Weg naar God

DSCN9314

 

Weg naar God

Voortdurend op weg naar God…

Meditaties en overwegingen rond de vraag naar God
Voorjaar 1999 H.H.Engelbewaarders Badhoevedorp

JHWH heeft u gezegd wat goed is, mens,
en wat Hij van u verlangt:
Hij wil niets anders dan dat u recht doet,
dat u de trouw bent,
en dat u in deemoed wandelt met uw God.
Micha 6,8

WAAR IK GA: JIJ

Waar ik ga jij!
Waar ik sta jij!
Alleen jij, weer jij, altijd jij!
Jij, jij, jij!
Gaat het mij goed jij!
Als het mij pijn doet jij!
Alleen jij, weer jij, altijd jij!
Jij, jij, jij!
Hemel jij, aarde jij,
boven jij, beneden jij,
waarheen ik mij wend, aan elk einde,
Alleen jij, weer jij, altijd jij!
Jij, jij, jij!

Levi Jizchak van Berditschew

INHOUD

1.    Vooraf: Over God…
2.    Een oosterse christen spreekt over God – Anthony de Mello
3.     “2050 en onze vrijheid.”
4.    Wie is God? Wie ben ik?
5.    Vrijheid zoeken
6.    “Nodig zijn”
7.    Partnerschap
8.    Allles wat ruimte inneemt is sterk én kwetsbaar
9.    Een enkeling slechts vermag God in het donker te zien
10.  De kracht van het gebed
11.  God als afgrond
12.  De relativering voorbij
13.  Zondagochtendgebed: 12 juli 1942 – Etty Hillesum
14.  Levensmelodie
15.  Zonder ‘waarom’, zonder ‘wijze’, zonder ‘niet’
16.  “God is niet in de tijd” Simone Weil
17.  Op leven én dood – spiritualiteit in een hedendaags licht
18.  God en het lijden?
19.  “Sine timore” – zonder vrees
20.  Waarheid – leren koken met God?
21.  Het boek van de thee: de kunst om te leren leven
22.  In de schaduw van God
23.  Tot slot: Baal Sjem Tov – Van de macht van het woord

Voorwoord:

De verzameling teksten die bijeengebracht is in deze bundel legt getuigenis af van “een zoektocht naar God”.
Over God raak je nooit uitgepraat. Een aantal teksten zijn eerder gepubliceerd en soms aangepast voor deze bundel. Het zijn allemaal pogingen om op het spoor te komen van God. Maar het zijn ook allemaal getuigenissen die halverwege stranden. Want God blijft ongrijpbaar. Net zoals de ziel van de mens ongrijpbaar is.
Er zijn ook een paar bijdragen opgenomen van de hand van andere auteurs omdat zij veel indruk op mij hebben gemaakt. Het is een bundel geworden om bij tijd en wijle open te slaan. Ter verdieping, ter overweging misschien ook, om zo zelf op het spoor te komen van de (zoek)tocht naar God.
Naar God ben je voortdurend op weg…Misschien is dát ook wel een deel van de zin van ons leven. Wie weet. Een goede tocht gewenst.

John Hacking

1. Vooraf: Over God…

God? God! God als vraag en als uitroep, God als mysterie en als antwoord. Misschien is wel géén begrip zó intrigerend, zó met vraagtekens omgeven, dan het begrip God. Voor de mens op zoek naar God is er vaak een lange weg te gaan: een levensweg. Talrijk zijn de getuigenissen in de geschiedenis van de mensheid over deze zoektocht, over de vragen die gesteld worden en de antwoorden die gegeven worden.

Wie, wat is God? Waar is God te vinden? Wanneer ervaar je iets van God? Wat zeg je eigenlijk, bedoel je eigenlijk als je het begrip God uitspreekt? Zo kunnen we veel vragen stellen.
Maar zijn er ook antwoorden die houvast geven? Of is elk antwoord voorlopig, relatief, omdat God zich onttrekt aan onze voorstellingswereld, omdat elk woord maar een woord is, maar een gedachte die niet in staat is om de volheid van God maar in het minst te benaderen?

Heeft elk mens zijn eigen God, zoals elk mens zijn eigen leven leidt en zijn eigen waarheid heeft? E. Jabès, een filosoof, schrijft in ‘De vooruit bepaalde weg’, een van zijn boeken:  “De waarheid laat zich vertellen. Zij is de geschiedenis van een leven. Ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen niet gepubliceerde vertelling.”
Geldt dat óók voor God – ieder zijn eigen God, vertelbaar, bespreekbaar? Net omdat ieder mens zijn eigen leven leidt, zijn eigen waarheid ervaart en zijn eigen beeld van God heeft kunnen we dat beeld bespreken, kunnen we het uitwisselen, en erover oordelen. Maar is dat genoeg?
Je kunt ook anders over God spreken, bijvoorbeeld ‘God als de stilte?’ Lijkt God misschien meer op de stilte, het ‘niets’, datgene wat buiten al onze categorieën valt?

Jabès schrijft:  “Men kan van alles uitvinden behalve de stilte, zij vindt ons uit.” In die zin kunnen wij vragen: ‘Vinden wij mensen God uit in ons denken en spreken of worden wij door God uitgevonden of om met een bijbels woord te spreken, zijn wij door God geschapen?’
God schept de mens zoals wij onszelf aantreffen. Dat is een gelovige uitspraak! Maar ook dat is niet zonder vraagtekens. Niet vanzelfsprekend. Kennen wij onszelf wel goed genoeg om vandaar uit iets te zeggen over God? Want als wij geschapen zijn door God, moet er toch iets van God in ons zijn terug te vinden dat naar God terugverwijst? Wij dragen dan iets van zijn spoor mee, zijn daad. Maar wat is dát dan?

Zou het misschien ook niet zo zijn zoals Jabès stelt dat ” aan God geloven niets anders is dan geloven aan zijn ‘vreemdheid’?” God als vreemde, een niet te begrijpen grootheid, een niet te vatten werkelijkheid. Maar toch een werkelijkheid waarvan we als gelovige zeggen dat die ons omgeeft, die ons kan dragen? Hoe moeten wij dat rijmen met elkaar? Nogmaals: is er wel een echt houvast?

Of is God zo vreemd, zo stil, zo onvatbaar als de leegte tussen de woorden, de witte ruimte tussen de letters, waardoor de woorden pas mogelijk zijn, pas kunnen spreken. Jabès probeert een antwoord te vinden  waar God dan te vinden zou zijn. Hij schrijft : “In elk mogelijke zit iets onmogelijks, dat het bespot. Dit onmogelijke intussen is niet het onmogelijke. Het is slechts het mislukken van het mogelijke.”
Dat klinkt misschien erg abstract, maar er staat dat niets volmaakt is, dat er steeds een gebrek is, een onvolmaaktheid waardoor er steeds een open einde is. De dingen zijn niet af. De ervaringen zijn nooit volledig, nooit voor eens en altijd! De werkelijkheid (die bestaat en die (in principe) mogelijk is) is nooit af, nooit definitief, nooit volledig te vangen, te beschrijven.

Hij schrijft ook dat het onmogelijke niet te pakken is, het is ergens anders. Net zoals het wit tussen de woorden niet te pakken valt. “Altijd elders is het onmogelijke.
Dit onmogelijke is God. Houd niet in je hoogmoed eraan vast, het in iets duurzaam
mogelijks te willen veranderen. Men kan niet o zwijgen, o niets tot God gaan. Men kan hem alleen verlaten, zoals men altijd weer terugkeert tot zichzelf, met een leeg hoofd en lege handen.”

Dit valt niet eenvoudig te begrijpen, want telkens als wij God ‘niets’ of ‘het onmogelijke’ , ‘de leegte of de stilte’ noemen, onvatbaar voor ons verstand, steeds elders, dan kunnen wij er ook nauwelijks over spreken en laten onze gedachten ons (als het ware) in de steek.
Jabès vergelijkt ons denken met een kaars in een donkere ruimte: “Een brandende kaars voldoet, om de ruimte van onze gedachten, onze gebaren, onze schriften te begrenzen. Bitter is onze teleurstelling, niet over de grenzen van het schijnsel uit te komen. Schrijven is dan niets anders als een beetje licht om de woorden verspreiden.”

Wat hebben we dan in handen, waar ontlenen wij zekerheid aan? Wat is nog werkelijk, wat is waar? Jabès zegt dat: “De werkelijkheid altijd slechts een indrukwekkend heropleven van de herinnering is!”

Werkelijkheid beleven, hier en nu, bouwt voort op wat gisteren, op wat zonet was. Het hier en nu beleven wat er is, wat je voelt, denkt, ziet, hoort, kan niet zonder de woorden en gedachten van gisteren, het kan niet zonder herinnering.

Kunnen wij ons God herinneren? Of moeten we het hebben van verhalen, die de herinneringen van anderen bevatten. God die tot ons spreekt vanuit de herinneringen van anderen.
Misschien is de bijbel wel het boek van de Herinneringen! Uit die Herinneringen kunnen ook wij putten. Er mee aan de slag gaan, ze tot werkelijkheid laten worden voor ons.
Herinnering van anderen die werkelijkheid wordt in ons leven – herinnering van onze ouders die gestalte krijgt in ons leven – en zo verder terug in de geschiedenis. Misschien is leven dan ook wel het gestalte geven aan de herinnering – steeds weer opnieuw…een voortdurend proces van actueel worden van wat er al was…
Geschiedenis als voortdurende schepping of liefde van God in een nieuwe jas? Wie weet….
2. Een oosterse christen spreekt over God – Anthony de Mello

