een zintuig tekort,
wij leggen ons neer bij de feiten
dat gij minder en minder wordt.

De enkele keren dat ge
in dromen ons nog verschijnt,
wordt gij al ijler en ijler
tot ge voor altijd verdwijnt.

Straten houden uw namen
voor heden en morgen in stand,
maar onze kinderen brengen
ze niet meer met u in verband.

Het land ligt nog net als het toen lag
van polder tot polder te kijk;
de mensen die er in wonen
blijven zichzelve gelijk.

Maar éénmaal per jaar is de stilte
tot de hemel toe van u vervuld
en belijden wij zonder woorden
onze dankbaarheid, onze schuld.
Ed. Hoornik

Weten
Stil aan je bed te staan en geen woord weten te zeggen
verlegen zijn met onze eigen kans, gezondheid, geest en kracht
weten dat jij nog maar zo kort van het leven mag getuigen
dat je, je taak als mens bijna volwaardig hebt volbracht.

Stil aan je bed staan en zo veel gevoelens hebben
die niet naar buiten komen door een eenzaam groot verdriet
tranen die onverwacht langs je wangen glijden
van machteloosheid, pijn, je vindt de juiste woorden niet.

Stil naar je kijken en onze liefde voelen
je was zoveel voor ons en we hebben het nooit hardop gezegd
de pijn die we elkaar onnodig soms wel eens bezorgen
zijn we allang vergeten en ze zonder naklank weggelegd.

Stil aan je bed staan en alleen maar naar je kijken
verlegen zijn met eigen kans,
gezondheid, kracht en geest
weten dat jij straks niet meer in de volle zon zult zitten
maar dat je ons leven zonder jou nooit zonnig was geweest.

sterven is een manier van leven
Sterven is een manier van leven.
’t Is zich een laatste maal geven,
aan alles wat men bemint.
’t Is een laatste maal wenen,
om wat men droevig vindt.

Sterven is een manier van voelen.
’t Is het bevredigen van al het verlangen,
als de dood nader schrijdt,
en rond alles een nevel komt hangen,
dan schreidt men zonder spijt.

Leven is een manier van sterven.
’t Is een eindeloze wachten,
al die nachten,
dat de dood niet kwam,
dat ze niet nam.

Leven is een manier van voelen.
’t Is al de diepte ,al de pijn,
die men kan verwerven.
Moest ik nu sterven,
mijn laatste groot gevoel
zou vriendschap zijn.
Jetty Roels

Ook met de kinderen
Ook met de kinderen is het niet anders.
Als ze sterven houdt de dag niet in.
Geen grasspriet trilt om hun vervlogen leven.
Geen steen wordt minder steen om hun vergaan.
De tijd blijft op zijn laatste benen lopen
en dringt steeds dieper in de ruimte door.
Ook bloed wordt uit zijn kringloop weg gestoten,
het absolute nulpunt tegemoet.

Ook met de kinderen is het niet anders.
Zij hebben iets van kleine sterren weg
die doven eer hun kracht zich kan ontsluiten
en ergens licht zaaien in het heelal.
Maurits Mok

Mijn man
Ik ben nooit meer
naar zijn graf gegaan
Is dat schande? Nee
Ik voel het anders aan.

Ik weet zeker
dat ik hem niet vind
op dat kerkhof daar,
in de koude wind.

Maar wel voel ik
zijn aanwezigheid
waar we samen waren
in die oude tijd.

Dikwijls is het
of hij naast me gaat.
Of ‘k hem spreken kan,
vragen kan om raad.

‘k Vind dat hij het
dichtste bij me is,
als ik troost behoef
in mijn droevenis.

Maar is een dag eens
mooi en goed geweest,
juist dan mis ik hem,
mis ik hem het meest.
Willem Wilmink

Ik hoop maar dat het waar is
Mijn oma is gestorven;
ze was al heel erg oud.
Ze hebben haar begraven
en het lijkt me erg koud
om daar te moeten liggen
onder zo’n grote steen.
Mijn oma is gestorven,
nou ben ik écht alleen.

Ik kon fijn met haar praten,
ze had zoveel geduld.
Ze gaf, zoals zo vaak gebeurt,
me niet altijd de schuld.
Maar nou is ze begraven
en ik heb niemand meer.
Ik hoop maar dat het waar is,
dat van Onze Lieve Heer.
Frans Hoppenbrouwer

De hoop die ons doet leven
Wij bestaan niet
om zestig of tachtig jaar
hier te zwoegen
voor een betere wereld,
om daarna spoorloos
en naamloos te verdwijnen in de leegte.
Wij zijn bestemd voor
de levenschenkende ontmoeting met God
wij zijn op weg
naar een vaderhuis,
waar plaats is voor velen;
wij zijn aan het bouwen
aan een wereld
die onvergankelijk is;
wij zijn bestemd voor een rijk
dat voor ons bestemd is
vanaf de grondvesting
van de wereld.
Dat is de hoop
die ons doet leven.
Die hoop en dat geloof
roept ons hier tezamen:
De dood heeft niet
het laatste woord:
De liefde heeft
het laatste woord;
de dood is een tunnel.
Er is een óverkant!

Doen in dienst van het leven
Dat buurten saai zijn, grauw en koud,
geen plekken waar je leuk kunt spelen,
en dat er iemand van je houdt
die toch die plek met jou wil delen;
dat mensen, sterk en nog niet oud,
geen werk, geen baan meer kunnen krijgen
en dat ze vastbesloten zijn
zich toch niet dood te laten zwijgen:
zou dat de triomf van het leven niet zijn?
Dat mensen ziek zijn, meer en meer,
geen kans om ooit nog te genezen,
en dat ze zeggen, toch maar weer,
de dood kan niet het einde wezen;
dat duizend rampen dalen neer
en onze lieve aarde treffen
en dat er toch weer mensen zijn
om hen die vielen op te heffen:
zou dat de triomf van het leven niet zijn?
Adri Bosch

Stil worden om jou te herinneren
Stil word ik in mij zelf.
Jou wil ik voelen in mij.
Ik hoor nauwelijks het geschuifel
van de voeten.
Mensen zijn gekomen.
Van alle kanten.
Verbonden met jou waren ze.

Stiller word ik in mijzelf.
Verdoofd ben ik nog.
Niet te zeggen hoe ik mij voel.
Alles zo vreemd.
Ben ik dit wel zelf?
Zal het morgen niet gewoon een
andere dag zijn?
Alsof er niets gebeurde?

Zo anders stil word het in mij.
Jou herinner ik mij.
Jouw gezicht voor mij.
Je zou nog zo een woord kunnen spreken.

Zo anders stil word ik nu.
Jouw naam klinkt.
Een kaars wordt ontstoken.
Jij licht in mij.
Jij licht voor mij.
Jou wil ik mij te binnenbrengen.

Zo stil word ik nu…
Marius van den Berg

Er zijn momenten in je leven
Er zijn momenten in je leven,
die wilt delen met anderen.
Momenten van vreugde, verdriet, zorgen en
momenten van gewone alledaagse dingen.

Elke dag honderden mensen,
die je tegen het lijf loopt,
maar slechts een paar ervan
noem je vrienden.

Honderden mensen, die je nodig hebt,
om te leven, te werken,
om voor te kunnen werken.

Vrienden die je nodig hebt,
om mee te kunnen praten, te lachen,
die jouw idealen hebben,
mensen om jouw leven mee te delen.

Maar dan merk je dat er één is,
die meer voor je is, dan een gewone vriend.
Dat er één is, die meer voor je betekent,
dan wie ook.

Het is een gevoel
dat je niet kunt omschrijven.

Je weet dat het iets te maken heeft
met fijn kunnen praten,
samen aan je idealen kunnen werken.

Het heeft iets te maken met
eerlijk tegenover elkaar staan,
elkaar vertrouwen.
Jezelf kunnen zijn,
maar je voelt dat het meer is dan dat.
Je kunt elkaars goede kanten waarderen
en elkaars fouten accepteren.
Jouw idealen worden jullie idealen.
Jouw zorgen worden jullie zorgen.
Jouw geluk wordt jullie geluk.
Jouw leven wordt jullie leven.

Je weet dat je niet meer alleen staat…
Epicurus


Dood, om maar iemand te noemen,
hoeft ons geen angst aan te jagen:
zijn wij er, hij kan er niet zijn dan,
is hij er, ontbreekt het aan ons.
We sluiten elkaar prachtig uit.

Dit is, E. te A., slim bedacht
en het helpt – tot op heden – nog ook
om de angst voor het eigen weg moeten
in eigen hoofd te houden.
Er is dus al heel wat gewonnen.

Maar ook liefsten zijn sterveling;
niet zelden neemt Dood hun plaats in.
Heb je daar ook al wat op gevonden,
hoe ik dat geen ramp hoef te vinden?

Want je weet, doodgaan is pas echt erg
voor wie juist met z’n drieën nog was:
Dood, Wie-er-mee-moet en Blijver.

Voor Dood is het maar zichzelf.
Voor Wie-mee-moet is het maar doodgaan.
Maar Blijver is lang heel erg leeg.
Zijn wij er, Dood is er niet.
Is Dood er, ontbreekt het aan ons.
(Vrij naar Epicurus)
Anton Korteweg

IK zou GRAAG SLAPEN
Ik zou graag slapen deze nacht
Nu jij dood ligt, slapen,
slapen, slapen terzijde
van jouw volkomen slaap
om te zien of ik je zo
bereiken kan!

Slapen, een morgenstond in de avond
bron van de rivier, slapen;
twee dagen die samen opgaan
in het niets, twee stromen
die aan het eind samenvloeien;
twee eenheden alsof het één is
tweemaal niets alsof het niets is.

Ik zou zo graag je dood verslapen.