In Concilium 1982 nr. 9 trof ik een artikel aan van de leraar/leidsman Anthony de Mello over de “kennis” of “ervaring” van God. Wat volgt zijn de woorden van de Mello; hij vertelt zijn verhaal in vijf korte hoofdstukken.
I. Het zaad1
Waarom is God onzichtbaar? Hij is het niet. Jouw zien is vertroebeld zodat het je niet lukt Hem te zien. Het bioscoopscherm wordt onzichtbaar als er een film op geprojecteerd wordt: ofschoon je voortdurend naar het doek kijkt, zie je het niet omdat je te zeer gepakt bent door de film. De mediterende hindoe zit naar de punt van zijn neus te kijken, het feit symboliserend dat God vlak voor ons is, maar onze blik is gericht op iets anders, in de verte. Je hoeft nooit de punt van je neus te gaan zoeken en vinden. Waar je ook gaat, wat je ook doet, slapend of wakker, waarheen je je ook wendt, ze is daar vlak voor je ogen. Je raakt haar nooit kwijt. Het lukt je alleen niet haar te herkennen.
Eeuwenlang hebben de Hindoes van India God gezien als ‘dansende’ schepping Het buitengewoon verbazingwekkende is dat de mensen de dans zien en er niet in slagen de Danser te herkennen.
In het zoeken naar God moet men zich realiseren dat er niets te zoeken of te bereiken is. Hoe kan je zoeken naar iets dat vlak voor je ogen is? Hoe kan je bereiken wat je al bezit? Wat we hier nodig hebben, is niet inspanning maar herkenning.
De leerlingen van Emmaüs hebben de verrezen Heer vlak voor zich, maar hun ogen moesten geopend worden. De schriftgeleerden en Farizeeën muntten uit in inspanning en faalden in herkenning. En de mensheid op de laatste dag zal uitroepen: ‘U was met ons en we slaagden er niet in U te zien!’ Het zoeken naar God is dus de poging om te zien.
Een man ziet een vrouw elke dag en ze lijkt niet verschillend van andere vrouwen tot hij op zekere dag verliefd op haar wordt. Dan worden zijn ogen geopend en hij is verbaasd dat hij deze aanbiddellijke godin jarenlang kon bekijken en er niet in slaagde haar te zien.
Hou op met zoeken, hou op met reizen, en je zult arriveren. Je hoeft nergens naartoe te gaan! Weest stil en zie wat vlak vóór je ogen is. Hoe sneller je reist en hoe meer inspanning je besteedt aan het reizen, des te waarschijnlijker is het dat je het spoor bijster raakt. Mensen vragen waar zij God kunnen vinden. Het antwoord is hier. Wanneer zij Hem zullen vinden. Het antwoord is nu. Hoe zij Hem zullen vinden. Het antwoord is: wees stil en kijk.2
II. De rotsachtige bodem
We proberen God te ‘zien’. Maar zien we ooit iets? We kijken naar een nieuwe bloem en vragen: ‘Wat is dat;” Iemand zegt: ‘een lotus’. Al wat we nu hebben, is een nieuwe naam, een nieuw etiket, maar we denken ten onrechte dat we een nieuwe ervaring en een nieuw begrip hebben. Zodra we ergens een naam op kunnen plakken, denken we dat we iets hebben toegevoegd aan onze voorraad kennis, terwijl we alleen iets hebben toegevoegd aan onze voorraad etiketten.
Toen God weigerde zijn naam te onthullen aan Mozes of toe te staan dat er een afbeelding van Hem gemaakt werd verbande Hij niet alleen de afgoderij van de primitieven die Hem identificeerden met een beeld, maar ook de afgoderij van de moderne geleerde die Hem identificeert met een idee. Want onze ideeën afgodsbeelden van Hem zijn even zielig inadequaat om Hem te vertegenwoordigen als afgodsbeelden van steen of klei.
Het woord ‘Europeaan’ geeft je watertandend enige kennis en absoluut geen begrip van dit individu dat voor je staat. Je zou hem onrecht doen, als je dacht dat het woord ‘Europeaan’ of wat dat aangaat willekeurig welk ander woord of groep van woorden, je enig begrip gaf van zijn unieke individualiteit. Want het individu is, evenals God, boven alle woorden, onuitzegbaar.
Om deze boom te ‘zien’, moet ik het etiket laten vallen, want dat geeft me de illusie dat ik, omdat ik er een naam voor heb, de boom ken. Ik moet alle vroegere ervaringen met andere bomen laten vallen (zoals ik alle vroegere ervaringen met alle andere Europeanen moet laten vallen, als ik eerlijk wil zijn jegens deze individuele Europeaan hier). Meer nog: ik moet alle vroegere ervaringen laten vallen die ik ooit gehad heb met deze boom we zijn immers allemaal vertrouwd met het feit dat we dit huidige individu geen kans geven omdat we hem voortdurend beoordelen op grond van onze vroegere ervaringen met hem. Is het dan verrassend, te horen dat, als ik God juist nu wil ervaren, ik alles moet laten vallen wat anderen mij over Hem verteld hebben, al mijn vroegere ervaringen met Hem en alle woorden en etiketten over Hem, hoe heilig ook? Waarheid is geen formule. Het is een ervaring.
En ervaring kan niet overgedragen worden. Formuleringen zijn overdraagbaar materiaal; ze hebben weinig waarde. Wat waarde heeft, kan niet overgedragen worden.
Het woord, de religieuze formuleringen, het dogma waren bedoeld als aanwijzingen, indicatoren, hulpmiddelen om mij te leiden bij mijn benadering van God. Vaak worden ze de laatste barrière. Zoals wanneer ik een bus neem om naar huis te gaan en weiger uit te stappen als ik ben aangekomen. Men denkt aan zoveel mensen die rond en rond lopen in cirkels, omdat hun nooit geleerd is op te houden met hun conceptualiseren en theologiseren over het goddelijke; die weigeren hun discursieve reflectie los te laten in het gebed en binnen te gaan in de donkere nacht, de conceptloze wolk waarover de mystici spreken. Zij gaan door het leven en verzamelen steeds meer etiketten, zoals een man die steeds meer materiële bezittingen verzamelt die hij nooit zal gebruiken.
De rivier stroomt vlak voor je ogen en je sterft van dorst, maar je staat erop een definitie te hebben van water, omdat je ervan overtuigd bent dat je je dorst niet kunt lessen zonder dat je de juiste formule hebt. Het woord ‘liefde’ is niet liefde, en het woord ‘God’ is niet God. Hetzelfde geldt voor het concept. Niemand is ooit dronken geworden van het woord ‘wijn’. Niemand is ooit verbrand door het woord ‘vuur’.
De mens is meer geïnteresseerd in het bereflecteerde dan in het reële. Hij leeft dan ook in fictie. En als hij nadenkt over God, leeft hij in godsdienstige fictie. Hij wordt gefascineerd door zijn ideeën, omdat hij denkt dat ze het  reële weerspiegelen. Zijn spiegels moeten gebroken worden. Echt voedsel en echt water is nodig om echte honger en dorst te verzadigen. Voorstellingen van voedsel en drank zijn niet genoeg. De formule H20 zal zijn dorst niet lessen, hoe wetenschappelijk juist ze ook is. Dat geldt ook voor zijn geloof in God, hoe waar ook. Het maakt van hem misschien een religieuze fanaticus, maar zal de nood van zijn hart niet verzadigen.3
Is het een wonder dat de christelijke kerken, omdat zij er niet in geslaagd zijn dit te begrijpen, geworden zijn als uitgeputte mijnen? Wat er nu uit de mijnen wordt opgedolven, zijn woorden en formules; en daarvan is de markt overladen. Maar er is gebrek aan ervaring, en wij christenen worden dan ook een volk van woorden. We leven van woorden, als een man die zich voedt met de menukaart in plaats van het voedsel. Het woord ‘God’, de formules over God, worden voor ons belangrijker dan de realiteit ‘God’. Er is een groot gevaar dat, als we de werkelijkheid zien in vormen die niet passen bij onze formules, we er niet in zullen slagen haar te herkennen of haar zelfs zullen afwijzen uit naam van onze formules.4
III. De goede aarde
Deze houding is het best te zien in de soort theologiescholen die wij christenen drijven. Men zou verwachten dat deze scholen mensen afleveren die de dorst van de moderne mens naar God lessen. Maar het zijn kopieën geworden van wereldlijke scholen. Ze hebben professoren in plaats van meesters en ze bieden geleerdheid in plaats van verlichting. De professor doceert, de meester wekt op. De professor biedt kennis aan; de meester biedt onwetendheid aan, want hij vernietigt kennis en schept ervaring; hij biedt je kennis aan als voertuig om je er meteen weer uit te sleuren zodra de tijd komt dat kennis herkenning in de weg staat.
Wereldlijk leren wordt verworven door reflectie, nadenken, praten. Godsdienst wordt geleerd door stille meditatie (In het Oosten betekent meditatie, ‘dhyan’, niet reflectie, zoals in het Westen, maar het tot zwijgen brengen van alle reflectie en gedachten). De wereldlijke school levert geleerden af. De godsdienstige school mediteerders. Tragischerwijze veranderen de meeste christelijke scholen voor theologie de godsdienstige geleerde in de wereldlijke geleerde. De wereldlijke school tracht dingen te verklaren en schept kennis. De godsdienstige school leert ons de dingen zodanig te beschouwen dat er verwondering ontstaat. De mens heeft diep gewortelde onwetendheid. Zijn wereldlijke leren neemt deze onwetendheid niet weg maakt die meer verborgen, geeft hem de illusie van kennis. In de godsdienstige school wordt deze onwetendheid naar voren gebracht en blootgelegd, want daarbinnen moet het goddelijke gevonden worden. Maar christelijke scholen die dit doen, zijn zeldzaam; al te vaak wordt de onwetendheid begraven onder steeds meer godsdienstige kennis.
De christelijke godsdienstige school moet dus technieken ontwikkelen om kennis te gebruiken als middel om onwetendheid bloot te leggen, om het woord zo te gebruiken dat het zal leiden tot stilte. Zoals de ‘mantra’ of ‘bhajan’ in India, waarbij het woord of de formule eerst begrepen wordt met de geest, daarna eindeloos wordt herhaald, totdat er een stilte is geschapen waardoor de formule wordt overgebracht van de geest naar het hart en de diepere betekenis ervan gevoeld wordt ver boven alle woorden en formules uit. Godsdienststudenten moeten zo geoefend worden, dat als zij lezen of naar het woord luisteren, hun hart onophoudelijk afgestemd is op het ‘woordeloze’ dat klinkt in het woord. Zij moeten door een strenge discipline heengaan totdat hun geest tot rust is gebracht en zij leren in stilte ‘de dingen te overwegen in hun hart.5
Godsdienststudenten zullen hun bijbel lezen. Maar om de andere pagina van die bijbel zal blanco zijn, om aan te geven dat gewijde woorden bedoeld zijn om stilte te scheppen en te verdiepen, een stilte die verrijkt wordt door de heilige woorden, zoals de rijke stilte die volgt op het slaan op een tempelgong. Zij zullen evenveel tijd besteden aan de blanco pagina’s in hun bijbel als aan de tekst, omdat zij alleen zo in staat zullen zijn de tekst te verstaan. Want de bijbel kwam voort uit die blanco pagina’s, uit mannen en vrouwen die stil genoeg waren om een onuitsprekelijke waarheid te ervaren die zij nooit konden beschrijven, maar waarnaar zij met veel worsteling trachten te wijzen in woorden die misschien anderen zouden brengen tot het ervaren van dezelfde waarheid.
IV. De bloem
De bijbel leert ons dat geen mens God kan zien en in leven kan blijven. Als de geest tot stilte is gebracht, wordt God gezien en sterft het eigen ik. De meesters van het Oosten stemmen hiermee in: als stilte het hart binnenkomt, sterft het eigen ik. Hoe? Niet door vernietiging maar door ‘visie’. In de stilte van het zwijgen ‘ziet’ men dat het eigen ik een illusie is. De psychoticus die dacht dat hij Napoleon was, wordt genezen als hij ‘ziet’, zich realiseert dat zijn Napoleonik een illusie is. De mens wordt genezen als hij ‘ziet’, ervaart, dat zijn ikalscentrum, zijn ikalsapart, ‘maya’ is, illusie.
Het is alsof de dans tot zichzelf zou komen en ‘zien’ dat ze geen centrum heeft, geen bestaan los van de danser; dat ze helemaal geen ‘zijnde’ is, maar een actie. Alleen de danser is zijnde. Alleen de danser bestaat. De dans niet; ze isindedanser. God zei tot Caterina van Siëna: ‘Ik ben Hij die is. Jij bent zij die niet is.’ Als je binnengaat in de stilte, ervaar je dat je niet bent; het centrum is niet langer in jou; het is in God; jij bent de periferie. Men herinnert zich de machtige woorden, toegeschreven aan meester Eckhart: ‘Slechts éen wezen heeft het recht, het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ te gebruiken: God!’
Degene die dit ervaart, wordt een ontwaakte. Hij wordt een ‘niemand’, een leegte, een ‘incarnatie’ waardoorheen het goddelijke schijnt en handelt. De dichter, de schilder, de musicus ervaart soms geïnspireerde momenten waarop hij zichzelf schijnt te verliezen en een creatieve activiteit door zich heen voelt stromen waarvan hij meer het kanaal is dan de bron. Wat hij op deze wijze ervaart, ervaart de ontwaakte in zijn leven. Hij is actief, maar niet langer de acteur. Zijn handelingen worden gebeurtenissen. Hij ervaart zichzelf als dingen doende die tegelijkertijd niet door hem gedaan worden: ze schijnen via hem te gebeuren. Zijn inspanningen gaan zonder inspanning, zijn werk wordt spel, een ‘leela’, een goddelijke sport. Kan het anders als hij zichzelf ervaart als een dans die gedanst wordt door het goddelijke, als een holle fluit waardoor Gods muziek stroomt?
V. De vrucht
Als stilte de dood van het ik voortbrengt, wordt liefde geboren. De ontwaakte ervaart zichzelf als anders, maar niet apart van andere mensen en van de rest van de schepping. Want er is maar één Danser en heel de schepping vormt één dans. Hij ervaart ze alle als zijn ‘lichaam’, zijn ik. Hij bemint dan ook alle mensen zoals hij zichzelf bemint.
Hij gaat niet noodzakelijkerwijze uit om te dienen. Hij weet dat iedereen die tracht te dienen, in het gevaar verkeert te worden zoals zoveel ‘liefdadige’ mensen die helemaal niet religieus zijn; zij zijn schuldig; goeddoeners die zich altijd bemoeien met het leven van anderen.
Het is helaas mogelijk je goederen te geven om de armen te voeden en je lichaam te laten verbranden en toch nog de liefde niet te hebben. De beste manier om de wereld te dienen is dat JIJ verdwijnt. Dan word je een voertuig van het goddelijke. Dan zal dienst spontaan gebeuren, maar alleen als het goddelijke je ertoe drijft. Het zou je er evengoed toe kunnen drijven liederen te zingen of je terug te trekken in de woestijn, en de hele wereld zal verrijkt worden door jouw liederen of door jouw stilzwijgen, in plaats van gekwetst te worden door jouw dienst.6
In wat je ook doet, dienst of stilzwijgen of lied, je zal totaal opgeslorpt worden, want je ‘ik’ zal niet langer in de weg staan en je zal aan elke activiteit heel je wezen geven. Dit is godsdienst op zijn hoogtepunt. Niet zitten in eenzaamheid, niet zingen van gebeden, niet naar de kerk gaan, maar het leven ingaan. Elke handeling van je vloeit nu voort uit stilte, uit een tot zwijgen gebracht ik. Elke handeling van je is nu meditatie geworden.
Christelijk handelen is tegenwoordig in gevaar, voort te vloeien uit praten en reflectie, meer dan uit stilte. Christendom is in het gevaar een pratende en denkende godsdienst te worden. Over de eucharistie wordt gesproken als over een celebratie (feestelijk vieren), maar is meestal een cerebratie (vanuit het verstand spreken) geworden de priester spreekt tot het volk, het volk spreekt antwoorden tot de priester of tot elkaar, en priester en volk spreken tot God. Als we van godsdienst weer een celebratie zouden willen maken, moeten we minder denken en minder spreken, en meer zwijgen en dansen.7
(Uit het Engels vertaald door H. Wagemans)
NOTEN:
1. Steeds meer christenen in het Westen keren zich naar het Oosten voor leiding in het gebed. Dit artikel probeert hun te laten zien wat het Oosten hun kan Ieren of liever wat het hun kan helpen herontdekken in hun eigen traditie.
2. Een oosters verhaal gaat over een oceaanvis die op zoek gaat naar de oceaan; waar de vis ook heengaat, hij vindt geen spoor van de oceaan, alleen maar water!
3. Een Arabische mysticus vertelt over een man die in de woestijn dreigt te sterven van honger; in de verte ziet hij een zak en rent erheen, in de hoop dat ze iets eetbaars bevat, maar ze zit vol edelstenen.
4. Een soefimeester zegt: ‘Een ezel die gehuisvest wordt in een bibliotheek, wordt niet wijs. Zo heeft al mijn godsdienstige kennis mij niet beter gemaakt, zoals een verlaten plek ook niet vruchtbaar wordt doordat er een schat in begraven ligt.’
5. Een regeerder vroeg de grote Rinzai naar het geheim van godsdienst in een woord. ‘Stilzwijgen,’ zei Rinzai. ‘En hoe komt iemand tot stilzwijgen?’ ‘Door meditatie.’ ‘En wat is meditatie?’ ‘Stilzwijgen.’
6. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei de aap terwijl hij de protesterende vis op een boomtak legde. ‘Ik zorg er alleen maar voor dat je niet verdrinkt.’ Dienst kan vermoorden!
7. Aan een goeroe werd door een leerling gevraagd hoe hij God bereikt had, en hij antwoordde: ‘Door het hart wit te maken met stille meditatie, niet door papier zwart te maken met godsdienstige opstellen.’ Noch, mogen we hieraan toevoegen, door de lucht dik te maken met geestelijke gesprekken.

3. “2050 en onze vrijheid”.

‘Zijn de dagen van God geteld?’ Zo luidt de titel van een boek dat ik onlangs in handen kreeg. ‘Geloof en vertrouwen na Auschwitz’, de titel van een ander. Twee boeken, beiden over geloven, over God, over menszijn in deze wereld als christen.
De schrijvers van het laatste boek vragen zich af of geloof en vertrouwen nog wel mogelijk zijn na de verschrikkelijke ervaringen van de Tweede Wereldoorlog waar miljoenen werden opgeofferd in naam van een onmenselijke ideologie die om God noch gebod gaf.

De schrijvers van het eerste boek geven de stand van zaken weer op hun eigen vakgebied, dat van de theologie en de ethiek. Is er in de nabije toekomst nog wel ruimte om in God te geloven, laat de ‘maakbare samenleving’ die velen voor ogen staat nog een plaatsje over voor het religieuze bewustzijn? Of staat alles in het teken van een nieuwe ‘moderniteit’ , het volslagen nieuwe ook en vooral op technisch gebied?

Ik kan mij zo voorstellen dat over 50 jaar de wereld volslagen is veranderd: de computertechnologie verbindt iedereen met iedereen, ons woonhuis is een groot informatiescherm geworden dat zelfs op het toilet kan worden geraadpleegd; voor elke kortstondige ziekte, elk gevoel van onbehagen slikken we een pilletje of een drankje en een ‘vreugdevolle en opgewekte’ stemming keert terug. Niemand lijdt meer honger, want er zijn genoeg vervangende middelen, weliswaar kunstmatig, maar het werkt, de honger is voorbij. Er is ook geen oorlog meer want de wapens zijn zo geavanceerd dat toepassing onmogelijk wordt zonder zelf veel schade te ondervinden. Ook is er geen verplicht werken meer want het meeste wordt door robots gedaan. De mensen vullen hun tijd met leren, informatieuitwisseling en reizen. Maar dat laatste is eigenlijk niet meer echt nodig want in je huiskamer kun je de mooiste landschappen en steden tevoorschijn toveren. En de kerk? De godsdienst?
Die komt ook aan huis, via het scherm, een opwekkend praatje in de ochtend, om bij de les te blijven, en in de avond om kort alles op een rij te zetten, want men heeft inmiddels ontdekt dat die ‘oude gewoonten’ van ochtend en avondgebed nog niet eens zo slecht zijn. En Jezus, die spreekt ons toe vanaf de huiskamermuur, omringd met leerlingen en al, in de setting van 2000 jaar geleden.
Maar het zullen waarschijnlijk niet de woorden van de bergrede zijn. Die zal men beschouwen als achterhaald.  En ook niet de woorden van de profeet Jesaja over het Rijk van God, want dat hoeft niet meer aan te breken. Iedereen is tevreden.

Zijn de dagen van God geteld? Ja, die zijn geteld, in een samenleving waar alleen het genoegen, de lust en de bevrediging tellen. God speelt niet meer mee, hij staat buiten spel waar alles voor de wind gaat.
Maar de dagen van God zijn niet geteld, in een samenleving waar verdriet, rouw en lijden nog steeds de overhand hebben, want pijn en smart zijn de bronnen voor het geloof in en de hoop op een betere wereld. Zij tillen ons uit boven onze grenzen, boven onze onmacht als wij de uitdaging durven aan te gaan om de hindernissen die wij in ons leven tegenkomen te beschouwen als aanmoediging tot verandering.

Is er nog geloof en vertrouwen na Auschwitz? Ja, dat is er in het concrete leven van mensen die niet alleen dromen van de technische maakbaarheid van deze wereld maar ook van het opheffen van alle onrecht en geweld.
Want ‘maakbaar’ of niet, onze wereld en onze daden blijven ambivalent. Met veel goede bedoelingen kunnen toch veel mensen ongelukkig worden gemaakt. Dat gebeurt bijna elke dag.
Wij mensen blijven sterfelijk, wij blijven kwetsbaar en het grootste geschenk dat wij van God hebben gekregen is onze taal, de woorden waarmee wij onze menselijke vrijheid kunnen uitdrukken en gestalte geven. We kunnen en mogen  ‘nee’ zeggen, zelfs tegen God.
Dat is het risico dat God wilde lopen (en nog steeds loopt) toen hij een begin maakte met de schepping van de mens. Deze vrijheid is kostbaar. Zij is tevens de garantie dat de mens zijn leven zal kunnen leiden in het voetspoor van Gods aanwijzingen, de tien geboden. De rest is eigenlijk opsmuk, versiering, maar zeker géén noodzaak.
“Alle lust wil diepe, diepe eeuwigheid” , schreef de dichter Goethe eens. Maar het is slechts God die in de bijbel ‘de Eeuwige’ wordt genoemd. Buiten Hem leiden alle wegen slechts naar kortstondig geluk want de mens is niet in staat om aan zijn leven ‘eeuwige’ zin te geven en daarmee ‘eeuwig geluk’.
De mens staat niet aan zijn eigen wieg in dit leven geworpen zal hij tastend en moeizaam zijn weg moeten ontdekken naar een zinvol en waardevol leven. Zijn medemensen kunnen hem hierbij behulpzaam zijn, zij kunnen het goede voorbeeld geven, net als de ‘zeldzame’ mensen die in de situatie van Auschwitz met de dood voor ogen toch nog hun brood durfden te delen, die in het aangezicht van de gaskamer uitriepen dat ze op God bleven vertrouwen, ondanks alles, nét ondanks alles wat hen werd aangedaan. Niet de ó zo menselijke drang om te overleven, een natuurlijke drang die wij delen met de dieren, bepaalde op dat moment hun leven, maar hun onverwoestbare wil, hun diep vertrouwen, dat de dood het einde níet is, dat God staat aan gene zijde van de grens om hen op te vangen, te koesteren en te troosten.
Is er nog vrijheid in 2050, of anders uitgedrukt is er nog geloof en vertrouwen in God? Ja, dat zal er zijn, als mensen durven sterven voor hun vrijheid, voor hun vertrouwen op God. Want dat is de prijs die Jezus moest betalen toen het puntje bij paaltje kwam, en het is de prijs die van ons wordt gevraagd als de tijden hard worden, en iedereen alleen maar aan zichzelf zal denken.
Menselijkheid is niet alleen een kwestie van mensen; humanisme is voorwaarde en noodzaak voor een menselijke samenleving, maar het is niet genoeg; de onmenselijkheid vormt maar al te vaak een te hoge muur.
Dat laat het verhaal over de uittocht van Egypte zien, onder leiding van Mozes, de uittocht uit het slavenland, het land van de angst. Zonder aanmoediging van de kant van God, zonder diens hulp zou er géén sprake geweest zijn van een nieuw Israël, en een Jezus van Nazareth. Dan zou de hoop die eeuwenlang in de harten van de mens is gezaaid al lang zijn verstikt, doodgebloed; de wereld zou een groot concentratiekamp zijn. Wij mensen moeten het zelf doen, maar wij hebben een steuntje in de rug nodig, we hebben verhalen, beelden nodig die ons op de been houden. En al zou God alleen maar een ‘idee’, een beeld zijn, maar een beeld dat ons in leven houdt, het zou (misschien) genoeg zijn.
Het meest vluchtige en vergankelijke, het meest vage en onduidelijke, het meest kortstondige en relatieve blijkt misschien wel de meeste eeuwigheidswaarde te bezitten want zeggen wij niet telkens weer opnieuw: ‘maak geen beeld, geen afbeelding van God, zo gauw je Hem vastlegt maak je Hem machteloos’.
God is onzichtbaar, onkenbaar en alles overstijgend wat een mens kan bedenken. Misschien is dat wel zijn grootste kracht, dat wij mensen het helemaal zelf mogen uitzoeken, dat wij zelf het lot van de wereld in handen hebben gekregen. Hoeveel vrijheid, hoeveel geluk is er dan niet mogelijk?
Daar kan niemand ooit genoeg van krijgen, vrijheid als stromen levend water, vrijheid als eeuwig licht, vrijheid als onbeperkte liefde, dat is God. Dat is een geschenk van God aan ons mensen, voor ieder van ons bereikbaar, ook in 2050.
4. Wie is God? Wie ben ik?