Juan Ramón Jiménez

SONORE CELLO’S
Nee, wij zijn niet aan het einde,
ons begin is nog innig-dichtbij,
wij zetten onze voettocht naar elkander
voort, en de nieuwe horizon is vrij.

Wij zullen vast elkander weer ontmoeten
in een spiegel: daarachter in het gras
zullen sonore cellotonen sproeien
en de spiegel zal niet zijn van glas.

Niet van glas maar van een weefsel
vert rouw d en onvervreemdbaar waar:
daarachter ligt een nieuw beleven
en de dood zal hangen aan een haar.

Is het dan mogelijk dat wij ons vergissen,
dat ons mooiste uur toevallig was,
zal een blinde worm dat uur wegknagen
en blijven er slechts scherven in het gras?

Nee, wij zullen vast elkander weer ontmoeten
als voorbestemde klanken in een rijm.
Sonore cellotonen zullen sproeien
over witte wouden van Oneindigheid.

Abraham Sutzkever

IN MEI

Toen ik bij dageraad door het woud wandelde,
in mei, vroeg ik me af waar jullie waren,
zielen van de doden. Waar zijn jullie, jonge
vermisten, waar zijn jullie,
de volledig veranderden?
In het bos heerste grote stilte,
en ik hoorde de groene bladeren dromen,
ik hoorde de droom van de schors waaruit boten,
schepen en zeilen zullen ontstaan.
Dan, langzaam, begonnen de vogels te herleven,
distelvinken, lijsters, merels, verborgen
op balkons van takken, elk in een andere taal,
elk met een andere stem, niets vragend,
zonder bitterheid of spijt.
En ik besefte dat jullie zang zijn,
onvatbaar als muziek, onbegrijpelijk
als muzieknoten, ver verwijderd van ons
zoals wij van onszelf.

Adam Zagajewski

Omslag

Nu deze eerste dag van een nieuw jaar,
nu zonder haar.
Strijklicht grijpt het bevroren land.
Het is niet waar dat zij daar in de diepte ligt,
dat zij is weggedaan in een besneeuwde stee
van een bij twee. Maar het is waar.
Wij slijpen haar in steen, wij kerven
in het hout haar naam, wij schrijven
tegen beter weten in haar taal; ik
spreek haar stiekem toe. IJdele onzin,
valse vlijt. Een plaats. En het besef dat zij
zich niet meer uitbreidt in mijn tijd.

Anna Enquist

Kind

Er was een lichte warmte boven zijn gezicht,
als van de aarde ’s avonds als de zon verdween.
En als de wind in een gordijn, ging licht
zijn adem in en uit zijn lippen heen…
Hij was het leven, zichtbaar bijna zonder schaal
en niets dan leven, tot de rand geschonken
en zonder smet of schaduw neergezonken
en opgestegen in de broze bokaal.
Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven
en hoe toeganklijk voor zijn eb en vloed…
Hoe licht en stil en schoon is met de dood
hij op het lege strand alleen gebleven.

M. Vasalis

Phoenix II

Vanavond, toen ik rustig op visite was,
Woorden, als bijen glinstrend over kruiden, zwermden,
schoot als een vogel uit het dichte gras,
dat hem verborgen had en hem beschermde,
een heimwee rechtstreeks naar omhoog
en met een kreet, die, dacht ik, iedereen kon horen.
En voor het eerst herkende ik wie er uit mij vloog
En wie mijn brand tot zijn hoog nest verkoren.
O kleine phoenix, die mij al te kort bezat,
ik zie de blauwe vuren van zijn ogen,
het lichte wegen op mijn hand, waarop hij zat
ik hoor zijn vleugels zingen, toen is hij opgevlogen…
Haast niet, schreeuw niet van pijn, o hand.
Schrijf door totdat de vingren zijn verbrand.

M. Vasalis

De val
We kruisten de Styx.
De veerman lag dronken in zijn schip.
Ik hield het roer en we zonken als stenen.
Water bestaat als de aarde
in lagen, transparante linten, glanzende strata
van steeds kleiner leven, minder warmte.
In je haren bloeiden luchtbellen,
de stroom trok je hoofd naar achter
en streelde je hals.
Stenen wuifden met armen van algen en varens,
zongen zachtjes gorgelend ‘vrede’.
Ze sneden je kleren los.
Vissen likten het bloed van je benen.
Ik hield je hand vast. Ik wilde je troosten
maar we vielen te snel en er zijn geen woorden
die zonder lucht bestaan, mijn liefde
bleef boven, blauwe ballonnen, bakens voor even,
de plaats markerend van het ongeluk
voordat ze verder dreven. Je mond ging open.
Je gezicht werd rood, je handen zochten
evenwicht, zochten mijn armen.
Je probeerde in me omhoog te klimmen.
Je was een glasblazer met een wolk van diamanten
aan zijn mond. Ik hield je vast als een katje.
Ik aaide je vingers.
Je liet niet los.
Je sliep en ik aaide je vingers, liet los.

Esther Jansma

REIS NAAR HET EINDE

1
Het is herfst nu, fruit ligt in het gras,
tijd voor de lange reis naar het einde.

De appels vallen als grote druppels dauw,
kneuzen zich een uitgang uit zichzelf.

En het is de tijd van heengaan, om zichzelf
vaarwel te zeggen, een uitgang te vinden
uit het gevallen ik.

2
Uw dood-schip, hebt ge het gebouwd? Zeker?
Bouw het, uw dood-schip, de tijd dringt.

De norse vorst nadert, wanneer alle appels
vallen, zwaar vallen op de hardere grond.

Dood is aanwezig als de geur van as.
Wordt ge hem gewaar?

En in het gekneusde lichaam krimpt
de angstige ziel, huivert in de kou
die door de openingen binnendringt.

3
Kan een mens zijn eigen stille dood zelf maken
eenvoudig met een priem ?

Met dolken, priemen, kogels, kan hij
kwetsen en een uitgang voor zijn leven maken;
maar is dat het stille einde, zeg mij, is dat het stille einde?

Neen. Want hoe kunnen doodslag, zelfs zelfdoding
ooit een eigen stil einde brengen ?

4
Laat ons spreken van de stilte die we kennen,
die we begrijpen, de diepe en lieve stilte
van vrede in een sterk hart.

Hoe maken we dit, ons eigen stil einde?

5
Bouw uw dood-schip, uw langste reis
vangt aan, naar het einde.

En sterf de dood, de lange pijnlijke dood
die ligt tussen het oude ik en het nieuwe.

Onze lichamen zijn reeds gevallen, gekneusd,
onze zielen glijden reeds weg door de opening
van de wonde.

De donkere en éindeloze oceaan van het einde
Stroomt in ons lichaam door de bressen van onze wonden,
de vloed dreigt.

Bouw uw dood-schip, uw kleine ark,
voorzie het van voedsel en wijn
voor de donkere vlucht naar het einde.

6
Langzaam sterft het lichaam, en de beschroomde ziel
heeft geen steun meer in de stroming
nu de zwarte vloed stijgt.

We sterven, allen gaan we dood
en niets houdt de rijzende vloed in ons tegen,
nog even en hij stijgt over de wereld,
over de wereld daar, buiten ons.

We sterven, langzaam sterven onze lichamen
onze kracht ebt weg,
en onze ziel krimpt ineen
onder de zwarte regen over de vloed,
angstig klampt ze zich vast aan de laatste takken
van de boom van ons leven.

7
We gaan dood, al wat overblijft is
gewillig zijn en het dood-schip bouwen
dat de ziel zal dragen tijdens de langste reis.

Een bescheiden schip, met roeispanen en voedsel
met schoteltjes en de nodige kledij
passend en klaar voor de ziel die heengaat.

Laat uw klein schip te water
nu het lichaam sterft en het leven wegglijdt;
ga nu, de fragiele ziel in het fragiele
moedige schip, de ark van het geloof,
met zijn voorraad voedsel en kookgerei
en nieuwe kleren,
op de zwarte leegheid van de vloed
op de wateren van het einde
op de zee van de dood waar we varen,
blind, want een roer hebben we niet,
en geen thuishaven.

Er is geen thuishaven, we kunnen nergens heen,
niets dan het altijd dieper wordend zwart
over deze geluidloze stroom,
donker op donker, boven en onder
en opzij, volledige duisternis :
welke koers we volgen weten we niet.
En het scheepje is er nog, en toch is het verdwenen.
Het is onzichtbaar, want om te zien bestaat er niets meer.
Het is verdwenen. En toch
ergens is het aanwezig.
Nergens.

8
En alles is verdwenen, het lichaam verdwenen,
ten onder gegaan, alles.
De zwarte bovenlaag weegt op de zwarte onderlaag;
daartussen is het scheepje
verdwenen,
het bestaat niet meer.

Dit is het einde, alle herinnering is verdwenen.

9
En toch, uit de eeuwigheid maakt een draad
zich los, op de duisternis
een horizontale draad,
op het zwart een bleke klaarte.
Illusie? of hangt de schemering
hoger?
Wacht, wacht, het is dageraad,
de pijnlijke dageraad: het herleven
uit de dood.

Wacht, het scheepje
drijft mee onder de asgrijze lucht
van deze dageraad over de stroom.

Wacht, er rijst onmiskenbaar een gele gloed
en, vreemd, een roze schemering.

Een roze schemering, en alles begint opnieuw.

10
De vloed zinkt, en het lichaam
als een gesleten zeeschelp
herrijst, mooi en vreemd.
En het scheepje, als op vleugels, drijft naar zijn tehuis,
onzeker, verdwalend soms,
op de roze stroom,
en de broze ziel bewoont haar huis opnieuw
en brengt het hart vrede.

Ze haalt het in vrede hernieuwde hart
uit het niets terug.

Bouw uw dood-schip, bouw het,
het is dringend.
Want ook U wacht de reis naar het einde.