God heeft vele namen, ook in de bijbel. Een van die namen is God als leven gevende adem. God geeft adem aan alles wat leeft, ook aan de mens. Misschien zou je ons als mensen daarom kunnen beschouwen als een stukje God.
Jezus noemde God zelfs ‘Vader’. Dat wil zeggen dat hij een heel speciale en intieme band met Hem voelde. Misschien is het wel ’n deel van de taak van de mens om in het leven te ontdekken wie God voor hem/haar is en wie hij/zij als mens voor God is en voor de naaste medemens.
Want God en mens horen voor de gelovige mens bij elkaar als onverbrekelijke delen van één geheel. Maar dat moet je ontdekken, daar is veel tijd en vooral veel goede wil voor nodig. Misschien ben je daar wel een heel leven mee bezig: deze ontdekkingstocht naar God en daaronder verborgen de ontdekkingstocht naar wie je zelf bent.

Wij mensen hebben God vele namen gegeven. Elke naam drukt iets bijzonders uit, iets specifieks, en vaak ook iets persoonlijks. Toch zijn wij eigenlijk allemaal kinderen van dezelfde God ongeacht hoe wij staan ten opzichte van Hem.
In onze gelovige taal kennen wij ook veel verhalen over God en de mens, verhalen die sleutels kunnen zijn tot het verstaan van ons leven. Maar vaak passen die sleutels niet altijd op de situaties in ons leven. Zo moet je niet met bijbelverhalen aankomen als een soort compendium (antwoordboek) voor alle levensvragen. Zo makkelijk ligt dat niet.
‘Verhalen’ wil ook zeggen zin zoeken, zin leren ontdekken, antwoorden zoeken die weer nieuwe vragen oproepen. En wat blijkt dan: het leven staat niet stil, er is verandering, en ook de betekenissen veranderen, de mens verandert en óók God verandert. Als je dan als mens zegt dat jij de enige én juiste betekenis hebt, zeg je eigenlijk met andere woorden dat jij het beste en de slimste bent veel slimmer en beter dan al die andere mensen om je heen en de mensen die voor jou hebben geleefd en gesproken.
Je vergeet dat je ook maar een stukje van het geheel bent, en dat je echt niet alles kunt overzien of doorzien. En als je slechts één klein stukje van het geheel bent, als je leven en alles wat je meemaakt slechts een ‘millimillimilliseconde’ (en nog veel kleiner) is op de tijd van het ontstaan van de kosmos dan hoef je echt geen grote pretenties overeind te houden.
Maar toch ben je ook een stukje van God, geboren uit zijn adem en daarom een stukje God in jou zelf. Als we daar nou eens zouden starten, bij dat besef dat je een stukje God in je hebt, en die ervaring met elkaar delen en uitdiepen.Dan zouden er heel wat minder woordenwisselingen plaatsvinden die te vaak uitlopen op intolerantie en bloedvergieten.
Kenmerkend voor een mens is dat hij kan huilen. Er is geloof ik geen dier bekend dat tranen huilt van verdriet. Alleen de mens is daartoe in staat. Hoe zou het met God zijn? Zou hij kunnen huilen? Misschien zijn de zoute zeeën wel de tranen van God: vergoten om zoveel onbegrip en hardvochtigheid aan de kant van de mens, zijn dierbaarste schepsel?
5. Vrijheid zoeken

Vrijheid wordt vaak begrepen als vrij van uiterlijke dwang, van plichten en moeten. Maar “ware vrijheid is altijd innerlijke vrijheid”, vrij van innerlijke dwang, van behoeftes en verlangens. Niet dat verlangens en behoeftes verkeerd zijn, maar ze kunnen je van het doel afleiden, het doel van je leven.
“Wat is dat doel dan?”, zult u misschien vragen, “wat kan een doel zijn waar je jouw verlangens en je behoeftes voor opzij schuift?”
Opzij schuiven is eigenlijk niet het juiste woord, eigenlijk komt het erop aan dat je jouw leven niet vollédig laat bepalen door je verlangens, maar dat je er de baas over blijft.
Als je de maag zijn gang laat gaan blijf je eten, als je een kind alles toestaat wat het verlangt dan krijg je een vreemd soort mens dát kind zal nauwelijks uit kunnen groeien tot een evenwichtige persoonlijkheid.
Wat kan een nastrevenswaardig doel zijn in een mensenleven?
Een goede carrière? Een goed inkomen, van alle materiële zorgen vrij? Natuurlijk dát kan, tallozen streven tegenwoordig níets anders na en offeren al hun vrije tijd en hun creativiteit op aan de zaak of het werk waar zij betrokken zijn.
Maar brengt dit doel ook ‘geluk’?
Misschien is het woord ‘geluk’ een te groot woord, maar ik geloof dat wij op de een of andere wijze toch proberen om in dit (soms korte) leven gelukkig te worden. En als werk, een huis, een carrière niet altijd genoeg geluk verschaffen om jezelf ‘gelukkig’ te kunnen noemen, wat kan dán een nastrevenswaardig doel in je leven zijn?

Misschien moeten wij het antwoord wel dieper in ons zelf zoeken? In de trant van:
“gelukkig word je pas als je ontdekt wie jezelf ten diepste bent, en als je in die ontdekking mag ervaren dat je als mens geschapen bent naar de ander toe”.

Ik zet deze zin bij voorkeur tussen aanhalingstekens omdat ze geïnspireerd is door de woorden van de mystici. Zij stellen dat in elk mens een kern aanwezig is, een kern van liefde die daar door God is neergelegd, een kern ook die je als mens op de been houdt, die onaantastbaar is voor hen die je willen bedreigen, (Abel Herzberg zegt ongeveer hetzelfde in zijn boek Amor Fati, een neerslag van zijn concentratiekampervaringen).

Die innerlijke kern van liefde is de oorzaak ervan dat je als mens vol verlangen zit naar de ander, verlangen naar acceptatie en naar liefde. Ontdekking van die eigen kern is een wonderlijke ervaring. Een gevoel van grote vrijheid, want niets kan je uiteindelijk echt bedreigen. Puur geluk!
“Maar waarom ontdekken wij die kern dan zo moeilijk, of met andere woorden waarom zijn wij niet allemaal gelukkig?”, zult u misschien vragen.
Omdat wij bang zijn. Omdat in ons leven ook een tegengestelde kracht aanwezig is, als gevolg van onze geschapenheid, omdat wij ook lichamelijk zijn. Je zou het een soort oerdrang, een instinct om te overleven kunnen noemen, de angst om te kort te komen.
De mystici zeggen dat deze twee grote krachten, de innerlijke liefde, en de angst om te verliezen voortdurend in gevecht zijn met elkaar. Echt vrij kun je pas worden als je de oerkracht die de angst voedt, in toom kunt houden.
De mystici zeggen níet dat de ene kracht helemaal moet verdwijnen, dat is onmogelijk, dat vindt waarschijnlijk pas plaats bij onze dood, als wij ons lichaam moeten verlaten; maar zij pleiten voor een sterke zelfbeheersing, een zoektocht ook in je leven naar de diepe innerlijke kern van liefde.

En dát is het fijne, als je die kern gevonden hebt, ontdek je niet alleen hoe vrij je eigenlijk bent, maar ook hoe die liefde iedereen en alles doortrekt. Dat is het getuigenis van de mystici.
Misschien wordt het ook ons getuigenis, onze vrijheid, als wij maar durven, als wij onze angst om te verliezen kunnen loslaten. Wie weet dan hoeveel liefde en geluk wij kunnen verspreiden, hoeveel macht in onze handen is gelegd om het goede te doen; alvast een goede zoektocht gewenst.
6. “Nodig zijn”

“Fernando Silva leidt het kinderziekenhuis in Managua. Op de avond voor Kerstmis had hij tot heel laat doorgewerkt. De vuurpijlen knalden al en vuurwerk begon de hemel in kleurig licht te zetten, toen Fernando besloot om weg te gaan. Thuis werd er op hem gewacht om het feest te vieren. Hij maakte een laatste ronde langs de zalen om te zien of alles in orde was.
En terwijl hij daarmee bezig was, hoorde hij voetstappen die hem volgden. Voetstappen van watten: hij draaide zich om en zag dat een van de zieke kinderen achter hem aanliep. In het halfdonker herkende hij hem. Het was een jongetje dat alleen was. Fernando herkende zijn reeds door de dood getekende gezichtje en die ogen die excuus vroegen of misschien toestemming.
Fernando ging naar hem toe en het jongetje raakte zijn hand aan:
‘Zeg tegen…,’ fluisterde hij, ‘zeg tegen iemand dat ik hier ben…'”

Uit: Eduardo Galeano, Het boek der omhelzingen, Novib 1991

‘Zeg tegen iemand dat ik hier ben…’  Deze woorden sneden door mijn ziel toen ik dit kleine verhaal las op de achterkant van het decembernummer van Jota, een bijbels tijdschrift.

Waarom raakten ze me zo diep, zelfs tot tranen toe?
Identificeerde ik me misschien met het kleine jongetje die daar alleen was, en die toch durfde vragen om een beetje aandacht? Of was het eerder met de arts, de laatste persoon in het gebouw die nog langskwam?
En als ik zo diep geraakt wordt, dan moet er iets in mij zijn dat zich raken laat, dat geraakt kan worden door deze indringende woorden. Wat is dat dan?
Hoe heeft de arts gereageerd? Er wordt niets over gezegd in het verhaal. Maar hoe zou ik zelf reageren? Thuis zou er op me gewacht worden. De werktijd zat erop met overuren en al en dan deze stille zachte stem.
Misschien spreekt God wel zo tot ons, onverwacht, vanuit het zwakke, vanuit de zwakke mens. Misschien kijkt de hemel mee hoe we reageren, of we de stem verstaan, of we het antwoord geven dat gevraagd wordt van ons? Wie weet.
Ik ben vaak geneigd het laatste te geloven. Ik geloof dat God zo tot ons kan spreken, rechtstreeks, recht tot in onze ziel. Dan is er eigenlijk géén ontsnappen meer. Want elke ontsnapping veroorzaakt heel veel pijn: bij de mens die je links laat liggen en bij jezelf, diep in je ziel, omdat je geen antwoord gaf waardoor een mens “gered” werd voor dat moment.

‘Zeg tegen iemand dat ik hier ben…’  De woorden laten me niet los. En dat is goed zo. Zo houd ik de ontroering vast, vergeet ik niet, dat ik nodig ben. Óók dat is goed. Want leven doe je altijd samen, altijd met het oog óók op de ander! Nooit zal dat laatste anders zijn. Zo is het goed.
7. Partnerschap

Partnerschap tussen God en mens
Vriendschap tussen gelijken
Jij en Ik, Ik en Jij
Gesprek
Dialoog
dat is wat wij leren
uit de ontmoeting tussen God en Mozes
God en Elia
God en Samuël
God en Jezus

En God spreekt
de mens antwoordt

De mens spreekt
vraagt
smeekt

God geeft antwoord
zwijgt

stilte

de stilte als Aanwezigheid
God in de stilte
God is stilte

Wij ontmoeten God
als wij stil worden
openstaan
langzaam opengaan
voor het onbegrijpelijke
voor Zijn Naam
Zijn woord
van leven

klank van water
kabbelend
van de rotsen
Bron van leven
Lamp voor onze voeten

mens en God
Ik en Gij
Ik en Jij
partners
vrienden voor het leven

8. Alles wat ruimte inneemt is sterk én kwetsbaar

In een chinees sprookje wordt verteld over een grote zware berg. De berg is massief en sterk, en hij neemt het licht weg. Op een dat besluit de man, die zijn kleine huisje tegen de berg heeft gebouwd, dat de berg moet verdwijnen. De mensen lachen hem uit, maar hij begint te graven. Zijn zonen helpen mee. Jaren verstrijken en de man sterft. Zijn zonen gaan verder. Tot het moment aanbreekt dat de laatste stukjes van de berg zijn verdwenen. Alles wat ruimte inneemt is sterk én kwetsbaar.

Zo is het ook met levende dingen, met mensen én met namen. Alles wat ruimte inneemt, of wat met behulp van ruimtelijke begrippen wordt beschreven is sterk én kwetsbaar. Een mens, hoeveel mogelijkheden heeft hij niet, hoeveel kan hij niet met hoofd en handen bewerkstelligen? Maar ook hoe kwetsbaar is zijn broze lichaam: een klein adertje in het hoofd hoeft maar te springen en hij is verlamd, een korte schokgolf in de hartstreek of zijn leven wordt afgebroken of verandert totaal.
Zo is het ook met namen. Beschrijven wij een naam van iemand met behulp van zijn daden (in een concrete ruimte) dan wijst dat op zijn sterkte, maar het is ook zijn zwakte. Neem de Naam van God. Als God wordt beschreven door de daden die Hij deed, dan is dat prachtig. Maar wij mensen vragen ook: Kom God, daal neer, red ook mij, net zoals je het volk van Israël hebt gered uit de slavernij in Egypte. En dan gebeurt het niet, wat dan?

Daarom noemt God in de bijbel zijn eigen Naam  JHWH:”IK BEN HIJ DIE IS”, of in gewoon Nederlands: Ik ben er voor jou. Een Naam zonder franje van ik zal het zus of ik zal het zo doen, een Naam zonder nadruk op een eigenschap of een concrete daad. God houdt zich op de vlakte. Zijn domein is de tijd, de eeuwigheid. Want dát wil eeuwigheid zeggen: niet vast te leggen in een ruimte.

Daarom is God van alle tijden, is Hij er voor elk van ons. Daarom is níet de ruimte het belangrijkste voor ons geloven, maar het vasthouden aan de tijd; de kerkelijke feesten; het levend houden van de herinnering.
De herinnering bevat de mogelijkheid van bevrijding, van verlossing. En net zoals de leegte tussen de afzonderlijke letters en woorden de woorden pas zichtbaar maken en daardoor de betekenis onthullen zo maakt de Naam van God geformuleerd in tijd en eeuwigheid de daden pas zichtbaar van de mensen die zich aan Hem durven overgeven: Abraham, Izaak en Jakob en in hun voetspoor misschien wijzelf.
9. Een enkeling slechts vermag God in het donker te zien.

In de ogen van gelovige Joden is Mozes de grote leraar, de grote rabbi van het volk. Deze positie heeft hij niet zonder reden gekregen.
In het boek Exodus lezen wij hoe Mozes contact hield met God en hoe God met Mozes sprak alsof het vrienden waren. Van geen enkele profeet of andere persoon wordt dit in de bijbel gezegd. Zelfs niet van Jezus van Nazareth.
Mozes had een heel persoonlijke relatie met God; Dat vind ik verbazingwekkend en ik vind het hoopvol.

Terwijl het volk op een afstand bleef staan, trad Mozes toe op de donkere wolk waarin God aanwezig was (Exodus 20,21).

God verschijnt in een donkere wolk, in het donker. En Mozes mag naar Hem toe en met Hem praten. Het staat hier beschreven alsof het vanzelfsprekend is! Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is: praten met God, luisteren naar wat God je te vertellen heeft.
Hoe vaak roepen wij mensen niet luid naar de hemel naar God, dat Hij ons hoort, dat Hij ons verlost van onze pijnen en ons verdriet. Hoe vaak smeken wij
niet: Heer ontferm u over ons. En hoe vaak lijkt het niet alsof het allemaal niets
uithaalt. En dan staat hier in de bijbel dat God met Mozes praat en dat Mozes naar God toegaat en Hem zelfs in het donker vindt.

Wij mensen zien God niet bij daglicht, en ook niet in de nacht, wij horen nooit zijn stem, God lijkt absoluut afwezig. Wat moeten wij dan met het verhaal van Mozes? Natuurlijk zullen er genoeg mensen zijn die dit niet geloven, die het maar een verhaal, een verzinsel vinden, anderen zal het misschien helemaal niets kunnen schelen, maar er zullen ook mensen zijn die erover na willen denken.
Het verhaal over God en Mozes heeft een bedoeling, het verhaal wil ons iets meedelen. Er zijn veel betekenissen, er zijn veel verklaringen mogelijk. Daarom is het een verhaal van alle tijden, voor alle mensen.

God spreekt, Hij spreekt in het donker, hij spreekt tot een enkeling die Hij heeft uitverkoren, maar door die enkeling spreekt Hij tot iedereen. Je zou het zo kunnen lezen: wees niet bang, ook niet in het donker, als de pijn groot is en de lasten zwaar zijn. Durf te vertrouwen op die enkeling die komt in de Naam van
de Heer. Wij zingen het elke viering in het Sanctus: “heilig, heilig, heilig, de God der hemelse machten, vol zijn hemel en aarde van zijn heerlijkheid. Hosanna in den Hoge. Gezegend hij die komt in de Naam des Heren, Hosanna in den hoge”

Benedictus qui venit in nomine Domini: Gezegend hij die komt in de Naam van de Heer. Misschien moeten wij wat beter uitkijken naar die mensen om ons heen die in de Naam van de Heer komen, misschien zijn wij het soms zelf wel die voor anderen een zegen kunnen zijn, die aan anderen een stukje zegen kunnen brengen. Ook in het donker, misschien net wel in het donker.

10. De kracht van het gebed

“Heeft Hij ons bidden opgevangen” (Randstadbundel lied:161)

Verhoort God ons gebed? Ook in dit nieuwe jaar?
Velen zijn misschien van mening van niet. Als ze om beterschap vragen worden ze niet beter. De ziekte blijft én ook de strijd, de worsteling om de hoop levend te houden. Vaak valt dát niet mee. Je voelt je dan machteloos, misschien zelfs wel afgedankt. Hoeveel je ook bidt, je wordt niet (meer) gezond.
Dat is een harde waarheid. Gebeden geven vaak (‘meestal’?) geen genezing. Wat doen ze dan wel? Heeft het wel zin om voor genezing te bidden? “Sowieso”, waarom zou je “überhaupt” bidden. U hoort het: ik heb twee Duitse leenwoorden nodig voor deze éne zin om de twijfel uit te drukken.

Hoe je het ook wendt of keert, het lijkt vaak alsof God onze gebeden niet verhoort. Ligt dat aan God, wil en kan hij niet ingrijpen vanuit de hemel? Ligt het misschien aan ons, zetten we ons misschien te weinig in, geloven we te weinig in de kracht van ons gebed, tonen we te weinig vertrouwen, geven we ons te weinig over aan ons gebed. Of hebben we te weinig “Kawwaná” (letterlijk: intentie – richten, afstemmen op), zijn we ons te weinig bewust van de implicaties van wat we doen.
In de mystiek is “Kawwaná” van cruciaal belang. Mystici, kabbalisten werden dan ook vaak aangeduid als “mekawwanim”: dat betekent: “zij die altijd bewust handelen” of beter: “zij die zich voortdurend afstemmen”. Bidden met “kawwaná” betekent dus: je voor de volle honderd procent afstemmen op God, je helemaal overgeven en al je aandacht concentreren op datgene wat je vraagt, of op de mens voor wie je bidt.

“Wie geloof heeft ter grote van een mosterdzaadje”…wie van ons kent niet deze uitspraak van Jezus? “Deze mens kan bergen verzetten”.
Is dat waar? Kunnen wij met onze gebeden “bergen verzetten”? Of is het illusie om dat te denken, om dat te verwachten. Bidden we misschien niet om de verkeerde dingen, dingen die ook God níet kan herstellen. Zoals het terugbrengen van een gestorven geliefde, het opheffen van kanker of een andere vreselijke ziekte. Het ongedaan maken van een ramp.
Misschien moeten we eerder vragen en bidden om kracht, om durf, om moed, om hoop diep in ons hart. Misschien moeten we onze aandacht van God verplaatsen naar onszelf. God vragen dat we zelf sterk mogen zijn, dat we leren met ons noodlot om te gaan, dat we kunnen dragen wat ons is overkomen. Niet van God verwachten dat Hij alles zal opheffen, herstellen en ongedaan maken, wat menselijkerwijze gezien niet meer kan.

In de mystiek wordt hier genuanceerd over gedacht. Ons bidden is nooit vergeefs!
De hemel luistert en hoe groter onze inzet, hoe dieper onze intentie hoe eerder we worden gehoord. Maar hoe stem je jezelf dan af op God, hoe bidt je met “Kawwaná” zodat we worden gehoord?
Met onze oren van het verstand (van ons dagelijks bewustzijn) kunnen we deze diepe ervaring van vertrouwen nauwelijks volgen. Met ons verstand kijken we teveel naar de buitenkant, naar het zichtbare resultaat van onze inzet. En als er op het eerste gezicht niet zoveel resultaat zichtbaar is, geloven we het wel. Haken we misschien af en verliezen we het vertrouwen.
Maar wat niet met het verstand constateerbaar is hoeft nog niet afwezig te zijn. Misschien moeten we met andere oren leren luisteren, met andere ogen leren kijken, met de ogen van ons hart, van onze ziel. En dat gaat via het gevoel, via de intuïtie. Het is bijna hetzelfde als met engelen: met ons verstand kunnen we er niet in geloven, maar voor ons gevoel kunnen we bijna niet anders!
Wie van ons voelt zich niet goed bij het idee dat een beschermengel, een Engelbewaarder over ons waakt? Hoe vaak zijn we misschien net aan een ernstig ongeluk, aan een levensbedreigende situatie ontsnapt? En wie was daarvoor verantwoordelijk? Of was het alleen maar toeval?
Maar omgekeerd kunnen we ook vragen: doet de Engelbewaarders zijn werk niet goed als toch iemand onverwacht sterft in een verkeersongeluk? Of zijn er andere factoren in het spel? En welke dan?

U begrijpt natuurlijk dat ik niet hét antwoord heb op deze moeilijke vragen. Wat ik wel weet is dat het hart zijn redenen heeft die het verstand niet kent. En wat ik ook weet is dat bidden niet zinloos is. Ik heb zelf pas echt leren bidden in de afgelopen jaren dat ik hier in Badhoevedorp werk. Dat heb ik langzaam ontdekt. Stapje voor stapje. Want bidden is niet vanzelfsprekend: het is vooral je over durven te geven, overgeven aan God, overgeven ook aan het diepste in jezelf dat we van God ontvangen hebben: onze ziel.
En onze ziel, zo geloof ik, is direct verbonden met de goddelijke bron waaruit zij stamt. In onze ziel brandt goddelijk licht, de glans van God: het zijn Vonken van God, vonken die goddelijk bewustzijn verbeelden. Via ons menselijk bewustzijn kunnen we hier contact mee krijgen. Dat is níet alleen een kwestie van overgeven, maar vooral ook een kwestie van concentratie en zelfonderzoek, speuren naar je diepste bronnen, van weten wie je bent, waar je staat en wat je allemaal in huis hebt.

“Ik ben bewust. Ik kan vrij kiezen in mijn leven. Ik ben een gave persoon en ik ben dankbaar dat ik leef.” Deze woorden stammen uit een meditatieoefening om je bewust te worden van je zelf, van de heelheid diep in je ziel. Je kunt je zelf influisteren: “Ik ben dankbaar dat ik het vermogen heb dingen te zien, te begrijpen, licht van donker te onderscheiden en waarheid en onwaarheid. Mijn geest werkt en ik ben dankbaar voor mijn inzicht.”
U kunt tegen uzelf zeggen op een rustig moment: “diep in mij brandt zuiver licht, het licht van God. Hij is mijn diepste bron, uit Hem leef ik, vat ik moed, kan ik verder gaan, durf ik op weg te gaan, is geen hindernis mij te hoog; ook als ik val, val ik nooit uit zijn handen. Zijn licht brandt voor altijd diep in mij. Mijn ziel is zuiver, vol van Gods licht.”

Het is een mystiek inzicht dat zegt: via ons bewustzijn maken we contact met God omdat het menselijk bewustzijn van dezelfde “stof” is als het goddelijk bewustzijn. In die zin is de mens geschapen naar Gods’beeld en gelijkenis. Het licht van God stelt ons in staat via ons bewustzijn contact te maken met onze diepste bron: God zelf. Dat is een optimistisch beeld, een opwekkende gedachte. Want zo hoeft geen enkele mens alleen te zijn. Als hij ogen en oren open durft te zetten, kan die mens ontdekken dat God heel dichtbij is. Dat Hij er altijd al is, en dat Hij altijd al hoort wat ons ten diepste beweegt. “Heeft Hij ons bidden opgevangen” zingt een lied uit de Randstadbundel. Nog voor het over onze lippen komt.

Misschien is bidden ook wel eerst en vooral een poging om onszelf te overtuigen, ons verstand te laten zien dat er meer is, dat God werkt op een onzichtbare wijze. Dat we niet hoeven te wanhopen. Wie weet welke vormen het antwoord van God kan aannemen als hij ons bidden verhoort. Misschien word je wel door het gebed een andere mens: een nieuwe mens, die nieuwe krachten heeft ontdekt in zichzelf, die contact heeft gemaakt met zijn diepere bronnen. Want hoe kan het anders dat de grote menselijke persoonlijkheden zoveel licht kunnen uitstralen? Op de een of andere manier komt dat licht uit hun binnenste, uit hun bron, uit God. Het is goddelijk licht: Gods’glans. Daarom hoop ik dat we in dit nieuwe jaar veel tijd zullen uittrekken om onszelf spiritueel te voeden, om te putten uit de diepe krachten die we allen met ons meedragen. In die zin dan ook nogmaals: een Zalig Lichtvol Nieuwjaar gewenst.

11. God als afgrond

Aan God geven wij vele namen. Bij sommige namen voel ik mij thuis, bij anderen niet of minder. De naam van God als koning spreekt mij minder aan, die van Herder veel meer omdat ik Psalm 23, waar God Herder wordt genoemd, prachtig en ontroerend vind.
Een tijd geleden heb ik ervaren dat God ook heel goed de “Afwezige” kan heten omdat hij voor ons menselijk gevoel misschien vaker afwezig dan aanwezig is. Vooral als wij ons machteloos en verlaten voelen is de Afwezige heel erg ‘afwezig’.

Nog een andere naam voor God is Afgrond. Die naam ontdekte ik bij de schrijver Edmond Jabès, die met zijn geschriften een diepe indruk op mij heeft gemaakt. God als afgrond, als diepte waar je in kunt vallen, als onheilspellende leegte onder je voeten.
Misschien klinkt het gek maar ik heb mogen ervaren dat God een afgrond kan zijn, een leegte die donker en diep aan je voeten kan opduiken. Maar dat bedreigende beeld dat heel dichtbij kan komen in je verdriet als je rouwt, heeft iets dubbelzinnigs. Er zit als het ware een mystieke lading in: het is niet alleen maar bedreigend en negatief – het kan je ook dragen.

Ook bij de schrijver Jabès is het dubbelzinnig, ambivalent, heeft het verschillende ladingen. God als afgrond die alles opslokt – uiteindelijk vallen wij allemaal in Gods’hand bij ons sterven. In die zin is hij een allesverslindende afgrond.
Maar dat is niet persé negatief, er kan veel troost uit spreken.
Als wij groot verdriet hebben kunnen wij eveneens het gevoel hebben dat wij in een afgrond vallen, maar nu als levende mens. Je gaat niet echt dood, maar de pijn is vreselijk en het verdriet soms hartverscheurend. Als je dat ‘zwarte gat’ waarin je terecht bent gekomen God durft te noemen, dan kan daar ook iets heel troostends van uit gaan. Want dan is God (zelfs ook) in jouw diepste duisternis, dan is die duisternis God. Was het niet Oosterhuis die dichtte op Psalm 13, de Psalm van verlatenheid:

Dan nog,
klamp ik mij

klamp ik mij
vast aan jou

of je wil of niet

op genade
of ongenade

ik zal red mij
red mij roepen

of zoiets als
heb mij lief.

Uit dergelijke woorden put ik alle hoop die een mens nodig heeft; ook in de Afgrond is God aanwezig – misschien, als je durft je over te geven,  meer nog dan elders. En, je hoeft voor géén enkele afgrond meer bang te zijn! Dat geeft mij heel veel troost.

12. De relativering voorbij

In ons leven is veel beperkt en eindig. Veel is kortstondig en vergankelijk. Daarom noemen we veel relatief. Misschien is er vanuit ons menselijk standpunt gezien teveel relatief. Want waar hebben we nog een echt houvast, waar vinden we echte zekerheid die een bodem onder ons bestaan geeft?
Veel is relatief en al relativerend vallen veel zekerheden weg. Relativeren wil eigenlijk zeggen: er zijn grenzen aan de dingen, aan de gebeurtenissen en aan de betekenis van de gebeurtenissen. Maar ook de relativering zelf veronderstelt een grens, anders maakt ze zichzelf onmogelijk.

De mens relativeert. Hij relativeert zaken uit het leven, uit zijn leven. Hij stelt grenzen en geeft daarmee betekenis aan de ervaringen en de gebeurtenissen. Maar ook de mens wordt weer begrensd: de meest absolute grens in zijn leven is de dood. Voor een mens die zou willen blijven leven is deze grens van de dood toch niet te overschrijden. Hoe graag deze mens dat misschien zou willen.

Relativering is ook zelf weer relatief. Er is een grens aan elke relativering. Relativering kan op haar beurt niet zonder grenzen. Mensen overschrijden in hun leven moedwillig grenzen. Daarom zijn er eikpunten nodig.
Een eikpunt wordt helder als er grenzen worden overschreden: Een vrachtwagen vol met kinderen, op weg naar de gaskamer. 1942. Dat is een grens. Resultaat van een ontwikkeling waarvan de christen zich niet (helemaal) kunnen vrijpleiten. De schoorstenen van de crematoria hebben de rook van miljoenen verbrandde levens doorgelaten. Aan deze grens stopt álle relativering van onrecht en geweld.

Gemeten aan deze laatste grens is het probleem van bijvoorbeeld de huidige kerkverlating, de invloed van de ‘secularisatie’, het gezagsverlies van de kerkelijke hiërarchie en de problemen rond de godsdienstigheid van de mensen relatief.
Wat in het licht van het laatste echt telt is de vraag waar het werkelijk omdraait in een mensenleven. Het menselijk subject staat in het middelpunt. De vraag naar de kwaliteit van zijn/haar leven. De vraag ook naar de begrenzing van zijn leven: wanneer is een leven menselijkerwijs gesproken leefbaar zo ervaarbaar zodat van van ‘geluk’ gesproken kan worden?

Die vraag staat niet los van: Wat is de zin van mijn bestaan? Wat geeft ten diepste zin aan mijn leven? Deze vraag geldt voor iedereen. Een antwoord op die vraag kan de mens als subject meestal níet alleen geven; zeker niet los van alle andere mensen om hem heen.
Het is een kwestie van ‘samenspel’, van ‘communicatie’, van een willen verstaan van elkaar. In de dialoog groeit nieuw leven, nieuwe mogelijkheden. Een gesprek over alles wat ons bindt: een taal die woorden uit het verleden, en het zijn altijd woorden uit het verleden, nieuw leven inblaast. In de herinnering ligt ‘verlossing’ opgesloten.
Zoals het Joodse gezegde dat luidt: vergeten is ballingschap herinneren verlossing (Ba’al Sjem Tov).

Waar vinden wij die woorden, waar worden ze ons aangereikt? Het begint met de liefde van ouders, medemensen, ‘leerkrachten’ die inspireren tot nadenken. Soms zijn nieuwe woorden nodig, om het nieuwe te beschrijven, zodat het een eigen leven gaat leiden een nieuw begin op het fundament van het ‘oude’.

Taal is als een ‘landschap’; je kunt er in rondwandelen; het neemt jou op. Taal is avontuur, een op weg gaan, niet weten waar de toekomst ligt: op hoop van zegen. Maar de zegen blijkt altijd pas achteraf. Zo bij Abraham, ‘de kinderzegen’, zo bij Jakob, de worstelaar met God en mens. “Nakomelingen zoveel, als korrels zand aan het strand”, wordt tegen hen gezegd. Abraham en Jakob maakten het zelf niet meer mee.
Maar de belofte stond als de sterren aan de hemel. Soms is die hemel bewolkt, of is er teveel licht, zoals boven een grote stad. Dan zijn de sterren niet zichtbaar. Maar dat is nog geen bewijs voor het feit dat ze er dan ook niet zijn.

Waarom zijn onze ogen dan vaak bewolkt ons verstand verduisterd ons hart gesloten voor de belofte: een rijk van Vrede, Recht en Heelheid? Waarom beschouwen wij de belofte die eeuwenoud is, die zijn geldigheid in talloze levens heeft bewezen, als relatief? Als niet ter zake? Als achterhaald?