David Herbert Lawrence
Als paarden

Als paarden sterven-snuiven ze,
Als grassen sterven -verdrogen ze,
Als zonnen sterven -doven ze uit,
Als mensen sterven-zingen ze liederen.

Velimir Chlebnikov

DE PROFUNDIS

Er is een stoppelveld waarin een zwarte regen valt.
Er is een bruine boom die er eenzaam staat.
Er is een lispelwind die om lege hutten draait.
Hoe treurig deze avond.

Voorbij het gehucht
Raapt de goedige wees nog schaarse aren.
Haar ogen kijken zich uit en goudachtig in de schemer
En haar schoot verwacht de hemelse bruidegom.

Bij de terugkeer
Vonden de herders het zoete lijf
Vergaan in de doornstruik.

Een schaduw ben ik ver van duistere dorpen.
Gods zwijgen
Dronk ik uit de bron van het woud.

Op mijn voorhoofd komt koud metaal
Spinnen zoeken mijn hart.
Er is een licht dat mijn mond uitdooft.

‘s Nachts vond ik mij op een heide,
Vol vuil en stof der sterren.
In het hazelaarsbos
Klonken weer kristallen engelen.

Georg Trakl
ALLES WAT DOOD IS,IS WONDERBAAR
De maan, achter het meer tot staan gekomen,
Doet denken aan een raam dat open staat
In een verlicht, stil huis, des avonds laat,
Waar ’t lot een nare wending heeft genomen.
Ging daar de eigenaar zo-even dood,
Of nam zijn v rouw soms met haar lief de benen,
Of is het kleine dochtertje verdwenen,
En vonden ze haar schoentje bij de sloot. ..
We kunnen het niet zien vanaf de aarde,
Maar delen zwijgend in de droefenis.
De uilen krijsen luid een dodenmis,
Een zoele wind raast heftig in de gaarde.

Anna Achmatova

Wanneer de lente komt

Wanneer de lente komt,
En als ik dan al dood ben,
Zullen de bloemen net zo bloeien
En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.
De werkelijkheid heeft mij niet nodig.
Ik voel een enorme vreugde
Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is.
Als ik wist dat ik morgen zou sterven
En het was overmorgen lente,
Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was.
Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd ?
Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zo als het moet zijn;
Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield.
Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden,
Want alles is werkelijk en alles is zo als het moet zijn.
Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil.
Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen.
Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben.
Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal zijn dat wat het is.

Fernando Pessoa

ZWARTE STEEN OP EEN WITTE STEEN

‘Ik zal sterven in Parijs bij striemende regen,
op een dag die ik me nu al herinner.
Ik zal sterven in Parijs – en ik heb geen haast –
wellicht een donderdag, zoals vandaag, in de herfst.

Een donderdag, omdat vandaag, donderdag, terwijl ik
deze regels opschrijf, mijn vingers weerspanniger zijn
dan ooit en ik vandaag, zoals nog nooit voordien,
omkijk en mezelf met heel mijn weg alleen vind.

César Vallejo is dood. Ze mishandelden hem,
allemaal, zonder dat hij hen wat gedaan had;
ze sloegen op hem met knuppels en ook

met een riem. Getuigen daarvan zijn
de donderdagen, de stroeve vingers,
de eenzaamheid, de regen, de wegen…’

César Vallejo

EENZAAMHEID

Ik zou mijn hart zó
het dak op kunnen gooien :
het rolde dan
ongezien weg.
Ik zou mijn pijn
kunnen uitschreeuwen
tot mijn lijf zou breken :
dat zou dan verglijden
in de stroom van de rivier.
Ik zou op het platte dak
de zwarte dans van de dood
kunnen dansen:
de wind zou mijn dans
meevoeren.
Gaf ik de vlam in mijn borst vrij spel,
dan kon ik die
laten tollen
als een dwaallicht:
de straatlantaarns
zouden hem doven.

Alfonsina Storni

MIJN LEVENDE DODE

In mijn verdriet niets dat beweegt
Ik wacht en geen mens komt
Overdag noch I s nachts
En ook nooit meer wat ik zelf was

Mijn ogen zijn gescheiden van jouw ogen
Zij raken hun vert rouw en raken hun licht kwijt
Mijn mond is gescheiden van jouw mond
Mijn mond is gescheiden van het plezier
En van de zin in de liefde en de zin in het leven
Mijn handen zijn gescheiden van jouw handen
Mijn handen laten alles los
Mijn voeten zijn gescheiden van jouw voeten
Zij verzetten geen stap er zijn geen wegen meer
Zij kennen mijn gewicht niet meer noch de rust

Ik kan mijn leven een einde zien nemen
Samen met het jouwe
Mijn leven in jouw kracht
Die ik oneindig dacht

En de toekomst mijn enige hoop is mijn graf
Net als het jouwe omringd door een onverschillige wereld

Ik was je zo na dat ik het koud heb bij de anderen.

Paul Éluard

DE KEUKEN

De keuken is zo stil
Een restje kille regen
Maakt van de rust een zegen
Die zondag in april.
De lente leunt naar binnen,
Lacht als zij in de kast
Die glanst zoals het past
Haar spiegelbeeld ziet glimmen.
De stoelen staan verlegen
De tafel slaapt weer in
De kroppen sla gaan wegen
De dauw hangt er nog in.
En amper opgeschrikt
Door ’t klokje, stille hoeder,
Hoor je het hart van moeder
Dat in de kamer tikt.

Maurice Carême

MISSCHIEN
een begrafenislied

Misschien ben je echt moe van het huilen,
misschien wil je even slapen -misschien –
laat dan de uil niet krassen,
kikvorsen niet kwaken,
vleermuizen niet vliegen.

Het zonlicht mag je wimpers niet beroeren,
de koele wind mag niet langs je voorhoofd strijken,
niemand mag jou wakker maken.
Laat een parasol van dennenloof je
beschutten terwijl je slaapt.

Misschien hoor je de wormen de aarde omwoelen,
wortels van jong gras water opzuigen,
misschien zijn zulke klanken voor jou
mooier dan vloekende mensenstemmen.

Knijp nu je ogen stijf toe,
dan zal ik je laten slapen, ik laatje slapen;
ik zal je zachtjes met gele aarde toedekken
en geld van papier laten neerdwarrelen.

Wen Yiduo

WOESTENIJ
Buiten ons sterven de dingen.

Uit de nacht hoor je waar je ook gaat een fluistering
Bijna komen uit de straten die je niet betrad,
Uit de huizen die je niet binnenging,
Uit de ramen die je niet opende,
Uit de rivieren die je niet naderde in dorst,
Uit de schepen die je niet bevoer,
Buiten ons sterven de bomen die we niet leerden kennen.
De wind gaat door kaalgeslagen bossen.

Buiten ons sterven de bomen die we niet leerden kennen.

De wind gaat door de kaalgeslagen bossen.
De dieren sterven uit naamloosheid, en uit stilte de vogels.

De lichamen sterven gaandeweg uit verlatenheid.
Samen met onze oude kleren in de linnenkast.
De handen sterven die we niet aanraakten, uit eenzaamheid.
De dromen, die we niet zagen, uit gebrek aan licht.

Buiten ons begint de woestenij van de dood.

Y. Themelis

HET HUIS VAN DE VERLOREN TIJD

Ik klopte op de poort van de verloren tijd, niemand deed open.
Ik klopte een tweede keer en nog een keer en nogmaals.
Geen antwoord.
Het huis van de verloren tijd is voor de helft bedekt
met klimop; de andere helft is as.

Een huis waar niemand woont, en ik maar kloppen en maar roepen
om het verdriet van roepen zonder iemand die mij hoort.
Alleen maar kloppen. De echo weerkaatst
mijn aandrift deze ijspaleizen op een kier te zetten.
Dag en nacht versmelten in het wachten,
in het kloppen en kloppen.

De verloren tijd bestaat waarschijnlijk niet.
Ze is het lege en verdoemde herenhuis.

Carlos Drummond de Andrade

SNEEUW

in memoriam Hans Henny Jahnn

De sneeuw jaagt,
het grote sleepnet van de hemel,
het zal de doden niet vangen.

Nu heeft de sneeuw zich
weer bedacht.
Hij stuift van tak tot tak.

De blauwe schaduwen
van vossen loeren
vanuit de hinderlaag. Ze ruiken

de witte
keel van de eenzaamheid.

Peter Huchel

HET HUIS EN DE HANDEN

Twee handen waren als een huis.
Ze zeiden :
trek bij mij in.
Geen regen, geen vorst, geen angst.
Ik heb in dat huis gewoond
zonder regen, zonder vorst, zonder angst
tot de tijd het af kwam breken.

Nu zwerf ik weer langs de wegen.
Mijn jas is dun. Er is sneeuw
op komst.

Rolf Jacobsen

De dood zal komen

De dood zal komen en jouw ogen hebben –
deze dood die altijd bij ons is
van de ochtend tot de avond, wakend,
doof, als een oud gevoel van spijt,
of een dwaze ondeugd. En jouw ogen
zullen een ijdel woord zijn,
een verzwegen schreeuw, een stilte.
Zo zie je ze elke ochtend
als je je naar jezelf toebuigt
in de spiegel. O dierbare hoop,
die dag zullen ook wij weten
datje het leven bent en het niets.

Voor iedereen heeft de dood een blik.
De dood zal komen en jouw ogen hebben.
Het zal zijn als het stoppen met een ondeugd,
als in de spiegel een dood gezicht
opnieuw te zien verschijnen,
als luisteren naar gesloten lippen.
Stom zullen we afdalen in de stroom.

Cesare Pavese

WIJ ZIJN MAAR EEN AKKOORD IN HET CONCERT

Ga in die nacht niet al te licht
Ga in die goede nacht niet al te licht.
De oude dag moet laaien en weerstaan;
Raas, raas tegen het sterven van het licht.