Ik vermoed: Omdat wij niet aan de grens leven van onze mogelijkheden ons kunnen niet op het scherp van de snede durven calculeren: Wie is God voor mij hier en nu in mijn leven en omgekeerd: wie ben ik voor God?
Omdat wij opgeslokt worden door andere vragen andere gedachten andere wensen. Wij staan vaak niet genoeg oog in oog met de dood met onze dood!
Wij staan vaak niet genoeg oog in oog met het lijden ons lijden!
Pas dan, kan er iets openbreken van het wolkendek dat ons het zicht ontneemt. Pas dan, als met geweld, worden de deuren van onze waarneming en ervaring uit hun voegen gelicht.

Omdat wij vaak niet anders kunnen: omdat het gevaar van de ‘leegte’, het uitblijven van het antwoord te groot is. Die spanning, dat uithouden, dat kan geen mens opbrengen; behalve hij of zij, die helemaal is toegewijd toegewijd tot het ‘bittere’ einde.
Omdat wij vaak niet anders willen: mensen die elkaar als wilde beesten willen verscheuren verhoudingen vergoed verbroken onherstelbaar verscheurd. Teveel leed is geleden, teveel lijden aan elkaar berokkend. Alle belofte verbleekt daarbij.
Een nieuwe generatie kan hier slechts verder komen, als zij opnieuw durft te beginnen om elkaar in de ogen te kijken. En dat reeds, de wil daartoe, dát is een messiaans teken.
Onze wereld is er vol mee, ondanks de schijn van het tegendeel! Wie ogen heeft die kijke, wie oren die hore! Het gaat niet om pasklare antwoorden. Die passen alleen maar in de kraam van hen die er ‘belang’ bij hebben. De beleidmakers, de mensen aan de top van de hiërarchie; zij geloven in totalitaire oplossingen, zelfs vaak ongeacht de slachtoffers. ‘Dat is de prijs die dan betaald moet worden’, zo wordt gezegd. Dat is antimessiaans. Dat is het forceren van het ‘Rijk’ met een moker. Zo verlies je zelf je fundament.

Messiaanse tekens volop, om ons heen: níet als hindernis, als muur, als obstakel tegen ‘relativering’ en verlies van waarden. Maar als nieuw plantje naast het asfalt, de gebaande wegen, de platgetreden paden. Kwetsbaar, afhankelijk, broos en teer, maar het staat er, én, het groeit: waar kleinkinderen van slachtoffers van de vele concentratiekampen en kleinkinderen van de voormalige beulen elkaar in de ogen durven zien en uitwisselen: hun angsten, hun pijn en verdriet.
Waar mensen bereid zijn om naar elkaar te luisteren: elkaars diepe drijfveren blootleggen om te leven om de moed niet op te geven om te blijven geloven, telkens waar geloven concreet wordt, in een gesprek op cruciale momenten, in diep verdriet, in wanhoop situaties, als laatste strohalm, kreet om hulp van iemand die een einde wil maken aan zijn leven en aanklopt én gehoor vindt.

Als een (kinder)blik je ziel raakt diep van binnen als je niet onberoerd kunt blijven, als je stappen onderneemt, dat wil zeggen antwoord geeft: een daad stelt geeft schenkt jezelf – inzet. Met twijfel, misschien terughoudend, aarzelend, maar het tóch doet.
Allemaal moeten wij over die grens. Een grens onszelf aangepraat: het helpt niets er wordt alleen maar misbruik van ons gemaakt. Dat klopt: God maakt misbruik van ons schandalig misbruik. Maar daar zijn wij toch voor?
Daarvoor hebben wij toch ons leven ontvangen om ons schandelijk te laten gebruiken voor zijn liefde?
En, er kan niets verkeerd lopen: wij vallen, steeds dieper, maar wij vallen in Hem onophoudelijk. Als onze ogen ontsluierd zullen zijn als de sluier, het velum, voorgoed is opgelicht – apocalyps / onthulling dan zullen wij Hem aanschouwen.
Zo luidt de belofte, die Hij in onze handen heeft gelegd.
Zij ligt in onze handen en blijft daar ook. Als en soort aardse muziek waarvoor wij de noten moeten schrijven en uitvoeren op diverse instrumenten. Ieder speelt zijn eigen partij en samen zijn wij een orkest. Geen koor van engelen, geen hemelse harmonie, maar mensen aan het werk: knarsend, zuchtend, twijfelend, genietend, vol overgave, een en al oog en oor. Evenzoveel messiassen.
Is dat genoeg? Is dat voldoende? En is het duidelijk? Zeker géén afgebakende weg, zeker geen toekomst die volop ligt te gloren als een prettige zomerochtend. Wie de worsteling niet aandurft, ‘wie wacht op een gunstige wind zal nooit zaaien’, en bij gevolg nooit oogsten. Het begint altijd daar waar men zichzelf tegenkomt. Of misschien moeten we zeggen: ontmoeten. Dan worden vragen gesteld, dan wordt er verlangd naar een antwoord op het ‘waarom’.
En al die vele ‘waarom’s’, al die antwoorden samen, al die levens van eeuwen van mensen, zij zijn telkens weer kleine stapjes, vonken van hetzelfde vuur. Zoals de ziel een vlammetje is van het grote vuur, zo brengt elke goede daad het Rijk van God wat dichterbij en elke slechte daad het weer wat verder weg.
Is het dan een kwestie van overheersing of van evenwicht een weegschaal die door moet slaan? In evenwicht geeft het kleinste zaadje de doorslag. De messias is dat zaadje. Wie is de messias: dat is de mens die de laatste goede daad pleegt die
alle gewicht in de schaal legt. Dat kan een handdruk zijn of een kus. Laten we het maar op een kus houden. Een kus die de wereld redt. Of misschien een knipoog, een schouderklopje.
Durven wij daarmee op weg de relativering voorbij opnieuw de woestijn in? Zijn wij genoeg vrij gemaakt van onze slaafse volgzaamheid en onderworpenheid aan de lusten van het leven: ons aanzien, onze invloed, onze geldingsdrang.
Zijn wij genoeg vrij om het juk van Gods liefde op onze nek te nemen: het doen van de Tora: de geboden als weg ten leven? Net zoals die vrijgemaakte slaven uit Egypte vrij gemaakt en voor de keuze gesteld: wel of niet met God op weg. “Wij zullen doen en zullen horen”.
Door te doen zal blijken hoe billijk, hoe ‘goed’ het zal zijn. Dan zullen wij horen naar Jouw stem. Doorgeven aan onze kinderen, Tora tot fundament en bron maken van ons leven.

13. Zondagochtendgebed: 12 juli 1942 – Etty Hillesum

Het was oorlog. Al een paar jaren. Etty Hillesum schrijft in haar dagboek. Ze schrijft over God. Hier volgen haar woorden van toen:

“Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je een ding beloven, God, een kleinigheidje maar: Ik zal mijn zorgen voor de toekomst niet als even zovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost een zekere oefening. Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg.
Ik zal je helpen, God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor instaan.
Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen we ons zelf. En dit is het enige wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aankomt: een stukje van jou in ons zelf, God. En misschien kunnen we ook eraan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen.
Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen.
En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat je ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen die hun lichaam in veiligheid willen brengen die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizenden angsten en verbitteringen. En ze zeggen: mij zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is.
Ik begin alweer wat rustiger te worden, mijn God, door dit gesprek met jou. Ik zal in de naaste toekomst nog heel veel gesprekken met je houden en je op die manier verhinderen van me weg te vluchten. Je zult ook nog wel eens schrale tijden in mij beleven, mijn God, niet zo krachtig gevoed door mijn vertrouwen, maar geloof me, ik zal voor je blijven werken en ik zal je trouw blijven en je niet verjagen van mijn terrein.”

14. Levensmelodie

Tijdens een van de meditatieavonden rond de vraag “Wat geloof ik nou?” kwam ik erachter dat elk mens als het ware gedragen wordt door een levensmelodie. Hoe vaak komt het niet voor dat er een melodie door je hoofd klinkt. Op straat zie je kleine kinderen zingen en huppelen op de melodie van een liedje. De muziekindustrie  zou ondenkbaar, ja zelfs onvoorstelbaar zijn als wij niet gevoelig zouden zijn voor muziek. Zo zeer zelfs dat zonder muziek het leven leeg en kaal wordt. Wij zouden misschien sterven van verveling en troosteloosheid.
Zelfs in de hemel houden de engelen zich bezig met het zingen en begeleiden van hemelse muziek voor de troon van God. Engelen die vals zingen worden meteen verteerd door een sterk vuur, want voor God moet alles perfect zijn.

Muziek is dus meer dan zij op het eerste gezicht lijkt. En dat is met veel dingen in onze wereld. Ze zijn meer dan ze op het eerste gezicht schijnen te zijn. Maar dat méér is niet vanzelfsprekend, het is niet evident. Je moet er vaak moeite voor doen om dat te ontdekken. En pas door die moeite kom je erachter hoeveel je dan terug ontvangt.
Je kunt het vergelijken met (goede) muziek die je niet kent. Hoe meer en intensiever je gaat luisteren: je haalt de tekst erbij, je leest mee, je probeert te voelen en te verstaan waar het in het lied omgaat en dan opeens is er herkenning, voel je je herkend, ervaar je dat door de muziek een stuk van je leven duidelijker kan worden. Als het ware wordt een stukje eigen leven zichtbaar vanuit de muziek die je beluistert. Je identificeert je met de zanger/zangeres, of met de klanken van het instrument en opeens gaat de muziek leven. Ze gaat een eigen leven leiden, jouw leven, als het ware.
De muziek is jouw leven binnengedrongen omdat je haar hebt toegelaten en de muziek gaat daar een eigen stukje leven leiden. Ze roept emoties op, je kunt geraakt worden, tot tranen toe geroerd omdat er allerlei beelden boven komen. Het is meer dan stemming alleen, meer dan buitenkant – muziek kan deuren van de ziel openen die niemand anders open krijgt.
Op momenten dat je treurig bent, bedroefd, op momenten dat je het niet ziet zitten kan opeens een melodie je terug brengen uit de droefheid. Donkere wolken drijven over omdat een melodie je op de been houdt.
Bekend zijn misschien de liederen die sommige Joodse gelovigen zongen toen zij de gaskamer binnengingen, hun dood tegemoet. Hun liederen waren echter de getuigen van hun grote hoop dat de dood het einde niet is.

Misschien is het citaat uit de psalm “Mijn God waarom hebt u mij verlaten” door Jezus aan het kruis, (Markus 15,34) ook een lied, (het komt tenslotte uit een psalm; Ps. 22,2). Het is het laatste lied dat Jezus zingt. In de bijbeluitleg wordt vaak met één zin is de hele psalm meegegeven.
Het is dan ook goed om de hele psalm te lezen. Vertwijfeling in deze éne zin in vers 2, maar vertrouwen en hoop in de niet geciteerde zinnen (Ps. 22,20 ev.).

In de chassidische beweging rond grote rabbijnen zit de groep aanhangers vaak verzameld rond de tafel. In hun midden de rabbi waar ze op bouwen en waar ze vol bewondering bij willen horen. Vaak wordt er niets gezegd. Er klinkt alleen een melodie, een nigoen, (een melodie zonder woorden – alleen maar klanken). En iedereen neuriet zachtjes mee. Iedereen wordt opgenomen in de magie van deze melodie.
Sommige rabbijnen zeggen dan ook dat een goede nigoen de poorten van de hemel kan openen. De hemel kan dan niet zonder antwoord blijven en de gebeden en verlangens van de mensen worden beantwoord. Dat vind ik persoonlijk prachtig. Zo zingen, zo één worden met je melodie dat de hemel ontroerd raakt.
Misschien is ons leven wel een grote melodie, een groot lied dat God in ons leven heeft gelegd. Een melodie met wisselende klanken, wisselende stemmingen, van hoog naar laag, van diep naar oppervlakkig. Wie weet.

Bij elke gebeurtenis past een lied, een melodie. Misschien zingt God wel zichzelf toe in het levenslied van de mensen, misschien huilt en lijdt hij net zo hard als wij ten tijde van verdriet en rouw. Misschien is hij net zo uitgelaten en vrolijk als wij tijdens vreugdevolle gebeurtenissen. Als je de taal van de psalmen mag geloven zou je haast zeggen van wel.
Er zit meer in muziek dan je zou vermoeden. Muziek als drager, als voertuig voor onze ziel, op weg naar God, dwars door dit leven heen.
Misschien is zelfs de stilte een vorm van muziek: goddelijke muziek, voorbij alle grenzen van het ervaarbare. God die spreekt door zijn stilte, in onze stilte, als we diep van binnen stil worden. Op die zeldzame momenten als ons dit overkomt.
Dan kan de stem van God, zijn stilte, zijn muziek pas echt gaan klinken. En wij nemen het dan over: een loflied, een danklied, een stukje gevoelde genade.
Daarom zou ik met de woorden van een psalm willen eindigen: “zing voor de Heer….” of met andere woorden “leef voor de Heer, laat je leven als een lied zijn voor de troon van God.” Veel luistergenot toegewenst.

15. Zonder ‘waarom’, zonder ‘wijze’, zonder ‘niet’.

“Diep in ons wezen rust God. Diep op de bodem van onze ziel, de grond van onze ziel, daar is God te vinden.” Deze wijsheid  komt uit de mond van  Meester Eckehardt, die leefde van ongeveer 1260 tot 1328 in het Rijnland in het huidige Duitsland. Daar trok hij rond en hield hij preken. Eckehardt had veel invloed. Na zijn dood werden zijn preken gretig gelezen en verspreid. Hij bestaat bekend als een groot mysticus.
Wat is een mysticus? Een mysticus is een mens op zoek naar God. Een mysticus is een mens die zijn zoektocht beschrijft en aan anderen laat horen wat hij gevonden heeft. Eckehardt heeft ontdekt dat je God niet ver weg hoeft te zoeken. Alle beelden van God als rechter, koning en vader zijn mooi maar leiden je eigenlijk af van het wezenlijke. God is niet te benoemen, er is geen taal die Hem beschrijft. God is niet buiten je te vinden, te pakken met een woord, een beeld of een betekenis.

Volgens Eckehardt schuilt God in je ziel. En de ziel is zelf weer drager van een stukje God. Als je als mens erin slaagt om af te dalen in je ziel, om in de volle naaktheid van Zijn aanwezigheid te gaan staan, als je Hem wilt ervaren zonder tussenschot, dan kom je tot de ontdekking dat jouw grond de Grond van God is en omgekeerd. Als je als mens je leegmaakt voor God maakt God zich leeg voor jou en kan de liefde vloeien. Dat is het hoogste verlangen van de mysticus.

Eckehardt beschrijft ook een weg, een manier om dit doel te bereiken. Dat is géén eenvoudige weg. Het is de weg van zonder ‘waarom’, zonder ‘wijze’ en zonder ‘niet’.

Zonder ‘waarom’ te vragen alle werken doen, onbaatzuchtig, niet uit op eigen gewin, of op een verklaring. Doe maar wat je doen moet.
Zonder ‘wijze’ zoeken naar God, zonder God te benoemen, Hem vast te willen leggen, zelfs zonder verlangen naar Hem.
En zonder ‘niet’ , misschien het meest moeilijke. Omdat we als mens veel níet kunnen, omdat we beperkt zijn, en gericht op ons zelf, en daardoor vergeten hoe de dingen samenhangen, hoe het leven verder stroomt, ook als wij er niet meer zijn, komt het dat wij als vreemden in deze wereld staan.
Een wereld die door God is gemaakt want alle leven komt van Hem. De mens is ook een doorgeefluik van de liefde van God, van zijn leven dat Hij in alle schepselen heeft gelegd. Dat vergeten we wel eens. Daardoor worden we beperkt in ons mens zijn, en zijn wij nog geen ‘echte mens geworden’.

Wij worden pas echt mens, menswording noemt Eckehardt dit, de menswording van God, als wij contact maken met de goddelijke liefde die in ons stroomt. Dan valt alles weg wat ons onderscheidt, dan beseffen wij opeens hoe alles samenhangt en dat het ‘niet’ datgene is wat we zelf telkens weer opwerpen om ons achter te verschuilen.
Leegmaken noemt Eckehardt die strijd met het ‘niet’, loslaten, vrij worden van alles wat je leven bepaalt. En als dat lukt, dan ligt de weg open naar je diepste wezen, naar de grond, de plek waar God woont.
Een vreemde weg? Onbegaanbaar? Wie weet, wie zal het zeggen. Uiteindelijk komen wij allemaal thuis bij God, zegt Eckehardt want in het diepst van onze ziel is God thuis en wij zijn daar voortdurend náár op weg. Zonder ‘waarom’, zonder ‘wijze’ en zonder ‘niet’. Een fijne reis.

16. “God is niet in de tijd” Simone Weil

Simone Weil, een Franse filosofe en mysticus die aan het begin van deze eeuw leefde, heeft veel nagedacht over God en de mens. Vooral de werkzaamheid van God, zijn macht om in te grijpen in de schepping, en, zijn houding ten aanzien van de mens, is onderwerp geweest van haar gedachten.
Over God schreef zij:
“God zelf kan het gebeurde niet ongedaan maken. Dat is het beste bewijs ervoor dat de schepping afgedankt is. En is de tijd niet de grootste vorm van afdanking door God? God is niet in de tijd.”

Als God niet in de tijd is, is God buiten de tijd, en is de tijd buiten God. God grijpt niet in, in deze schepping. De schepping heeft een eigen ritme, een eigen tijdsritme waar God buiten staat. Verwachten van God dat Hij zal ingrijpen in ons leven, alsof vanuit de hemel redding mogelijk is in een bepaalde situatie, dat is het onmogelijke verwachten. Zo over God denken, maakt van God een tovenaar en dat is Hij niet. Hij onttrekt zich aan de beelden die wij van Hem maken. Ook is God in die zin niet almachtig omdat zijn almacht niet werkt zoals wij mensen graag zouden willen.
“Geen wonder kan iets tegen de tijd. Het geloof dat bergen verzet, is onmachtig tegenover de tijd. God heeft ons binnen in de tijd verlaten.”

Over God schrijft Simone Weil dat wij mensen een andere relatie tot Hem moeten krijgen, God niet beschouwen als een alles beheersende  sturende Macht, maar als de ‘wachtende”:
“God wacht geduldig, dat ik eindelijk toestem, Hem te beminnen. God wacht als een bedelaar, die bewegingloos en zwijgend voor iemand staat, die hem misschien een stuk brood zal geven. De tijd is dit wachten. De tijd is het wachten van God, die om onze liefde bedelt.
De sterren, de bergen, de zee, alles, wat vanuit de tijd tot ons spreekt, brengt ons het smekende vragen van God. De deemoed in de verwachting maakt ons op God gelijkend.”

God forceert niets, de schepping is helemaal los van God, als het ware alleen gelaten, en alles in deze schepping verwijst naar het wachten van God op de mens, de mens die als antwoord op dat wachten, liefde opvat voor God.
Misschien is de hele mensengeschiedenis wel een geschiedenis van dit wachten van God, en daarom is het ook logisch dat er geen ‘eindtijd’ zal aanbreken waarin God zelf een einde maakt aan dat wachten. Alleen de mens kan, antwoordgevend in zijn liefde, deze tijd van wachten verkorten. En daarmee bijdragen aan de verlossing van God, een verlossing die ook een ‘zelfverlossing’ is!

Simone Weil schrijft: “God is alleen het goede. Daarom staat Hij daar en wacht, zwijgend. Wie opdringt of spreekt, heeft een beetje geweld nodig. Het goede, dat niet als het goede is, kan slechts erzijn. De schaamteloze bedelaars zijn zijn beelden.”

Is het gewaagd om God te vergelijken met een bedelaar langs de kant van de weg, die smeekt, vraagt om een aalmoes, een gave? In het beeld van de bedelaar wordt misschien meer expliciet hoe God gediend kan worden dan in het kerkgebouw met zijn prachtige liturgische rituelen. Dat laatste is ‘show’, niet existent, ‘als-of’, terwijl de bedelaar langs de kant van de weg realiteit is die meteen tot handelen aanzet: ‘iets geven of weigeren en voorbij lopen.’

God wacht op de mens; de mens, ongeduldig, wacht op God, en dicht God allerlei eigenschappen en beelden toe. Die niet worden vervuld, die voortdurend tekortschieten, omdat de mens niet begrijpt, niet weet hoe God wacht op hem. In de deemoed kan de mens leren hoe om te gaan met zijn ongeduld, hoe hij tot God kan spreken, hoe hij de dingen die komen kan opnemen in zijn leven. Weil zegt hierover: “De deemoed is een bepaalde verhouding van de ziel tot de tijd.
Zij is aanvaarding van het wachten. Daarom is het, op het sociale vlak, een kenteken van de onderdanen, dat men ze laat wachten.
Het feesten echter, dat alle mensen gelijk maakt in zijn poëzie, is verwachting voor allen. De kunst is verwachting. De inspiratie is verwachting. Zij zal vruchten dragen in de verwachting. De deemoed neemt deel aan het wachten van God.
De volkomen ziel verwacht het goede met hetzelfde zwijgen, dezelfde onbeweeglijkheid en deemoed als God zelf.”

De mens die deemoedig is, die wacht, wordt daarin gelijkend op God. Weil spreekt over een volkomen ziel, een ziel die dat einddoel heeft bereikt. Maar zover is het meestal niet: meestal is dat einddoel ver weg.
“God en de mensheid zijn als een minnaar en zijn beminde, die in een verwarring over de plaats van de ontmoeting geraakt zijn. Elk van beiden is op tijd op zijn plek, doch elk op een andere plaats, en ze wachten, wachten, wachten.
Onbeweeglijk staat de minnaar daar, vastgespijkerd voor alle tijden. De beminde is verstrooid en ongeduldig.
Wee haar, als ze er genoeg van heeft en weggaat! Want de beide punten, waar zij zich bevinden, zijn dezelfde punten in de vierde dimensie.
God is het verwachten zonder afleiding. Wij moeten Gods verwachting en deemoed naijveren. “Wees heilig, omdat Ik heilig ben”. Navolging Gods.

Heilig zijn is dus een vorm van wachten, van deemoedig wachten op God, de “Wachtende op mij”! Maar houd ik dat vol, kan ik dat geduld opbrengen?
Weil schrijft over onze houding: “Wij hebben ons ik in de tijd.
De acceptatie van de tijd en al datgene, wat deze brengen kan zonder een enkele uitzondering (amor fati) is de enige instelling van de ziel, die niet door de verhouding met de tijd bepaald is.
Zij omvat het oneindige. Wat er ook gebeurt…
God heeft zijn eindige schepsels deze macht gegeven, om zich in het oneindige te kunnen verplaatsen. Het verbeelding daarvan is de wiskunde.”

Dus, door te accepteren wat het leven ons brengt, het ondergaan van de uren, dagen, jaren, het lot “beminnend”, dat is de houding die ons tot vrije mensen maakt en die los staat van de tijd zelf.
Wij kunnen kiezen hoe wij omgaan met de dingen die de tijd ons brengt. Weil pleit voor aanvaarding, acceptatie. Want, zo zegt ze, uiteindelijk komt alles van God. En keert alles terug in God.
Maar: “beschouwt men de aangename of pijnlijke inhoud van elke minuut (zelfs de minuut, waar wij zondigen) als een bijzondere liefkozing van God, waardoor scheidt ons dan de tijd van de hemel?”
Want als alles uit Gods hand is, wat maakt ons mensenleven dan zo bijzonder, wat is de essentie van onze vrijheid, en wat de zin van ons lijden?
Weil zegt: “De verlatenheid waarin God ons achterlaat, is zijn bijzondere manier en wijze, om ons te beminnen. De tijd, die onze enigste ellende is, is zelf de aanraking van zijn hand.
Zij is de afdanking, volgens welke wij aan Hem het erzijn verdanken. Hij houdt zich ver van ons, want als Hij dichter bij zou komen, zou Hij ons doen verdwijnen. Hij wacht, totdat wij dichter naar hem toegaan en verdwijnen.”
Leven is dus ontdekken dat wij mensen leven om in God op te gaan; uiteindelijk. Daar bewust naar toe leven, daarvan je bewust zijn en er naar handelen: dat is God beminnen met heel je hart, heel je ziel, heel je kracht.
Wij hebben de afdanking door God nodig, het alleen gelaten worden in de tijd, om op eigen kracht te ontdekken waar ons heil vandaan komt en waar ons doel ligt. Sterven is uiteindelijk, telkens weer, thuiskomen bij God.
“In de dood verdwijnt de een in de afwezigheid van God, de ander in de tegenwoordigheid van God. Wij kunnen dit onderscheid niet begrijpen. Daarom heeft men, om dit onbegrijpelijke enigszins voorstelbaar te maken, de beelden van het paradijs en de hel verzonnen.”

Als wij in de tijd leven en in deze wereld staan rest ons slechts om te doen wat God van ons vraagt: Hem te beminnen, het goede na te streven, het goede tot deel van ons eigen leven te maken. Maar dat goede is geen bezit zoals wij een voorwerp bezitten of een eigenschap. Het goede is ook een geschenk van God aan ons als wij maar genoeg begeren.
Weil schrijft hierover: “Kern van het geloof: het is onmogelijk, het goede oprecht te begeren en het niet te behouden (verkrijgen). Of omgekeerd: wat zich oprecht begeren laat, zonder het te behouden(verkrijgen), is niet het oprecht goede.
Het is onmogelijk, het goede te behouden(verkrijgen), wanneer men het niet begeert heeft. Dat betekent het voorschrift, om zich op niets te verlaten behalve op datgene, wat van iemand zelf afhangt. Maar niet wordt bedoeld datgene, wat men in zich heeft of wat men zich door zijn wil kan bezorgen. Want dat allemaal is erbarmelijk en waardeloos. Het gaat om een voorwerp van het deemoedige verlangen, het smekende, vertwijfelde smeken.
Het goede is iets, dat men nooit door zichzelf kan bereiken, dat men echter ook nooit begeren kan, zonder het te behouden (verkrijgen).
Daarom lijkt onze situatie helemaal op die van kleine kinderen, die hun honger uitschreeuwen en brood ontvangen. Daarom zijn de smekenden van elk soort heilig, elke smekende vraag is heilig. Men heeft de plicht, alles toe te staan, waartoe men niet de plicht heeft om te weigeren.”

Simone Weil gebruikt het bijbelse beeld van de olijfboom om het goede te omschrijven, het goede dat door God wordt aangeboden maar waar wij mensen naar moeten leren vragen: “Olijfboomtwijg. De boom van de Heilige Geest, embleem van de smekende vragers. God heeft in deze wereld het goede en de kracht gescheiden en zich het goede voorbehouden. Zijn geboden hebben de vorm van vragen.”
Dat leren ontdekken en dan mogen ervaren waarom wij in dit leven staan, en hoe wij aan God tegemoet kunnen komen in daden en kracht van liefde, dat is de ontdekking van een zinvol leven, een leven op weg naar God in een tijd die door God verlaten is.
17. Op leven én dood – spiritualiteit in een hedendaags licht.

Motto: Een brandende kaars is voldoende,
om de ruimte van onze gedachten,
onze gebaren, onze geschriften te begrenzen.

Edmond Jabès

Ons leven is beperkt, het heeft een bepaalde duur, een bepaalde intensiteit. Dat is het dan. Dat is een harde waarheid. De dood wacht op elke levende.
Maar ook tijdens ons leven is er al dood, beperktheid: ‘ons kennen is stukwerk’, schreef Paulus die zichzelf tot apostel uitriep; ‘ons leven is fragment’ zei Abel Herzberg. Daar moeten wij het mee doen. Maar dat valt niet altijd mee. Talloos zijn de pogingen om onze kennis en daarmee ons leven uit te breiden, te verlengen, te funderen tegen de dood.
De dood is als een zee, een golf die je overspoelt, geen dijk is er tegen bestand, geen wering is hoog genoeg. En toch proberen wij het, omdat wij onze eigen dood nog niet kennen en daarom tegen beter weten in, het onmogelijke willen geloven: leven in overvloed, leven ‘als een God in Frankrijk’, in een land van melk en honing, een paradijs zonder dood (en daarom misschien ook zonder boom van goed en kwaad.) Natuurlijk weten we dat het een droom is, dát laatste; maar het is wel een droom die ons gaande houdt; het is de (vaak onbewuste) motivatie op een dieper niveau onder ons handelen, ons streven naar inzicht en kennis in de processen van het leven.

‘Maar vaak reikt het licht van onze kennis niet verder dan de grenzen van het kaarslicht in een donkere kamer’. ‘Daarom is onze teleurstelling groot, dat wij niet over de grenzen van het licht heen kunnen reiken’, zegt Edmond Jabès, een Franse filosoof. “Schrijven is dan misschien niets anders dan een beetje licht om de woorden verspreiden.” Of anders uitgedrukt: schrijven ‘als een tijdelijke barrière tegen de dood’, als een poging om beetje bij beetje enkele diepere fundamenten bloot te leggen in ons leven. Een basis waarop we onze betekenissen kunnen grondvesten, een manier om een richting te vinden om verder te gaan op onbekende wegen.
Dat is ook de strekking van dit artikel: het is een poging om te articuleren in het aangezicht van de dood. Voor mij persoonlijk komt dit overeen met de uitdaging om te leven dankzij het fragmentarische, het mislukte, het cynische en het bittere. Dat noem ik spiritualiteit, geestkracht, inspiratie die ons kan dragen. In eerste instantie moeten wij het zelf dus doen: bewust worden van onze eindigheid! Vervolgens is er dan ook een moment van gedragen worden, weten dat in elk fragment ook het geheel is meegegeven. Abel Herzberg schreef hierover dit prachtige gedicht:

Want alles is fragment

Al door het zeggen van het woord
Deelt men, scheidt men en schendt
Het al omvattende, dat men niet kent,
Dat ik aanwezig weet, of alleen maar vermoed,
Dat ik niet uitspreken kan en toch uitspreken moet,
Dat mij beheerst, dat mij gehoorzaamheid gebiedt,
En als ik zoek en luister, dan vind ik het niet.

Eén troost blijft:

Er is in ieder woord een woord,
Dat tot het onuitsprekelijke behoort;
Er is in ieder deel een deel
Van het ondeelbare geheel,
Gelijk in elke kus, hoe kort,
Het hele leven meegegeven wordt.