De wijze, die eens voor het duister zwicht,
Omdat zijn woord geen bliksemstraal kon slaan,
Gaat in die goede nacht niet al te licht.

De goede, na de laatste golf, wellicht
Trok hem een groene baai tot dansen aan,
Raast, raast tegen het sterven van het licht.

De woeste, die zong van de zonneschicht,
Tot ook hij leerde treuren om haar baan,
Gaat in die goede nacht niet al te licht.

De sombere, die met doods verblind gezicht
Ogen als meteoren op ziet gaan,
Raast, raast tegen het sterven van het licht.

En jij, mijn vader, die daar droevig ligt,
Vloek, zegen, mij met een verbeten traan.
Ga in die goede nacht niet al te licht.
Raas, raas tegen het sterven van het licht.

Dylan Thomas

HET KLEINE PLEIN

Mijn leven had de vorm genomen van dat kleine plein
In die herfst waarin je dood meticuleus werd uitgezet
Ik klampte me aan dat plein jij hield van
De bescheiden en weemoedige menselijkheid van kleine winkels
Waar bedienden garen band en stoffen vouwen en ontvouwen
Ik probeerde jou te worden omdat jij sterven ging
En heel mijn leven hield daar op van mij te zijn
Ik probeerde te lachen zoals jij lachte
Tegen de krantenventer en de sigarenman
En de v rouw zonder benen die viooltjes verkocht
Ik vroeg de v rouw zonder benen voor jou te bidden
Ik brandde kaarsen op alle altaren
Van alle kerken op dit plein
Want nauwelijks gingen mijn ogen open of ik las
De aanleg voor de eeuwigheid op je gezicht geschreven
Ik deed een beroep op straten plaatsen mensen
Die ooit je gezicht hadden gezien
Om je te roepen om het weefsel te ontrafelen
Dat de dood in jou vervlocht

Sophia de Mello Breyner

FUGA VAN DE DOOD

Zwarte melk van de vroegte we drinken haar ’s avonds
we drinken haar ’s middags en ’s morgens we drinken haar ’s nachts
we drinken en drinken
we graven een graf in de lucht daar ligt men niet krap
Er woont een man in dit huis hij speelt met de slangen hij schrijft
hij schrijft als het schemert aan Duitsland je goudblonde haar Margarete
hij schrijft het en komt uit z’n huis en de sterren beginnen te flonkeren
hij fluit z’n honden naar buiten
hij fluit z’n joden naar voren beveelt ze een graf in de aarde te graven
hij beveelt ons speel dat de dans kan beginnen

Zwarte melk van de vroegte we drinken je ’s nachts
we drinken je ’s morgens en ’s middags we drinken je ’s avonds
we drinken en drinken
Er woont een man in dit huis hij speelt met de slangen hij schrijft
hij schrijft als het schemert aan Duitsland je goudblonde haar Margarete
Je asgrauwe haar Sulamith we graven een graf in de lucht daar ligt men niet krap

Hij roept steek dieper de grond in jullie hier jullie daar zing en speel
hij rukt aan het staal van z’n riem hij zwaait het z’n ogen zijn blauw
steek dieper d.e spaden blijf spelen opdat men zal dansen
Zwarte melk van de vroegte we drinken je ’s nachts
we drinken je ’s middags en ’s morgens we drinken je ’s avonds
we drinken en drinken
er woont een man in dit huis je goudblonde haar Margarete
je asgrauwe haar Sulamith hij speelt met de slangen
Hij roept speel de dood eens wat zoeter de dood is een meester uit Duitsland
hij roept strijk de violen wat triester dan stijg je als rook naar de hemel
dan krijg je een graf in de wolken daar ligt men niet krap

Zwarte melk van de vroegte we drinken je ’s nachts
we drinken je ’s middags de dood is een meester uit Duitsland
we drinken je ’s avonds en ’s morgens we drinken en drinken
de dood is een meester uit Duitsland en blauw zijn z’n ogen
hij raakt je met kogels van lood hij staat daar onbewogen
er woont een man in dit huis je goudblonde haar Margarete
hij hitst z’n bloedhonden tegen ons op hij schenkt ons een graf in de lucht
hij speelt met de slangen en droomt dat de dood is een meester uit Duitsland

je goudblonde haar Margarete
je asgrauwe haar Sulamith

Paul Celan

WAARVAN HIJ GEMAAKT IS

Mijn dood is van geldstukken gemaakt
en van papiergeld

Mijn dood is van wegen gemaakt
naar school en naar het werk

Mijn dood is van een prikklok gemaakt
en van plichten

Mijn dood is van kranten gemaakt
en van agenten

van sigaretten en jenever
van suiker en brood en boter

van liefde van geluk en van ongeluk
van woede en geduld

Mijn dood is van mijn ouders gemaakt
en van mijn kinderen

van mijn mislukken
en van mijn slagen

van mijn horigheid
en van mijn vrijheid

van mijn gezelschap
en van mijn alleen zijn

van mijn ongeloof
en van mijn geloof

van mijn hoop
en van mijn teleurstelling

van mijn denken
en van mijn vergeten

Mijn dood is van mijn geslacht gemaakt
en van mijn hart

Mijn dood is van mijn nachten gemaakt
en van mijn dagen

Van mijn leven
en van jullie leven en sterven

Erich Fried

OP HET SOMS BEWOONDE EILAND

Op het soms bewoonde eiland dat we zijn, zijn er avonden, nachten
en ochtenden waarop we niet hoeven te sterven.
Dan weten we alles wat was en zal zijn.
De wereld is definitief verklaard en er welt een grote rust in ons op,
en voor alles is een woord.
We pakken een handvol aarde en drukken de aarde samen.
Zachtjes.
Daarin zit de hele verdraaglijke waarheid gevat: de omtrek, de wil
en de begrenzing.
Dan kunnen we zeggen dat we vrij zijn, met de vredigheid en
de glimlach van iemand die zichzelf herkent en onvermoeibaar
de hele wereld is rondgereisd, omdat hij in de ziel heeft gebeten
tot op het bot.
Laten we langzaam de aarde bevrijden waar wonderen gebeuren zoals
het water, het steen en de wortel.
leder van ons is voorlopig het leven.
Daar hebben we genoeg aan.

José Saramago

DROEFENISSEN

Drie grote droefenissen kent deze wereld
Drie droefenissen zo groot en niemand weet
Hoe deze grote droefenissen te ontwijken

De eerste droefenis Ik weet niet waar ik doodga
De tweede droefenis Ik weet niet wanneer
En de laatste Ik weet niet waar ik aan gene zijde beland

Zo hoorde ik het in een lied Laat maar zo
Laat maar zoals het lied het zingt Durf
De huiver als een deurknop te pakken en binnengaan

Jan Skácel

RETOURBAGAGE

De afdeling kleine graven op het kerkhof.
Wij die lang leven lopen deze stil voorbij,
zoals rijken de armenbuurt voorbijlopen.

Hier liggen ze, Zosia, Jacek en Dominik,
vroegtijdig aan de zon, de maan ontnomen,
aan de rondgang van het jaar, de wolken.

In hun retourbagage hebben ze niet veel verzameld.
Flarden van uitzichten,
in een niet al te menigvuldig meervoud.
Een handvol lucht met een vlinder die voorbijvliegt.
Een lepeltje bittere kennis, met de smaak van medicijn.

Kleine ongehoorzaamheden,
waarvan er eentje dodelijk was.
Een vrolijke ren de bal achterna, over de weg.
Het geluk van glijden op nog breekbaar ijs.

Hij hier en zij ernaast, en de hele rij:
voor ze bij de deurknop konden komen,
een horloge kapot maken,
hun eerste ruitje breken.

Malgorzatka: vier jaar,
waarvan twee liggend en kijkend naar het plafond.

Rafaël: een maand later zou hij vijf zijn geworden,
en Zuzia : vlak voor de kerstdagen
met hun waas van adem in de vorst.

Maar wat kun je dan zeggen over één dag leven,
één minuut, seconde:
donker, dan een lampflits en weer donker?
KOSMOS MAKRÓS
CHRONOS PARÁDOKSOS
Alleen het stenen Grieks heeft hiervoor woorden.

Wislawa Szymborska

DE WINTER STAAT STIL

Schrijf de winter staat stil, lees een dag zonder dood
spel de sneeuw als een kind, smelt de tijd
als een klok die zich spiegelt in ijs

het is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men schrijft
in een klok die niet loopt, in het vlees
dat bestaat als sneeuw voor de zon

en schrijf hoe haar lichaam bestond en zich boog
gelenigd in vlees en keek achterom
in het oog van vandaag, en lees wat hier staat

de zon op de sneeuw, het kind in de slee
het dichtgewaaid spoor, de onleesbare dood –

Gerrit Kouwenaar

VOOR VADER

o vader wij zijn samen geweest
in de langzame trein zonder bloemen
die de nacht als een handschoen aan –
en uittrekt wij zijn samen geweest
vader terwijl het donker ons dichtsloeg.

waar ben je nu op een klein ritje
in de vrolijke bries van een groene auto
of legde de dag haar handschoen
niet op een tafel waar schemering en
zachte genezing zeker zijn in de toekomst.

mijn lippen mijn tedere lippen dicht.

16 juli 1950
Hans Lodeizen

Dona Luz

1
Heb zopas mijn allang gestorven moeder opgegraven. En
wat ik opgroef was een kist vol rozen, vers en geurig, als
kwamen ze uit kassen.
Wat is dit alles vreemd!

17
Je zult regenen bij regenweer,
je zult warmte geven ’s zomers,
je zult koelte zenden ’s avonds.
Je zult nóg sterven duizend maal.