Onze eindigheid als uitgangspunt voor elke vorm van spiritualiteit, dat is wat ik beoog. “Door de dood begint alle denken” schreef de Joodse filosoof Frans Rosenzweig in zijn beroemde boek “Der Stern der Erlösung”. Die zin heeft mij nooit meer losgelaten.
Hoe waar deze woorden telkens worden merk ik dagelijks in mijn werk, als ik geconfronteerd word met het plotseling sterven van mensen, als er afscheid genomen moet worden en als het onvermijdelijke onder ogen moet worden gezien.
Ik heb het in mijn eigen leven ervaren met de dood van mijn moeder. Zij was het leven moe geworden en resoluut heeft zij de stappen gezet die zij nodig vond. In het water vond zij haar redding, een weg naar omhoog. Maar wat haar een uitweg bood uit ondragelijk psychisch lijden, bracht ons soms tot diepe vertwijfeling: waarom op moederdag, waarom zo, waarom zo radicaal, elke andere uitweg afwijzend?
De dood werpt een ander licht op het leven; hij is niet alleen de grens ervan, hij maakt het leven mogelijk, de dood is de bestaansvoorwaarde voor het leven. De dood werpt het leven in het diepe – al zwemmend, al levend, vind je jouw weg.
Vandaar ook dit uitgangspunt als het over spiritualiteit gaat in onze tijd, in onze samenleving, voor onze toekomst. Dat is niet alleen een nuchter uitgangspunt, het is ook de enige grond van zekerheid om op te staan. De rest zal allemaal moeten blijken.
Waarom leven wij, waartoe? Eeuwenlang hebben deze vragen de spirituele agenda van de mensheid bepaald.
Ook wij kunnen niet zonder die vragen, telkens komen ze boven in situaties van verdriet en lijden. En al zijn wij misschien niet altijd in de stemming om antwoorden te zoeken, toch kunnen we niet zonder deze vragen, op straffe dat ons leven leeg, inhoudsloos wordt.
Misschien willen wij ze soms wegstoppen, onderdrukken, net zoals je een bal onder water probeert te houden, Maar hoe harder je duwt, hoe sneller hij weer bovenkomt. Lucht onder water wil alleen maar naar boven, zo is het ook met vragen rond zin en lijden: zij moeten worden geuit, besproken, in woorden omgezet.
Waar draait het om in ons leven? Wat is echt belangrijk, wat buitenkant? Elk van ons zal hiermee aan de gang moeten gaan, antwoorden proberen te vinden, door schade en schande wijs proberen te worden. Ook dat zal een bodem blijven onder elke vorm van spiritualiteit. De geest kan nu eenmaal niet zonder vormgeving, zonder concrete antwoorden door mensen gegeven op de vragen van het leven, op de vragen rond de zin van het bestaan.
Maar waar is dan een verder houvast te vinden, welke schreden kun je zetten op je levensweg verder dan de dood, verder dan de zekerheid van het einde? Of anders geformuleerd wat is echt de moeite waard in ons leven, om je in te verdiepen, als krachtbron, stromend water dat leven geeft, een heiland met antwoorden op je vragen?
De talloze religieuze uitingen van mensen liegen er niet om: mensen staan bol van verlangens en hun gedrag is religieus; dat blijkt ook vaak uit de invulling van sport en hobby tot en met de vakantie, het werk en de studie. Een mens is een religieus dier. Al zijn uitingen kunnen ook religieus worden verstaan.
Maar daarmee zijn wij er nog niet, dat is letterlijk te weinig, te oppervlakkig, te vaag. Waar het nu om gaat is de vraag naar de kwaliteit, de vraag naar de diepte, de dragende grond. En niet voor iedereen gelden dezelfde voorwaarden, niet iedereen deelt dezelfde gevoelens en opvattingen.
Er is pluraliteit, ook in beleven, ondanks de waarheidsaanspraken van de gevestigde godsdiensten. Waarheid is eerst en vooral een leven leiden in waarheid, in overeenstemming met datgene waar je in gelooft. Waarheid is bovenal integriteit, plausibiliteit en getuigenis. Spiritualiteit die in naam van velen wil aanspreken kan niet zonder dit laatste: zonder gedrag dat getuigt van de diepere beweegredenen, de gedrevenheid en het durven. Vooral het op het spel durven zetten van je leven voor datgene waar je in gelooft. Of beter waar je op vertrouwt.
Want daar draait het voor mijn gevoel altijd om in geloven: geloven is de concrete uitwerking van je religieus verlangen, het is de vormgeving ervan in relatie tot een God. En dat is een relatie die gekenmerkt wordt door het feit dat je durft je toe te vertrouwen. Dat is een ander soort waarheid dan de waarheid van het objectieve feit of de gebeurtenis die heeft plaatsgehad. Het is een manier van leven, een leven dat risico’s durft te nemen ondanks alle beperktheid, ondanks alle onzekerheid. Een leven dat waarheid zal worden in het getuigenis. Getuigen van je ten diepste bezielt, waar je je leven voor op het spel durft te zetten.
Het is een soms op de tast zoekend verder gaan, met de twijfel in je bagage, maar ook met de moed in je hart dat je al gaande de weg pas antwoorden zult vinden. Het is een manier van leven getekend door de hoop als voornaamste kracht; de hoop is de grote motor, de drijvende kracht achter al je gedachten en schreden.
Maar waar kom je God dan tegen, waar ontmoet je mensen geraakt door de vinger, het woord van God zodat hun leven een en al getuigenis is of worden kan? En ben je zelf misschien die mens?
De mystici geven verschillende antwoorden. Antwoorden die mij persoonlijk erg aanspreken. God vind je op vele plaatsen. Eén woonplaats is je eigen hart, een andere woonplaats is de kosmos die je omgeeft, weer een andere woonplaats is de nabijheid van de arme en de geknechte mens. God dien je door naar de stem van je eigen hart te luisteren en in stilte alles aan Hem voor te leggen, God dien je door de aarde naar zijn wil te beheren en de naaste arme en slaaf te bevrijden van zijn armoede en slavernij.
Daar is moed voor nodig en veel vertrouwen, want de logica van ons verstand zet ons vaak op het verkeerde been. Ons hoofd kent niet de redenen van het hart, dat wist reeds Blaise Pascal. Maar durven wij het aan om met ons hoofd blind te varen op het hart? Durven wij af te dalen in onze eigen diepten om daar God te ontmoeten in de stilte? Durven wij hem te zoeken in de ons omringende wereld, die volgens de Chassidische meesters vol is met zijn vonken? Durven wij Hem te ontmoeten in de gestalte van onze medemens naast de kant van de weg?
Het zijn allemaal vragen die wij zelf moeten beantwoorden. Niemand kan het voor ons doen. We zullen zelf in ons eigen leven de antwoorden moeten zoeken. Maar wij hebben ook steun van buiten: onze menselijke geschiedenis is vol van dergelijke vragen en de verschillende antwoorden die erop gegeven zijn.
Wij hebben niet alleen de heilige schriften en de schriftelijke getuigenissen van grote mannen en vrouwen, wij hebben ook de mensen om ons heen, onze ouders, onze vrienden en vriendinnen waar we, als het goed is, veel liefde van hebben ontvangen en nog ontvangen.
Want misschien is dat wel het grootste geheim in een mensenleven: de hemel ligt binnen handbereik, als wij één zijn van hart en van hoofd, één van instelling en van daden. Maar dat is altijd gemakkelijk gezegd. Laat het maar eens zien, getuig maar eens met je leven, wat je woorden, je opvattingen waard zijn. Hoe jij als mens in de liefde gelooft, hoe jij als mens mag ervaren dat je gedragen wordt door liefde. Dat de liefde de alles overheersende kracht is waar het allemaal om draait. Als God liefde is en als die liefde in ons leven werkt, sterk als de dood, dan kan er niets verkeerd gaan. Dan is ook de dood uiteindelijk een vallen in Gods’liefde, een zien van aan-gezicht tot Aangezicht.
Het was Edmond Jabès die schreef: ‘de slaap is niet altijd het verlies van bewustzijn. God liet de wereld slapen om haar te scheppen, en sliep toen zelf in bij de schepping, opdat Hij van zijn kant door haar geschapen zou worden.’
Het is dus aan ons om als wakkere kinderen Gods zijn liefde aan de man te brengen. Dat is niet alleen de droom van God, het is ook onze eigen droom, als wij waker geworden als nieuw mens dit leven mogen betreden bij de geboorte. Spiritualiteit is dus niets anders dan in het aangezicht van de dood leven dat de liefde ervan af springt.
18. God en het lijden?

In welke God geloof jij? En wie of wat is God? Voor velen is deze vraag misschien heel vertrouwd. En het antwoord? Welk antwoord geven we als deze vraag aan ons gesteld wordt, of als we de vraag aan onszelf stellen? Hebben we wel een (goed) antwoord, kunnen we ermee uit de voeten? Of met andere woorden kunnen we er iets mee, geeft het ons steun, houvast, vertrouwen, hoop? Vooral op de momenten als het minder goed gaat, op de momenten als we vol vragen zitten en het eigenlijk niet zien zitten omdat er dingen gebeurd zijn die te pijnlijk zijn, te verdrietig om te bevatten.

Tijdens een van de bijeenkomsten van Kinder-Bijbel-Praat spraken we ook over God. Toen ik vroeg of je met God kunt praten zei een van de kinderen dat dát kan, namelijk als we bidden. Maar geeft God ook rechtstreeks antwoord uit de hemel? Niemand van de kinderen kon dat bevestigen. En toch bidden wij, leggen wij onze ziel bloot voor God en vragen wij om zijn hulp.
Aan de kinderen heb ik uitgelegd dat je God heel goed kunt vergelijken met zoiets als liefde. Je ouders houden van je en dat blijkt uit hun zorg, uit vele kleine dagelijkse dingen. Maar de liefde zelf kun je eigenlijk niet vastpakken en toch is ze er. Zo is het misschien ook een beetje met God. We hebben God nodig om onze dankbaarheid en onze zorg uit te drukken. Hij is de onzichtbare partner in ons leven. We kunnen hem niet echt aanwijzen, niet vastpakken of bewijzen maar toch is Hij er, onzichtbaar op de achtergrond.

In het Jiddisch stonden in 1945 enkele woorden op de muur gekalkt in een kelder te Keulen waar tijdens de oorlog enkele Joden ondergedoken zaten:

‘Ich glojb in der zoen, afile ven zi sjajnt nit;
ich glojb in der libe, afile ven ich fil ir nit,
ich glojb in Gott, afile ven er sjvajgt. ‘

In gewoon Nederlands staat er:

‘Ik geloof in de zon, ook als ze niet schijnt.
Ik geloof in de liefde, ook als ik die niet voel.
Ik geloof in God, ook als Hij zwijgt.’

Persoonlijk kan ik mij heel goed in de strekking van deze woorden vinden en drukken ze ook voor mij een stuk persoonlijk geloof uit. Het zijn voor mij niet zomaar woorden. Het is niet zomaar een “geloofsbelijdenis”! Het zijn woorden die opgeschreven zijn in een tijd dat God zijn gezicht verborgen hield, een tijd waarin miljoenen mensen slachtoffer werden van een niets ontziende terreur. Achter deze woorden hoor ik bijna als het ware de hopeloze en vertwijfelde kreten van de slachtoffers, hun schreeuwen om hulp en het uitblijven van redding…

Tijdens onze bezinningsdagen met het team van pastores had de inleider een boekje meegebracht waaruit bovengenoemde woorden stammen. Het boek heet: “Josl Rakover wendt zich tot God ” geschreven door: Zvi Kolitz. Het is een zogenaamd testament dat na de oorlog op schrift is gesteld. De tekst bevat indringende passages waarin Josl Rakover spreekt met God over datgene wat hem en zijn medelotgenoten overkomen is. Ik vond de tekst zo aangrijpend dat ik graag enkele passages wil citeren. Na alles wat er met zijn gezin is gebeurd (allen zijn vermoord of gestorven) zegt Josl:

“Ik kan na alles wat ik heb meegemaakt niet zeggen dat Mijn verhouding tot God niet veranderd is, maar ik kan met absolute zekerheid zeggen dat mijn geloof in Hem geen spat veranderd is. Vroeger, toen het mij goed ging, was mijn verhouding tot Hem als tot iemand die me met gunsten overlaadde en die ik daardoor voortdurend iets verschuldigd was.
Nu is mijn verhouding tot Hem als tot iemand die mij ook iets verschuldigd is, veel verschuldigd is. En nu ik voel dat Hij mij ook iets verschuldigd is, denk ik dat ik het recht heb Hem te vermanen. Ik zeg echter niet, zoals Job, dat God met zijn vinger mijn zonden moet aanwijzen, opdat ik weet waaraan ik dit alles verdien.
Want grotere en betere mensen dan ik zijn er rotsvast van overtuigd dat het op dit moment niet om straf voor zonden gaat, maar dat er in de wereld iets bijzonders aan de hand is: dat het een tijd is van ‘hastores ponem’, dat wil zeggen een tijd waarin God Zijn gezicht verborgen houdt.”
God houdt zijn gezicht verborgen. Voor hoe velen onder ons geldt dat misschien nog steeds? Als je ernstig ziek in bed ligt en er is weinig hoop op genezing terwijl je dat wel eigenlijk verwacht of zou hopen. Of als je een dierbaar iemand dreigt te verliezen aan kanker of een andere levensbedreigende ziekte? Of je hebt net je partner, of je kind, je broer, je zus, of een van je ouders begraven?
God houdt zijn gezicht verborgen, het lijkt wel alsof je het helemaal alleen moet opknappen, het lijkt alsof er (voorlopig) géén licht schijnt op het einde van de tunnel.
Josl Rakover is zich heel goed bewust van deze situatie. Maar hij verwacht niet voor hemzelf  bijzondere redding. Hij schrijft:
“In zo’n toestand verwacht ik natuurlijk géén wonderen en ik bid niet tot Hem, mijn God, om medelijden met mij te hebben. Tegenover mij mag Hij zich met dezelfde gezichtsverhullende onverschilligheid gedragen als tegenover miljoenen van Zijn volk. Ik ben géén uitzondering op de regel en ik verwacht geen speciale behandeling.”
Josl Rakover is nuchter, realistisch. Waarom zou hij wel worden geholpen en die talloze anderen niet? Maar daarmee is niet alles gezegd. Ook al houdt God zijn gezicht verborgen en kunnen wij mensen slechts gissen naar het waarom, dat wil nog niet zeggen dat wij als mensen ons zomaar daarbij neer moeten leggen, dat we maar moeten aanvaarden wat er komt.
Josl ziet zijn lijden en zijn ellende in het perspectief van het eeuwenlange lijden van het volk van Israël maar hij bepaalt ook zijn eigen plaats ten opzichte van God. Hij schrijft:
“‘Niets is zo heel als een gebroken hart, heeft een beroemde rebbe eens gezegd, en er bestaat ook geen uitverkorener volk dan een permanent zwaar getroffen volk. Toen ik niet kon geloven dat God ons als uitverkoren volk bestemd had, geloofde ik dat we door onze ellende waren uitverkoren. Ik geloof in de God van Israël, ook al heeft Hij alles gedaan om mij niet in Hem te laten geloven. Ik geloof in Zijn wetten, ook al kan ik Zijn daden niet rechtvaardigen. Mijn verhouding tot Hem is niet meer die van een knecht tot zijn meester, maar die van een leerling tot zijn rebbe. Ik buig mijn hoofd voor Zijn grootheid, maar ik zal niet de stok kussen waarmee Hij mij slaat. Ik heb Hem lief, maar Zijn tora heb ik meer lief, en zelfs al zou ik teleurgesteld in Hem zijn, dan zou ik nog Zijn tora beschermen.
God betekent religie, maar Zijn tora betekent een levenswijze, en hoe meer wij voor die levenswijze sterven hoe onsterfelijker zij zal worden.
Daarom veroorloof ik mij, God, voor mijn dood, nu ik volkomen bevrijd ben van ieder spoor van angst, nu ik me bevind in een toestand van absolute innerlijke rust en zekerheid, voor de laatste keer in mijn leven met je te argumenteren.
Dan wil ik je vragen, God, en die vraag brandt als een verterend vuur in me: ‘Wat, o wat moet er nog gebeuren voordat je je gezicht weer aan de wereld laat zien?’ ”
Josl Rakover worstelt met God, de God van zijn dromen, de God die hij zich heel anders had voorgesteld. Géén God die zich verbergt, maar een God die helpt. Géén God die afwezig is, maar die het onheil helpt voorkomen. De bijbel staat toch vol van tekens, van vingerwijzingen van God, rechtstreeks uit de hemel, waarom dan nu niet?
Maar ‘niets is zo heel als een gebroken hart’, niets is zo heilig dan een vertwijfeld mens. Volgens de rabbijnen kijkt men vanuit de hemel heel anders naar de aarde dan wij zouden verwachten. Daarom gaan we mensen op aarde vaak de fout in als we denken dat een gelovige helemaal níet mag twijfelen, dat een vroom mens géén fouten mag begaan…
Maar het is makkelijk gezegd, dat als je hart gebroken is, als je sterft van verdriet en van pijn, dat de hemel je dan zal opnemen. Zolang je leeft is dat een schrale troost.
Maar misschien kan dit beeld ons toch op andere gedachten brengen, kan dit beeld ons toch troosten omdat het ruimte geeft, omdat we niet langer perfect moeten zijn. En omdat met dit beeld een God beleden wordt die oog heeft voor de gebroken mens.
Nét de gebroken mens is het méést kostbaar in zijn ogen….
Josl Rakover schrijft:
“Ik sterf rustig, maar niet tevreden. Geslagen, maar geen slaaf, verbitterd, maar niet teleurgesteld, gelovig maar niet smekend, verliefd op God maar niet als iemand die
blindelings ja en amen tegen Hem zegt.
Ik ben Hem gevolgd ook toen Hij mij van zich afstootte. Ik heb Zijn geboden opgevolgd, ook toen Hij mij daarvoor strafte. Ik heb Hem liefgehad, ik ben verliefd op Hem geweest en gebleven, ook toen Hij mij tot in de grond vernederde, mij doodmartelde en aan schande en spot uitleverde.
Mijn rebbe vertelde me altijd opnieuw de geschiedenis van een jood die met vrouw en kind voor de Spaanse lnquisitie vluchtte en met een bootje over een stormachtige zee een rotsig eiland bereikte. Toen kwam er een bliksemslag, die zijn vrouw doodde. Er stak er een storm op, die zijn kind in zee wierp. Alleen, eenzaam als een steen, naakt en barrevoets, gegeseld door de storm en beangstigd door de donder en de bliksem, met verwaaide haren en zijn handen opgeheven naar God, vervolgde de jood zijn weg op het woeste, rotsige eiland wendde zich als volgt tot God: ‘God van Israël, ik ben hierheen gevlucht om je ongestoord te kunnen dienen, je geboden op te volgen en je naam te heiligen.
Maar je doet alles om mij niet in je te laten geloven. Als je denkt dat het je zal lukken me met die beproevingen van de goede weg te laten afdwalen, moet ik je, God van mij en mijn voorouders, zeggen dat dát je allemaal niet zal helpen. Je mag me beledigen, je mag me straffen, Je mag me het dierbaarste en beste dat ik op de wereld heb afnemen, je mag me doodmartelen ik zal altijd in je geloven. Ik zal je altijd liefhebben, altijd jou alleen, ondanks wat je me aandoet.'”
Ik kan deze woorden nauwelijks zonder tranen lezen. Dat verbeten liefhebben van God, ondanks alles, ondanks het grootste verdriet. “Het zal je niet lukken God, dat ik niet meer van je zal houden, dat ik je zal verwerpen, ontkennen, afweren…” Dat is voor mij persoonlijk menselijke vrijheid ten top: God ondanks God zelf blijven vertrouwen, terwijl het leven daar eigenlijk geen aanleiding meer toe geeft.

‘Ik geloof in de zon, ook als ze niet schijnt.
Ik geloof in de liefde, ook als ik die niet voel.
Ik geloof in God, ook als Hij zwijgt.’
19. “Sine timore” – zonder vrees

Wat is er prachtiger dan “niet bang” zijn? Zonder vrees in dit leven te staan en te voelen en weten “dat je er mag zijn”, dat in wezen je eigenlijk “niets” kan deren omdat je diep van binnen voelt dat je “onsterfelijk” bent?
Echt onsterfelijk ben je natuurlijk niet: je lichaam is heel kwetsbaar en ook je geest kan niet alle klappen die het leven toedient opvangen. In die zin is je leven beperkt, eindig.
Maar de “onsterfelijkheid” die ik boven bedoel is van een andere categorie. Het is een soort onsterfelijkheid van het geestelijke niveau. Een gevoel van dat “God nooit het werk van zijn handen laat varen” en “dat het altijd goed komt wat er ook gebeurt.”
Misschien mag je dit gevoel ook wel een stuk “basisvertrouwen in het leven” noemen, vaste grond onder je voeten, een vorm van geluksbeleving. Niet bang zijn, zonder angst kunnen leven omdat je weet dat het goed zit.
Maar waarom heeft dat niet iedere mens, waarom zijn er mensen waar de angst van het gezicht afstraalt? Waarom zijn er mensen die bang zijn “alles” te verliezen? Wat is die angst, waar komt die vrees vandaan?