Je zult bloeien in de bloeimaand.
Je bent niets, niemand, moeder.

Van ons zal blijven een zelfde spoor,
een zaadje van wind in het water,
het skelet van bladeren op de aarde.
Over de rotsen, tatoeage van schaduwen.
In het hart van de bomen het woord liefde.

We zijn niets, niemand, moeder.
Leven is nutteloos
maar nog nuttelozer is sterven.

Jaime Sabine s

DE DOOD VAN EEN ZOON
gestorven in een inrichting voor geesteszieken, één jaar oud

Iets heeft opgehouden bij mij te blijven,
iets als een persoon, iets dat daar veel op leek.
Toch was er geen adeldom in
of iets dergelijks.

Er was iets als een huis, gebouwd een jaar
geleden, stom als steen. Terwijl de gebouwen ernaast
zongen als vogels en lachten
omdat zij met de stilte

een dwingende afspraak hadden. Maar hij
zong niet en lachte niet. Hij zegende de stilte niet
als brood, met woorden.
Hij brak de stilte niet.

Eigenlijk, als een huis in rouw , keerde hij zijn
oog naar binnen om op de stilte te letten terwijl
de andere huizen als vogels
zongen om hem heen.

En de ademende stilte bewoog niet,
maar was ook niet stil.

Ik heb hardsteen gezien, ik heb baksteen gezien,
maar dit huis was niet van hardsteen of baksteen,
het was een huis van vlees en bloed
met vlees van hardsteen

en bloed als baksteen. Een huis
van steen en bloed, met adem van stilte, en de andere
vogels waanzinnig zingend op zijn schoorsteen.
Maar dit was stilte,

dit was iets anders, dit was iets
luisterend en sprekend, hoewel het een huis was, gehuld
in stilte, er was
iets godsdienstigs in zijn stilte,

iets dat glansde in zijn rust.
Dit was iets anders, dit was iets volstrekt anders;
hoewel hij nooit sprak, had
dit iets van doen met de dood.

En toen hield het oog langzaam op naar binnen
te kijken. De stilte rees en viel stil.
De blik keerde zich naar buiten en keek,
de vogels kwetterend om hem heen.
En alsof hij kon spreken

keerde hij zich om op zijn zijde met zijn ene jaar
rood als een wond,
hij keerde zich om alsof hij er zich voor schaamde,
en uit zijn ogen rolden twee grote tranen, als stenen,
en hij stierf.

Jon Silkin

DROMEN DROMEN
Ik droomde dat je thuis was lief
je kwam licht uit de auto, ik sliep,
ik hoorde vogels, rook seringen,
jij draaide aan de knop van de radio
die aan mijn hoofdeind stond.
Uit elk station kwamen verwonderlijk
belangwekkende fragmenten.
Ik droomde ook dat ik gedroomd had
dat ik in de keuken stond
en dat het aanrecht in stukken brak –
marmeren brokken. Ik nam in elke hand
een scherf want dacht ik, misschien
is”dit een droom, en bracht mijn handen
langzaam bij elkaar, om het marmer
te horen ketsen, maar het ketste niet.
Ik vond het prettig datje thuis was
kon je de droom vertellen. Ja zei jij,
ja dat doet een droom, je voelt iets in je hand
dat er niet is, dat is bekend.
Toen ging de telefoon. Zo heerlijk, dacht ik
dat jij thuis bent, ik slaap nog even door.
.Jij neemt wel op. Ik hoorde je spreken.
Hij rinkelde en rinkelde totdat ik wakker werd
en rende. Verdriet om sterven is bekend
verdriet van scheiden niet geacht. En
doden weten niet hoe ze ontbreken.

Judith Herzberg

TIJD
Tijd -het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen

het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd

te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd

we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind

Rutger Kopland

O DUISTER DAT MIJ KOMT VERFRISSEN

Morgen, zodra het gloort
Ik weet dat jij daar op mij wacht. Dus zal ik gaan,
Morgen, zodra het gloort, zodra de velden lichten.
Hier blijven kan ik niet, zo ver bij jou vandaan.
Door ’t bos, over de berg, zal ik mijn schreden richten.
Ik zie niets om mij heen, ik hoor ook geen gedruis,
Ik loop maar en heb enkeloog voor mijn gedachten,
Triest en gekromd, de handen op de rug gekruist,
Alleen, geen die mij kent, mijn dagen zijn als nachten.
Ik zie het avondgoud dat neerdaalt zelfs niet meer,
Ook niet de zeilen ginds die op Harfleur afglijden-
En als ik bij haar graf kom, leg ik voor haar neer
Een tuiltje groene hulst met wat bloeiende heide.

Victor Hugo

RAAM

Eén van de kleine dingen te zijn
een druppel water

of in de nachtelijke keuken
een kikkererwt op tafel zijn

over de grond te gaan
ongebonden en donker
als een draad losgeraakt van de klos

maar niet te sterven van vermoeidheid en verlangen
vlak voor het licht van het raam
als een bij gedwarsboomd door het glas

Homero Aridjis

DE DODEN

De doden kijken altijd op ons neer, zegt men,
terwijl wij onze schoenen aantrekken of een broodje smeren,
zij kijken neer door de glasbodemboten van de hemel
wanneer ze zichzelf langzaam door de eeuwigheid roeien.

Zij kijken naar onze kruinen die beneden op aarde bewegen,
en liggen wij neer in een veld of op een bank,
misschien bedwelmd door het gezoem van een warme namiddag,
dan denken zij dat wij terugkijken naar hen,

waardoor zij de riemen lichten en stilvallen
en wachten, zoals ouders, op ons om onze ogen te sluiten.

Billy Collins

EEN BOOM OP DE HEUVEL

Laat ik nooit vergeten, dat er
een boom op de heuvel staat –
ergens, ver weg,
waar dan ook-een boom zonder naam,
bevriend met de komende avonden.
Een boom op de heuvel.
Die zal me eraan herinneren
hoe wakkere ogen zwerven in het gras,
hoe in de diepten van de dakloze nacht
de stemmen van de krekels aanzwellen.
Een boom op de heuvel.
Dat hij van me zal houden
en me nooit zal vergeten.
Hij is naamloos, ik zal hem
geduld en groene stilte noemen.
Een boom-zulk een ranke
belichaming van mijn gedachte! –
staat op de heuvel, verenigd met de wolken,
luisterend naar de duistere sprookjes,
die de wind hem toefluistert.

Ivan Tzanev

SUMMA SUMMARUM

De eikenbladeren bij de begraafplaats
Fluisteren profetisch

En de gerstekorrels komen tot rijping
Als toneelspelers die
Voor de honderdste keer in dezelfde rol
Voor het voetlicht treden.

Maar verhef niet je vaderland tot in de hemel.
Verheffen moet het jou.

Vanaf deze wolk bekeken
Zijn al die akkers en velden
Een album vol postzegels

Maar een mier ziet een kringetje rook
Opstijgend van je sigaret
Als een landschap zonder einde.

Dreig nu niet langer
Dit stuk land zonder geschiedenis
Dat je slechts, maar dan voorgoed,
Terug zult keren als een bronzen beeld.

Voordat je vertrekt:
Streel de schors van deze bomen
Die jou zonder betaling leerden
Zo fier rechtop te blijven staan.

Morko Vesovic

IN DE BERGEN

Witte rotsen steken uit de beek,
Door kilte zijn de rode blaren schaars.
Het bergpad -toch valt er geen regen:
Het hemelblauw doorweekt je kleren.

Wang Wei
OP DE WIJZE VAN EEN UITGEKNIPTE PRUNUS

De rode lotus geurt niet meer, de jade mat werd herfst –
Ik leg mijn zijden mantel af
En ga alleen de loopplank op.
Wie zendt vanuit de wolken een brokaten brief aan mij?
Wanneer de ganzen zuidwaarts trekken
Vervult de maan de westelijke toren.

De bloemen zijn vanzelf verstrooid, het water blijft maar stromen –
Een en hetzelfde verlangen,
IJdele smart in twee plaatsen.
Ik zou niet weten hoe ik dit verdriet kan laten slijten –
Pas daalt het van mijn voorhoofd,
Of stijgt weer in mijn hart!

Li Qingzhao

’S NACHTS KRASSEN DE RAVEN

Grauwe wolken boven de stad.
Op zoek naar een roest
strijken de raven neer
en krassen tussen de takken.
Op haar getouw weeft zij brokaat
zoals de v rouw van Lin-chuan.
Achter het gordijn van groene tule
spreekt zij in zichzelf.
Ze laat de schietspoel zinken
en denkt aan haar man.
Het is leeg in de kamer,
haar tranen vallen met de regen.

Li bo

Allerzielen
De waterkant die zij verdichtte,
ligt zacht na al die jaren.
Nog altijd fluistert daar het riet
wat ons zal wedervaren.
De oeverrand, de overwal,
het zachtgekleurde land.
Het zwijgend veld, de horizon,
verstilde waterkant.
De wind roept het de halmen toe
ginds van de overzijde;
verdrijft met zachte bries de waas
boven de groene weide.
Haar hand die naar de mijne reikt,
terwijl we samen zwijgen,
trekt mij stil van de waterkant
ginds naar de overzijde.
Andreas Inderwisch dec. 2003
in antwoord op een gedicht van Ida Gerhardt

Zo zal het zijn

Doof nu het licht en sluit je ogen
en vergeet de strijd
jouw leven hier is omgevlogen,
maar je liefde blijft.
En waar jij gaat
zijn zon en maan gelijk,
de kleinste bloem
is daar als de hoogste eik
en alle koningen en kinderen
zijn daar gelijk.
Laat nu die laatste droom maar komen
en wees niet meer bang,
jouw nacht van vrede is gekomen
na een leven “lang”.
En waar jij gaat daar is geen haat of pijn,
het heetste vuur
wordt dat als van een kaars zo klein,
zoals de zon schijnt na de regen,
zo zal het zijn.
En waar jij gaat .daar zullen vriend en vijand
samen gaan,
wat stof is zal tot stof vergaan
en elke storm komt weer tot rust daar,
zo zal het gaan.
En waar jij gaat laat ik mijn hart en ziel
met jou meegaan,
jouw taak op aarde is voldaan,
zoals je was in alle liefde,
zo zal je gaan.

iets beters dan woorden of klanken.
Zoek mij in de mensen die ik
gekend en lief gehad heb”.
“Nacht van droom en van verlangen
draagt het schemerlicht ternauwernood.
Onuitwisbaar groeit verlossing
in de barensweeën van de tijd.
Onmiskenbaar moe gedragen
wijkt het duister voor het volle licht”.
De dood
Voor James Brockway

Die lompe gast zal jou niet overslaan.
Nooit belt hij op en vraagt: “kom ik gelegen?”
Hij komt te vroeg, te laat, zijn zeis stoot tegen
Je lamp of vaas. Hij laat zijn koffie staan.