Is het misschien eerder een gevoel van kwetsbaarheid, het met de neus op het feit worden gedrukt dat je ziek kunt worden en sterven? Of is het de angst om te verliezen wat je hebt opgebouwd in dit leven? Op materieel en geestelijk terrein, in relaties en via je werk? Wordt de angst veroorzaakt omdat je niet vrij bent, niet vrij van bindingen aan datgene wat je in handen denkt te houden?
“Angst is een slechte raadgever” en “Angst eet zielen op” zegt een indiaans spreekwoord. Ten diepste wordt daarmee bedoelt dat de angst knaagt aan de bodem van je bestaan, dat angst beetje bij beetje de grond onder je voeten weghaalt. En als je dan wankelt word je alleen maar banger.

Maar waarvoor zou je eigenlijk bang zijn? Wat heb je te verliezen? Wat heb je werkelijk te verliezen? Je bezit? Je zekerheden? Je carrière? Je toekomstperspectief? Je gezondheid? je relatie met andere mensen om je heen? Je leven? Heel wat kun je verliezen in dit leven en misschien het allerergste om te verliezen is je moed en je hoop. Zonder moedig staan in dit leven, zonder hoop op een goede afloop is er reden tot bang zijn. En hier schuilt meteen de “spreekwoordelijke adder” onder het gras: zonder moed en hoop is er véél, veel ruimte voor angst. En als je moedig bent en de werkelijkheid onder ogen durft te zien, hoe hard die soms ook is bij de dood van een geliefde, of bij je eigen naderende dood, en je zet alle kaarten op de hoop: “dat het goed zal komen, dat de liefde nooit zal sterven”, ook ten aanzien van jou, dan is er nauwelijks ruimte voor angst en twijfel. Dan krijgt de wanhoop en de vrees geen kans!
Psalm 23 zegt het zo mooi:

Omdat de Heer mijn herder is, mijn hoeder,
daarom zal ik nooit iets tekort komen.
Hij immers zorgt voor een plek om te rusten,
aan de oevers van zeeën en meren, daar waar stilte is en bezinning.
Daar leef ik op, daar vat ik moed om verder te gaan op wegen die ik ken.
Hij is mijn herder; hij gaat voorop, in zijn naam durf ik volgen, ongeacht waarheen de weg met hem voert.
In zijn nabijheid schrikt de dood mij niet af.
Ik weet mij bij hem en waarvoor zou ik dan bang zijn?

Persoonlijk vind ik deze psalm een van de hoogtepunten van het menselijk vertrouwen in God. Ik lees hem graag bij een overlijden, aan het graf. Zelfs de dood kan dat vertrouwen niet doden! Voor mij is deze psalm een menselijke en gelovige verwoording van de moed en de hoop in een mensenleven. Een tekst die mij voortdurend blijft inspireren en wat nog belangrijker is: “ook moed blijft geven” – ontzettend veel moed! Want dat is het geheim van de hoop: moed ontvang je pas als je er ook moeite voor doet, als je durft je toe te vertrouwen, als je durft los te laten, je over te geven. Pas als je zelf actief stappen zet. Moed wordt bij uitstek getekend door een actieve houding. Dit in tegenstelling tot angst waarin veel passiviteit schuilt, een je laten bepalen door.

“En mocht ik ooit de weg bijster raken, hij blijft mij behoeden altijd!” zegt psalm 23 tot slot. Hoe donker de nacht ook kan worden, ook weinig licht er ook valt op de weg die je gaat, ook dan hoef je niet te vertwijfelen, dan is “Hij” als het ware voor je en achter je en gaat Hij mee aan je zijde. Onzichtbaar, onaanraakbaar, onwaarneembaar, maar aanwezig. “Ik wil gewoon niet anders geloven”. “Ik kán het ook niet!”
“Sine Timore”, zonder vrees en met open vizier denken en zeggen wat er te zeggen valt: vóór de vrijheid, vóór de liefde, vóór de barmhartigheid en het mededogen, ook in onze kerk, in onze maatschappij en waar je ook staat en leeft. Want er kan je niets gebeuren…

20. ‘Waarheid’ – leren koken met God?

In de Talmoed staat een verhaal waarin een rabbi een nieuwe uitleg ontdekt over het scheppingsverhaal. En allen bij hem raken ontroerd en beginnen te huilen. Zelfs in de hemel huilt men tranen met tuiten van vreugde.
Het is maar een anekdote, maar we kunnen hieruit leren dat ook in de hemel niet alles bekend is, en dat de mensen op aarde in staat zijn én het recht hebben de interpretaties te geven én te ontdekken die in hun tijd actueel zijn. De waarheid ligt dus niet voor eens en voor altijd vast, want wie zouden wij mensen zijn om de waarheid te kennen? Wie zouden wij zijn om achter de geheimen van God te kunnen kijken?
Hiermee zitten we midden in een dilemma: want hoe kunnen we elkaars interpretatie van de H. Schrift respecteren zonder elkaar te verketteren en af te schrijven?
De makkelijkste weg lijkt soms je te onderwerpen aan een of ander leergezag en hun uitleg kritiekloos te aanvaarden. Dan hoef je zelf niet na te denken. Alle anderen die afwijken zijn dan fout en moeten de kerk verlaten. Maar dat houdt de verkettering in stand en leidt tot veel ellende en leed.
Waarom heb je een dan verstand gekregen en is het leergezag soms onfeilbaar? Geen mens kan in de keuken van God kijken, en dus ook niet de recepten foutloos interpreteren. Want dan zouden wij aan God gelijk zijn en heerlijke goddelijke spijzen kunnen bereiden: nooit meer ziekte, nooit meer oorlog, nooit meer haat en onverdraagzaamheid.
Zolang we dat niet kunnen past ons enige bescheidenheid. De daden laten altijd zien waar de woorden stranden.
Op ons standpunt gaan staan en de andere visies afwijzen als ketters leidt niet tot een betere wereld, maar onthult uiteindelijk haar ware gelaat: het platvloerse gezicht van de macht.
Want de verabsolutering van één mening,één visie, één interpretatie verbergt een onvoorstelbare machtswellust: de geschiedenis legt hiervan getuigenis af in de metershoge brandstapels waarop de ‘ketters en heksen’ hebben gebrand. Mijn waarheid tot ‘de waarheid’ verheffen gaat meestal niet zonder bloedvergieten.
Is er dan een andere weg, zonder lijden, zonder geweld?
Ik vermoed van wel: de weg van de aanvulling op elkaar! Geen mens is volmaakt, geen mens perfect. We hebben elkaar nodig en we hebben ook elkaars visies en interpretaties nodig om dichter bij de waarheid te komen. Dichter bij, nooit helemaal. Dat is niet voor ons weggelegd want we zijn geen goden.
Koken met God – het bereiden van de bijbelse recepten in ons leven, het gaan van de weg, in de richting van de Tora, (de wegwijzer van God), dat blijft experimenteren en angstig afwachten of het wel zal lukken. Want veel zit ons tegen: er ontbreekt van alles aan de ingrediënten, het vuur brandt niet altijd hoog genoeg of soms weer te hard en ook onze gereedschappen zijn niet optimaal. Maar toch… in principe moet het kunnen, idealiter is er een mogelijkheid voor een goede maaltijd. Als we nu maar ieder aan laten zitten aan de feestelijk gedekte tafel – want als niet iedereen welkom is hebben we er nog niet zoveel van begrepen.

21. Het boek van de thee: de kunst om te leren leven

Lang geleden in de kloof van Lung-men stond een Kiriboom, een echte koning van het woud. Zijn kruin reikte naar de sterren om met hen te praten; zijn wortels waren diep verzonken in de aarde en omstrengelden de zilveren draak die in de diepte sluimerde.
Op een dag maakte een grote tovenaar van deze boom een wonderharp en alleen de allergrootste muzikanten konden de tomeloze geest van deze wonderharp bedwingen. Het instrument werd lange tijd bewaard in de schatkamer van de Keizer van China want velen waren niet in staat om een melodie aan de snaren van de harp te ontlokken. Hun pogingen werden slechts beantwoord met rauwe klanken van verachting die in disharmonie waren met de liederen die ze zongen. De harp weigerde om haar meester te erkennen.
Als laatste kwam Peh Ya, de vorst van de harpisten, die het mocht proberen. Met zachte hand liefkoosde hij de harp, zoals men een wild paard tot rust probeert te brengen en zachtjes raakte hij de snaren aan. Hij zong over de natuur en de seizoenen, over hoge bergen en stromende rivieren. En alle herinneringen van de boom kwamen boven.
Weer speelde de zoete adem van de lente door zijn takken. Het water lachte in zijn val naar beneden de bloemen in de knop toe. De slaperige stem van de zomer klonk, de zachte motregen, het klaaglied van de koekoek. Hóór, het gebrul van een tijger, het dal geeft antwoord.
De herfst breekt aan; de maan fonkelt wit, messcherp tegen een zwarte nacht, de glans weerkaatst op het gras vol rijp. Wilde zwanen gaan voorbij in de winterse koude, de lucht zwanger van de sneeuw; hagelkorrels kletteren tegen de kale takken.
En Peh Ya wisselde van toon. Hij zong over de liefde. Het bos boog zich als een verliefde herder, verzonken in de diepte van zijn gedachten. Boven echter veegde een trotste maagd een lichte, mooie wolk weg; ze gaat voorbij en lange schaduwen slepen over de bodem, donker als de vertwijfeling.
En weer wisselde de stemming. Peh Ya zong over de oorlog, het kletterende staal en de stampende paarden. In de harp echter klonk opeens het onweer van Lung-men; de draak kwam met de bliksem dichterbij en het lawaai van een lawine dreunde door het dal.
Verrukt wilde de keizer van de hemel weten waarin het geheim van Peh Ya’s overwinning lag. “Heer” zo luidde het antwoord, “de andere harpspelers mislukten, omdat ze alleen over zichzelf zongen. Ik liet het aan de harp over om vrij haar eigen lied te kiezen en ik wist waarachtig niet of de harp Peh Ya of dat Peh Ya de harp was.”
Dit prachtige verhaal kwam ik tegen in: Kakuzo Okakura, Das Buch vom Tee. Op een boekenmarkt lag dit juweeltje op mij te wachten. Het boek van de thee is wereldberoemd. Het handelt over thee en meer nog over het leven. Het drinken van de thee, de voorbereiding, het theehuis, de theemeester, het zijn evenzoveel metaforen om zorgvuldig en bewust te leven volgens de regels van het zenboeddhisme.
Okakura schrijft: “wij zijn de harp van Lung-men. Als de toverhand van het schone ons aanraakt, worden de geheime kanten van ons wezen wakker, we trillen en beven als antwoord op de roep aan ons. Geest spreekt tot geest. We horen het onuitgesprokene, we zien het onzichtbare.
De meester wekt tonen op waarvan we niets wisten. Lang vergeten herinneringen keren vol nieuwe betekenis terug. Door angst verstikte hoop, verlangens die we niet durfden te erkennen, staan opeens in een nieuw licht voor ons. Onze ziel is het doek, waarop de kunstenaar zijn kleuren aanbrengt. Zijn schakeringen zijn onze gevoelens; het halfdonker, lichte vreugde, donker verdriet. Het meesterwerk is ons en wij zijn het meesterwerk.”
Geest spreekt tot geest! Misschien worden we in die ‘geest’ ook wel eens door God aangeraakt. Misschien zijn het zeldzame momenten, misschien vindt het maar één keer in een mensenleven plaats. Wie weet. Maar misschien is dat ook genoeg. We kunnen er soms een heel leven op teren. Tot de dag aanbreekt waarop alle scheiding voorbij is, waarop alle muren zijn gevallen, als we heengegaan zijn door de deur van de dood. Misschien is het nieuwe leven dan een groot snarenspel, met God als muzikant. Wie weet?
22. In de schaduw van God

Het woordje schaduw heeft voor mij géén negatieve klank. Aan schaduw denkt men vaak bij donkere dingen; of de achterkant waar geen licht op valt. Typisch dat verlichte voorwerpen een schaduw werpen. Hoe feller het (zon)licht, hoe meer afgetekend de schaduw. In de psychologie is het begrip schaduw soms gaan functioneren als een verzameling van negatieve eigenschappen. En angstwekkende dreigende gebeurtenissen werpen soms hun ‘schaduw’ voorruit.
Toch is schaduw voor mij daarmee nog níet negatief. Schaduwkanten zijn de kanten die in het donker liggen. Niet zichtbaar (soms), dus onbekend. In de schaduw van God wil dan ook in dit licht zeggen: de donkere kant van God, de onbekende kant van God, de nietbekende kant van God overdekt ons met zijn schaduw, met zijn “donkerlicht”.

“Donkerlicht” dat kan eigenlijk niet. Dat is een tegenspraak, maar toch zou ik dat begrip willen toepassen op God, omdat God voor ons mensen onkenbaar is. Alles wat we ‘uitvinden’, bedenken omtrent God is mensenwerk, mensen-woord, mensenfantasie. In die zin zou ik even willen “fantaseren” over God.

In de mystiek is het beeld van het ‘donker-licht’ niet zo vreemd. Daar kwam ik achter enkele dagen nadat ik dit bovenstaande spontaan had opgeschreven. Er zijn stemmen in de Joodse mystiek die zeggen dat God als een donker-licht in ons menselijk leven aanwezig is. De hele schepping legt daarvan getuigenis af omdat de schepping bestaat in de schaduw van God. Ook wij mensen, ons menselijk leven vormt een deel van die schaduw.

“Maar wat kan ik met een dergelijk beeld?”, hoor ik u al denken. “En staan deze mystieke metaforen (beelden van God) niet erg ver af van het gewone dagelijkse leven?” Daar kan ik alleen op antwoorden: “Het is maar waar je naar op zoek bent!” Als Godzoeker, zo versta ik mezelf, word ik persoonlijk gefascineerd door dergelijke beelden omdat ze mijn visie op God verbreden en verdiepen, waardoor het begrijpen van mijn bestaan (soms) uitgetild wordt boven het alledaagse.
Ben je geen Godzoeker (of weet je het misschien allemaal al) dan zullen deze beelden niet zo snel aansluiting vinden. Dat kan en dat mag. Ieder mens hoeft niet op dezelfde golflengte te zitten.
Maar ‘toevallig’ zit ik op deze golflengte van het zoeken naar God omdat ik geloof en erop vertrouw dat mijn zoeken iets oplevert voor mijn leven. Door te investeren in dit zoeken ‘valt mij iets toe’: namelijk het intuïtieve gevoel dat ik op de goede weg zit en dat mijn duiding mij ook dichter bij God brengt en God dichter bij mij.

Concreet: als wij leven in Gods’schaduw, als de schepping schaduw Gods is, donker en onbekend, net zo donker en onbekend als de onbekende God die daarin verschuilt dan heeft uiteindelijk alles betekenis, dan is niets echt volslagen zinloos. Hoe zinloos en beperkt dingen ook soms lijken in ons leven, hoe volstrekt tegendraads tegen alle menselijke hoop en verwachting in, hoe kwellend en pijnlijk ook, in het licht van God krijgt alles uiteindelijk een andere dimensie.
Maar deze dimensie kunnen wij mensen met ons menselijk verstand en gevoel niet bevatten noch accepteren (zeker niet als het zinloos lijden betreft). Daarvoor moeten wij eerst op een ander spoor, in een andere tijd komen, een andere tijd dan de geschonken levenstijd. Misschien moeten we eerst hemelse ogen ontvangen, God zien van aangezicht tot aangezicht om hier iets van te begrijpen.
Als de opstanding uit de dood als belofte aan ons gedaan is, waarom dan ook niet volledig inzien waartoe het allemaal goed is wat we hebben moeten ondergaan. Misschien verhult Gods’schaduw wel deze belofte. Misschien is het vallen in God wel het springen in een afgrond die God heet. Diep en donker. En onbekend. Maar wie weet hoe we worden opgevangen, in welk licht we zullen ontwaken.

23. Tot slot: Baal Sjem Tov – de macht van het woord

De Baal Shem Tov, de meester van de goede naam heeft eens gezegd:

“Als je spreekt,
koester dan het geheim van de stem
en het woord in de betekenis,
en spreek met eerbied en liefde,
en besef
dat de wereld van het woord
uit jouw mond spreekt.
Dan zul je de woorden verheffen.
Besef, dat je slechts een omhulsel bent,
dat je gedachten en je woord
werelden zijn, die zich verbreiden:
de wereld van het woord,
dat is de inwoning van Gods heerlijkheid,
verlangt in dit gesprek
van(alles) van de wereld van de gedachte.
En als jij het licht van God
in je gedachten en woorden hebt getrokken,
dan zal dit je wens zijn,
dat de zegende volheid
zich uit de wereld van de gedachte
uitgiet over de wereld van het woord.
Dan zal je worden,
wat je nodig hebt.
Daarom heet het:
“laat ons Jou vinden in onze gebeden!”
In onze gebeden zelf laat God zich vinden.”

 

Andere teksten Op PDF bekijken:God is een wandelaar teksten johnhacking

cropped-dscn6449.jpg

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s