Beloftes worden niet door hem gedaan
En hij zal nooit die knekelvoeten vegen.
Hij wil niet schaken. Er wordt stuurs gezwegen
Tot hij je vraagt om met hem mee te gaan.

Dat was het dan. Je bent opeens zo moe.
Hij zegt: “je wist toch dat ik ooit zou komen.
Die lamp, die vaas, doen er niet meer toe.

Kijk niet zo bang. Het sterven doet geen pijn.
Het zal een slapen, slapen zonder dromen zijn,
Het zal een slapen zonder weerga zijn.”

Patty Scholten

Als de dageraad aanbreekt
Na een poosje leer je
het subtiele verschil tussen een hand vasthouden
en een ziel aan de ketting leggen

en je leert…
dat liefde niet betekent leunen en
gezelschap niet betekent veiligheid.

En je begint te leren…
dat kussen geen contracten zijn en
geschenken geen beloftes.

En je begint je verlies te accepteren
met je hoofd omhoog en je ogen vooruit
met de genade van een volwassene,
niet het verdriet van een kind.

En je leert al je wegen te bouwen op vandaag
want de grond van morgen is te onzeker;
plannen en toekomst hebben de gewoonte
om midden in hun vlucht neer te vallen.

Na een poosje leer je…
dat zelfs de zon schijnt als je teveel vraagt.
Dus plant je je eigen tuin en versier je je eigen ziel
in plaats van te wachten tot iemand je bloemen brengt.

En je leert…
dat je werkelijk kunt verdragen
dat je werkelijk sterk bent
dat je werkelijk waarde hebt.

En je leert…
en je leert…

Bij ieder afscheid leer je…

auteur onbekend

Bittgedanke, dir zu füssen
Stirb früher als ich, um ein weniges
früher

Damit nicht du
den weg zum haus
allein zurückgehn mußt
Smeekgedachte, voor jou neergeknield
Sterf vroeger dan ik, een heel klein beetje
vroeger

Opdat niet jij
de weg naar huis
alleen terug moet gaan
Reiner Kunze

DE BOOM
Is een gedicht als een boom
dan is het mooi.
Is hij mooi dan is een boom
als een gedicht.

Rustig met wortels
sterk en toch
gedragen door de wind
altijd beweeglijk
zijn eigen vorm tekenend.

Naast de boom
staat het gedicht in de aarde geplant
groeit vol vertroosting om laag
en streeft naar de hemel.

Op vaste grond en zwevend
uit stof zijt gij gekomen
tot stof zult gij wederkeren
uit stof zult gij herrijzen.

Klaus Rifbjerg

BOMEN
Bomen spreken weinig, naar men weet.
Ze slijten heel hun leven mediterend
en hun takken bewegend.
Het volstaat om hen in de herfst te bekijken
als ze samenkomen in de parken,
alleen de alleroudsten converseren,
zij die de wolken en de vogels verdelen,
maar hun stem gaat verloren tussen de bladeren
en zeer weinig bereikt ons, bijna niets.

Het is moeilijk een kort boek te vullen
met gedachten van bomen.
Alles aan hen is vaag, fragmentarisch.
Vandaag bijvoorbeeld, bij het horen van de kreet
van een zwarte koevogel reeds op weg naar huis,
slotkreet van wie geen volgende zomer meer wacht,
begreep ik dat in zijn stem een boom sprak,
een van zovele,
maar ik weet niet wat te doen met die kreet,
ik weet niet hoe hem op te tekenen.

Eugenio Montejo

EEN BOOM OP DE HEUVEL
laat ik nooit vergeten, dat er
een boom op de heuvel staat –
ergens, ver weg,
waar dan ook – een boom zonder naam,
bevriend met de komende avonden.
Een boom op de heuvel.
Die zal me eraan herinneren
hoe wakkere ogen zwerven in het gras,
hoe in de diepten van de dakloze nacht
de stemmen van de krekels aanzwellen.
Een boom op de heuvel.
Dat hij van me zal houden
en me nooit zal vergeten.
Hij is naamloos, ik zal hem
geduld en groene stilte noemen.
Een boom-zulk een ranke
belichaming van mijn gedachte! –
staat op de heuvel, verenigd met de wol ken,
luisterend naar de duistere sprookjes,
die de wind hem toefluistert.

Ivon Tzanev

OUDE BEGRAAFPLAATS IN HET BOS
wij speelden vaak op de overgroeide begraafplaats
waar we met rust werden gelaten; tweehonderd jaar
geleden dat dode mensen er kwamen liggen

heide en wilgen verspreid over muurtjes en graven
neergelaten lichamen in hulsels van dennenhout en handgesmede spijkers
omgevormd tot minder dan lucht: kleine verzakkingen in openlucht

af en toe voetbalden wij er, stelden doelpalen op
het was er oneffen, het ging niet zomaar-
maar op een of andere manier lukte het steeds

we waren niet talrijk, we hadden geen regels
dat was ook het beste, allen tegen allen
ik zie de bal nog naar het doel rollen: bump bump bump

wij liepen erachter, over de kuilen
een sprongetje maar, en we waren er

Paal Helge Haugen

DENNENBOSSEN
Ik verloste hem van de grote plant
die in zijn kamer niet meer paste.
De wereld om de kleine man
werd almaar kleiner.

Zijn vrouw kon hier niet aarden,
ze droomde van verre dennenbossen
en veranderde in een vogel
die door het raam wegvloog.

Haar lichaam brachten ze terug,
met de schrik van geknakte knieën
en zweetdruppels als ongepaste
tranen op hun voorhoofd.

Achter de glazen ruit het bed
en op het kussen een gezicht
dat het leven opheft.

In zijn handpalmen schepte hij het.
Hij hief het gezicht naar zijn lippen
zoals je water uit de bron schept.

Jana Beranová

De getrooste dood
De Dood, die onbekend en onbemind,

Zoo uit het oog, zoo uit het hart vandaan,

De weg vervolgt, die hij vanouds moet gaan,

Weg, waarop niets hem aan zijn offers bindt,

Vindt soms op stille ziekbedden, waaraan

De laatste hand hij leggen zal, een kind

Dat hem herkent en glimlachend bemint

En hem verzoent met heel zijn doodsbestaan.

Hij neemt het kind, en ’t kind hangt aan zijn lippen:

Ziet dan de glimlach dralend ingeteekend

Rond de eigen lippen als hij verderschrijdt.

Zoo wordt zijn weg naar kinderen berekend:

Zachte oasen tusschen zand en klippen

Der menschelijke onverschilligheid.

S. Vestdijk

Sterfbed
Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken

.
Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;

ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen één voor één hetzelfde pad,

en worden met dezelfde maat gemeten;

ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:

straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.
Jean Pierre Rawie

Het einde
Vroeger toen ‘k woonde diep in ’t land,

Vrat mij onstilbaar wee;

Zooals een gier de lever, want
ik wist: geen streek geeft mij bestand,

En ‘k zocht het ver op zee.

Maar nu ik ver gevaren heb

En lag op den oceaan alleen,

Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen

Niet boren door de kimmen heen

Voel ik het trekken als een eb

Naar ’t verre, vaste, bruine land……

Nu weet ik: nergens vind ik vree,

Op aarde niet en niet op zee,

Pas aan die laatste smalle ree
Van hout in zand.
J.J. Slauerhoff

Het kind
Sedert de droomspin mij omspon
met duizend parelende webben

zie ik hem spelen in de zon

,
het kind dat wij nooit zullen hebben.

Zijn ogen die het zonlicht vangen,
zijn klaar

en helder als kristal
en onvertroebeld door verlangen:

ogen van voor de zondeval.

Hij glimlacht schuldeloos en wijs.

Zijn vogelstem streelt licht mijn oren.

Zijn wereld is het paradijs,
want hij is rein en ongeboren

.

Ik mag mijn armen niet uitstrekken,
hem smeken met ons mee te gaan.

Waarom ook zouden wij hem wekken
tot een ontluisterd, aards bestaan?

Nimmer zal hij behoren bij

de uitgebloeiden, de verdorden
en nimmer lijden zoals wij

die nooit zijn ouders zullen worden.
Hanny Michaelis

Aan Rika
Slechts eenmaal heb ik u gezien.

Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die den trein,

Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg, om mij

Het eindloos levenspad met fletsen lach

Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij

Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom ook hebt gij van dat blonde haar,Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,

Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar?

Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zoo voorbijgesneld,

En niet, als ’t weerlicht, ’t rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,

En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?

Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,

Dan, onder helsch geratel en gestamp,

Met u verplet te worden door één trein?
Piet Paaltjens

het einde
oud de tijd en vele vogels sneeuw

en 
in de leegte in de verte

wordt men moe en de stemmen

staan stijf om zelfs de zuiverste lippen

ruw en laag wandelt de regen

waarheen zijn de lichte dagen gegaan

waar zijn de wolken gebleven

alles is stom en van steen

alleen die in zijn engte de elementen telde

buigend bevend als geselslagen

geeft het laatste geluid: het lied

heeft het eeuwige leven

lucebert

Je zoenen zijn zoeter dan ...
Je zoenen zijn zoeter dan
zoeter dan honing en ik vind je

mooier en liever, liever
en aardiger nog dan de koning.

We gaan samen liggen
een eind hier vandaan

we maken van takken
van takken en blaadjes

een vloer en een dak,
dat was onze woning,

of ik was het tuintje

en jij was de tent

daar gingen wij wonen
en blijven en horen

o rep je mijn liefje

ik heb je zo graag

nu of nooit samen slapen

want we zijn er

alleen maar vandaag.
Judith Herzberg

Het brandende wrak
In de schaduw der zwellende zeilen verborgen

Voor de maan, die de mast op de wateren mat,

In den slaap van het licht, tusschen avond en morgen.

Stond ik, slaaploos, ter reeling van ’t reilend fregat.

Toen verblindde mijn’ blik, naar den einder ontloken,

Tusschen wolken en water een vuren kolon,

Als van magischen morgen, in ’t zuiden ontstoken.

De bloedige bloesem midnachtlijker zon:

Een wrak, verlaten, ten halve bedolven

In het maanlichtbeglansd emeralden azuur,

Dat in laatste agonie, boven ’t graf van de golven,

Naar den hemel vervlucht in een passie van vuur!

Zóó ons hart: Naar den droom van ons leven begeerend.

Boven diepten des doods nog in purperen pracht

Van laayend verlangen zich langsaam verteerend

In de eenzame uren der eindlooze nacht.
Geerten Gossaert

Weggaan
Weggaan is iets anders

dan het huis uitsluipen

zacht de deur dichttrekken

achter je bestaan en niet

terugkeren Je blijft

iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als

een soort van blijven.

Niemand

wacht want je bent er nog.

Niemand neemt afscheid

want je gaat niet weg.
Rutger Kopland

Woningloze
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,

Nooit vond ik ergens anders onderdak;

Voor de eigen haard voelde ik nooit een zwak,

Een tent werd door de stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.

Zolang ik weet dat ik in wildernis,

In steppen, stad en woud dat onderkomen

Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen

Dat vóór de nacht mij de oude kracht ontbreekt

En tevergeefs om zachte woorden smeekt,

Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde

Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de

Plek waar mijn graf in ’t donker openbreekt.
J.J. Slauerhoff

Afscheid
Zul je voorzichtig zijn?
Ik weet wel dat je maar een boodschap doet hier om de hoek
en

dat je niet gekleed bent voor een lange reis.
Je kus is licht,

je blik gerust
en vredig zijn je hand en je voet.

Maar achter deze hoek

een werelddeel, achter dit ogenblik
een zee van tijd.
Zul je voorzichtig zijn?

Adriaan Morriën

Ik heb van-nacht mijn kussen nat geweend
Ik heb van-nacht mijn kussen nat geweend.

Van u droom ik zoveel en zoveel uren

Heb ik geschreid met op uw beeld te turen.

Ik heb zo vaak, in stilte alleen, gemeend,
Dat gij van elke kant, door alle muren,

Verschijnen zoudt en wij tesaam vereend

Verbleven tot ge uw hart mij had geleend

Om ’t nimmer, nimmer, nimmer terug te sturen.
Maar deze nacht, de eerste na uw brief,

Hebt ge in mijn zaalgen droom mij toegesproken.

Ik zag uw mond, die zei: ik heb u lief.
En toen ik me uit mijn slaap al bevend hief

En uwen brief had aan mijn borst gestoken,

Is heel mijn hart in tranen weggebroken.

Ergens moet het zijn
ergens moet het zij

n
een soort verwilderde tuin
van oude stilte

de boom voor het huis

zacht wazelt hij zijn verhaal

niemand begrijpt het
het heeft geregend

de tuin dampt goede geuren

aarde die verlangt
J.C. van Schagen

de zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig

noch is er minder
nog is onzeker wat er was

wat wordt wordt willoos

eerst als het is is het ernst

het herinnert zich heilloos

en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos

wordt van aanraakbaarheid rijk

en aan alles gelijk
als het hart van de tijd

als het hart van de tijd
lucebert

Ligstoel 1
Er is een soort niets dat ik zoek. Wat je overhoudt
als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken:

je beide handen. Geuren lanterfanteren door de tuin.

Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar
in mezelf kan liggen, op mijn rug, het onderste wat ik heb, lig.

Hoe is dit liggen? Zoals je een cognac afmeet door het glas
horizontaal te leggen, zo is dit liggen,

ik heb niet veel van mezelf
nodig om vol te zijn, wat ik nodig heb is vooral: weinig.
Er is te weinig weinig. De vergevensgezindheid
van het iets waarin wij, als we eveneens
niets zouden zijn, zouden passen.
De lucht is blauw als vergeetachtigheid.

De lucht is zo blauw als blauwsel waarmee destijds

linnen werd gewassen om witter te zijn.
Herman de Coninck

Lange afstand
Innig vertrouwd met steeds hetzelfde elkaar,

daarvan met almaar minder volle teugen
genietend, steeds meer mondjesmaat, maar toch,
daarvan toch mooi nog altijd steeds genietend –
geef ons maar zonnebloemen, weken lang
maar zonnebloemen links en rechts, met hier
en daar een korenveld, of maïs desnoods, met hier
en daar een wei, een stukje bos desnoods,

desnoods een korenveld en zonnebloemen,
wij krijgen daar niet makkelijk genoeg van,

wij zijn allang elkaars grande randonnée.
Anton Korteweg

Ontwerp voor een grafschrift
Van jou blijft niets,
alleen deze gebroken fragmenten.

Dat iemand ze liefdevol verzamelt, wens ik je toe,
ze koestert en ze niet geheel en al
laat sterven in deze nacht
van gulzige schaduwen, waarin jij al weerloos
blijft trillen.

José Angel Valente

Wijken voor de trage zon die naar de avond
neigt, zich eraan overgeven.
Verval.
De stroom van leven
is stilaan onmerkbaar opgedroogd
zoals de rand van vlucht of streling.
Ijl duurt nog wat van zijn lichte aanraking
een spoor was.

Ik weet niet of ik vertrek of terugkeer .
Waarheen’?
Het einde is het begin.
Niemand
zegt me vaarwel. Niemand die op me wacht.

Nu binnengaan in de ondergaande zon,
opgeslorpt worden in licht,
tot schaduw geroepen.

En jij, die mij hebt liefgehad, offer
aan de goden van de nacht
het zuiverste deel van mij
dat in je geheime rijk zal overleven.

José Angel Valente

Als we na de dood opstaan,
als ik na de dood
naar jou kom zoals ik vroeger kwam
en in mij is er iets wat jij niet herkent
omdat ik niet dezelfde ben,
wat een pijn doet sterven, weten dat ik nooit
de randen zal bereiken
van het wezen dat jij voor mij was zo diep binnen
in mijzelf,
als jij ik zou zijn en jij mij helemaal doordrong
waarom is deze grens dan zo blind,
zo rampzalig deze muur van woorden
die plotseling bevroren
nu ik je het hardst nodig heb,
ik zeg je kom en soms
kijkje me nog aan met een tederheid
alleen uit de herinnering geboren.
Wat een pijn doet sterven, naar jou komen, je kussen
wanhopig
en voelen dat de spiegel
mijn aangezicht niet weerspiegelt
noch voel jij
van wie ik zielsveel heb gehouden
mijn hunkerende onaanwezigheid.

José Angel Valente

Misschien in het dorstige, donkere, haastige
verbrokkelen van de dag
ben je langzaam veranderd in iets anders,
in iets wat aan je grenst,
niet jij.
Je komt niet
tot jezelf terug
als je tastend terugkeert
naar het lichaam dat je had,
naar de plek waar tot in het wit
van de droom het metaal
van de liefde schroeide.
Leg neer je aangezicht
dat je nu niet meer kent.
Laat je woorden vluchten,
bevrijd ze van jou
en stap traag,
onheuglijk en blind,
onder de vergulde boog
die de weidse herfst daarboven spant
als laatste eer aan de schaduwen.

José Angel Valente

Iemand zegt me
dat een jongeman
van tijd tot tijd je graf komt bezoeken.

Hij wiedt het onkruid.

Een jongeman. zeggen ze, mooi,
met een boerenhoed.

Toen ze het hem vroegen zei hij
dat hij een vriend van je familie is.

Wie is die gedaante die zo opdaagt’?

Misschien ben jij het wel die terugkomt
om te zien waar je bent en die
aan de voet van je as,
nat, een takje
regen of verdriet neerlegt.

José Angel Valente

Je plotselinge aanwezigheid.
Al je licht stroomt binnen, duurzaam, hard
als steen.
Je komt
zo onbeweeglijk, zo in jezelf gekeerd.
Het diepe.
In je enige bestaan,
je enige licht,
brand je voor altijd.

‘De gevoelens springen over de gedachten.’
ECKHART
José Angel Valente

Je bent daar
in je licht niet zichtbaar, niet verwekt,
enig, de enige.
Je blik legt zich
op de afwezigheid van jou of in het niet ontcijferbar,
onverhoedse binnenstromen van je vorm in je leegte

En daar laat je je stapspoor achter.

Ik liep achter je aan.
Geef me terug aan je ogen
die ik draag in mijn ingewanden gegrift.

José Angel Valente

Die zuurte streelt mijn hart
hoewel ik bijna sterf.

Open nog het raam waartegen de lucht
vogels werpt uit het gele bos
waar het licht nog klaart.

Klop op mijn deur.
Zeg me
wie je bent jij die nu komt
wanneer alles lijkt te eindigen.

De haardos van de tijd rukt nachten weg
als rivieren eindeloos
op weg naar vaarwel.

Vriendin, kom tot
het leven terug, jij kunt het nog.

Rechtop, op de andere oever, bewaart
je witte gedaante het enige zekere
getuigenis van mij.

José Angel Valente

Rouw om het jaar


Maanden, komt, brengt bloemen aan,
De lucht is bleek met de laatste maan,
En het jaar, het jaar is dood!
Het jaar is een koud, dood man in huis,
En ik wil het begraven met zang en geruis
Van vallende bloemen…
Het jaar, ach ’t jaar is dood!…
Blijde maanden van ’t dode jaar,
Volgt zachter achter de baar
Dan toen gij volgde na elkaar,
Armvollen dragend van blijde bloemen…
Eerste en laatste maanden, treedt
Langs de baar met slepend kleed -
Uw preevlende lippen noemen
Spelend de naam van ’t jaar…
Ach, ’t schone jaar is dood!…

Maanden, die als maagden zijt,
Strooit rondóm hem bloemen en kruid, -
Hij was een schoon, groot man in zijn tijd,
Draagt hem met zangen en klagen uit!…
Bloemen liggen om ’t schone hoofd,
Bloemen over de baar -
Maar het licht, ach het licht is gedoofd
In de ogen van ’t dode jaar.

Gaat nog eenmaal rond de baar,
Komt dan weér…
Ziet nog eens naar ’t dode jaar,
Dan niet meer…

Zoete mei, die altijd lacht,
Ween niet meer met hangend haar -
Gij zijt de schoonste van ieder jaar,
Ween niet meer, maar wacht:
Wacht met uw zusters ter wederzij,
Hand in hand:
Ik hoor op mijn drempel gelach en gevlei:
’t Is het nieuwe jaar en de blijde mei
Wenkt het met bloemen naderbij -
De koude maand schuilt weg aan de wand:
’t Nieuwjaar gaat haar voorbij…
Albert Verwey Uit de bundel: Persephone en andere gedichten

Ik heb bericht ontvangen
Ik heb bericht ontvangen
de afstand tussen jou en mij
hebben ze opgemeten -
ik kan me daar en daar vervoegen
tussen dan en dan,
maar ik moet niet schrikken,
schrijven ze,
en als ik het niet met ze eens ben kan ik omvallen
of anderszins in het ongerede raken -
wat zal ik doen,
wil ik het wel weten,
en als hij onbruikbaar is, als ze zeggen
meneer
die afstand is immens,
of juist verschrikkelijk klein, een afstandje van niets,
zal ik dan omvallen
of anderszins ten onder gaan?
Wat moet ik doen
waar moet ik rekening mee houden
wat voor afstanden zijn er trouwens,
lichtjaren, millimeters,
en ook nog iets daar tussenin?
Toon Tellegen (Uit: Een langzame val, opgenomen in: Daar zijn woorden voor, 2005)

De ploeger

Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren – 
Ik sta in uwen dienst, zonder bezit – 
Maar ik ben rijk in dit: 
Dat ik de ploeg van uw woord mag besturen, 
En dat gij mij hebt toegewezen 
Dit afgelegen land en deze 
Hooge landouwen, waar – als in het uur 
Der schafte bij de paarden van mijn wil 
Ik leun vermoeid en stil – 
De zee mij zichtbaar is zoover ik tuur. 

Ik vraag maar een ding: kracht 
Te dulden dit besef, dat ik geboren ben 
In ’t najaar van een wereld 
En daarin sterven moet – 
Gij weet hoe, als de ritselende klacht 
Van die voorbije schoonheid mij omdwerelt, 
Weemoed mij talmen doet 
Tot ik welhaast voor u verloren ben – 

Ik zal de halmen niet meer zien 
Noch binden ooit de volle schoven, 
Maar doe mij in den oogst geloven 
Waarvoor ik dien – 

Opdat, nog in de laatste voor, 
Ik weten mag dat mij uw doel verkoor 
Te zijn een ernstige ploeger op de landen 
Van een te worden schoonheid; eenzaam tegen 
Der eigen liefde dalend avondrood, – 
Die ziet beneden aan de sprong der wegen 
De hoeve van zijn deemoed, en het branden 
Der zachte lamp van een gelaten dood –
A. Roland Holst, Voorbij de wegen (1920).

KERKJE VAN FRANSUM
Bestaat nog god, kleine sarcofaag
van het geloof, even leeg 
als de dorische tempels van Paestum:
hun zuilen een schuilplaats voor andere vogels 
dan goden – als ik naar hem vraag?

Kleine mummie van steen
zonder hart, tabernakel, 
zonder plaats voor een wijkaars, bescherm je 
met jouw lichaam ons landschap 
als bodem voor hemel? ik vraag maar.

Stille klankkast voor buiten, voor grutto’s
in juni, het loeiende melkvee bij ’t hek – 
zo gesloten, een avond, ik zit in het gras 
tussen jouw zerken, zo ben je het mooist: 
dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.

C.O. Jellema

De Tuinman en de dood, 
Een Perzisch Edelman: 
Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik, 
Mijn woning in: “Heer, Heer, één ogenblik! 
Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot 
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood. 
Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant, 
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand. 
Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan, 
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!” 

Van middag (lang reeds was hij heengespoed) 
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet. 
”Waarom,” zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt, 
”Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?” 
Glimlachend antwoord’ hij: “Geen dreiging was ‘t, 
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast, 
Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan, 
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan.”
P.N. van Eyck.

ZONDAGMIDDAG
Het licht is op een baar
de kamer ingedragen
heel stijf en onnoemelijk zwaar
en veel engelen hebben geweend
hun tranen vormen beken langs het raam
die langzaam samenstromen in de oceaan
van deze grauwe middag

De winkels van je ogen staan
leeg en verlaten
de koopwaar is verzonken
de klanten zijn verdronken
diep in de grauwe oceaan
van deze middag

Zijn dat mijn handen die als zwammen aan
je lichaam groeien
is dat mijn stem die als een paraplu
omhoog staat .

O de leegte van deze grauwe middag
wie zal de bergen der gebaren
beklimmen
wie brengt het lange wenen tot bedaren

Geen meesterhand zal ons meer redden
wij zijn twee logge waterbeesten
stom op elkander ingedreven
in deze grauwe oceaan
ik heb mij zachtjesaan
en met een eindeloze draaiïng van mijn romp
een vormeloze zwarte klomp

traag aan je vastgezogen.

P. Rodenko
De moeilijkste wegen

De moeilijkste wegen
worden alleen gegaan,
de teleurstelling, het verdriet,
het offer
zijn eenzaam.
Zelfs de dode die elk roepen beantwoordt
en geen verzoek verzaakt
staat ons niet bij
en ziet toe
of wij het redden.
De handen van de levenden die zich uitstrekken
zonder ons te bereiken
zijn als de takken van de bomen in de winter.
Alle vogels zwijgen.
Je hoort slechts je eigen voetstap
en de stap die je voet
nog niet is gegaan maar nog gaan zal.
Stil blijven staan en je omkeren
helpt niet. Er moet
worden gegaan.

Neem een kaars in je hand
als in de catacomben,
het vlammetje ademt nauwelijks.
En toch, als je lang bent gegaan,
blijft het wonder niet uit
omdat het wonder altijd geschiedt
en omdat wij zonder genade
niet kunnen leven:
de kaars vlamt op in de vrije adem van de dag,
je blaast hem lachend uit
als je de zon in treedt
en onder de bloeiende tuinen
de stad voor je ligt,
en de tafel in je huis
wit voor jou is gedekt.
En de verliesbare levenden
en de onverliesbare doden
het brood voor je breken en de wijn aanreiken
en jij hun stemmen weer hoort
heel dicht
bij je hart.

Hilde Domin
Uit het Duits vertaald door Kees Kok

Nereïden

Licht van onze dagen
Wij geven je uit handen

Dat de waternimfen je onthalen op een teder feest
Dat zij je stil ontdoen van je omhulsel
De draden van degene die je bent geweest
langzaam afwikkelen

Licht van onze dagen
Wij geven je uit handen

Dat zij je daar beneden blijven aanzien
totdat je slaakt een eerste zucht
je ogen opent en verwonderd
in een nieuwe huid ontwaakt

Mariët Mesdag

Waterspiegel

Ben ik nog zichtbaar
Vraag ik aan het water
En neem een voorschot
Op het antwoord

Ik zie een tuimelende val
En zuig de toekomst naar me toe
Ze lijkt zo ongerept en roerloos
Af te wachten tot ik kom.

Voor elke lijn die nu verschijnt
Bedenk ik curven zekerheid
Als: toen en vroeger, weet je nog?

Voorbij mijn twijfels is een
Straks verborgen. Eergens.
Steeds en dichterbij.

Annette v.d. Bosch
Kringen in het water

Jouw dood maakt kringen
In het koude water,
Kringen waarin ook ik gevat ben
En die mij dragen
Als een web van liefde
Om de stil bloeiende lotus heen.
Eindeloos schijnt
de zon in het water.

Het doet je goed

Het doet je goed eens aan de dood te denken;
Je dagen worden er wat duidelijker van.
Je dient te weten dat geen mens voor je kan leven;
Maar ook dat niemand anders voor je sterven kan.

Ik spreek er s’avonds wel ‘ns over met de kind’ren,
Of  ‘k maak ’n grapje met de dood, dat kan geen kwaad.
Als j’overpeinst waar je tenslotte komt te “liggen”,
Dan weet je af en toe wat beter waar je “staat”.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s