La Neige Snow Schnee Sneeuw 2

DSCN9263

Alle gedichten op PDF: Sneeuw compl

INHOUD:

  • Winter
  • Sneeuwvlokken vallen
  • Een bonte kraai riep,
  • Dat is nu mijn sneeuw!
  • Een ijskoude maan
  • Het sneeuwt niet langer;
  • Een lange Zwarte
  • Die witte reigers
  • Ik zag de bloesem,
  • Velden en bergen,
  • SNEEUW
  • HET HUIS EN DE HANDEN
  • DE WINTER STAAT STIL
  • MISSCHIEN …
  • POOLREIS
  • DE POOLVULKAAN
  • SAY IT WITH SONGS
  • Winter
  • Winters 1
  • Winters 2
  • WINTERSTILTE
  • SNEEUWVAL
  • SNEEUW; WIND; PIJN
  • SNEEUW
  • Hij snelde toe. Het kind was net gestorven.
  • SNEEUW
  • SNEEUW
  • Liefde smelt als sneeuw
  • SNEEUWLIEDJE
  • Compactgedroomd,
  • Sneeuwpsalm
  • WINTERS GEBED
  • BESNEEUWD LANDSCHAP
  • ADVENT
  • SNEEUW
  • ‘Sneeuw’
  • Alleen de sneeuw
  • Rondom het vallen van een blad
  • ’t Hoorngeschal is nu verstild,
  • BEVRIJD
  • ’t Betraande najaar lijkt een weduwvrouw
  • Voorjaarssneeuw
  • Bij een bezoek aan de berg de Taiping
  • De noordenwind
  • Sneeuw op de rivier
  • Gezegend
  • Slechts halverwege
  • Zelfs een paard
  • Ik ga zo ver mogelijk
  • Een dorre rietkraag
  • Te wit om door te gaan
  • Jachtsneeuw
  • Wit op wit
  • ’t Hoorngeschal is nu verstild,
  • BEVRIJD
  • ’t Betraande najaar lijkt een weduwvrouw
  •  Alleen de sneeuw
  • ZWARTE ANSICHTEN
  • Het sinistere wit van de sneeuw.
  • Ik ga zo ver mogelijk
  • SNEEUW
  • HET HUIS EN DE HANDEN
  • Slechts halverwege
  • Zonder te vermelden
  • Krachtig strijkend
  • 39
  • Der Schnee verwandelt die Welt in einen Friedhof.
  • Goed en slecht weer
  • Gezegend,
  • De noordenwind
  • Sneeuw op de rivier
  • Bij een bezoek aan de berg de Taiping
  •  Lied van witte sneeuw
  • Voorjaarssneeuw
  • DE WINTER STAAT STIL
  • ADVENT
  • SNEEUW
  •  ‘Sneeuw’
  • III
  • Snow
  • Midwinter
  • SNEEUWPSALM
  • Sneeuw (Basho)
  • Alleen de sneeuw
  • SCHWARZE FLOCKEN
  • NACHTS ist dein Leib von Gottes Fieber braun
  • SO schlafe, und mein Aug wird offen bleiben
  • AUCH HEUTE ABEND
  • SCHNEEBETT
  • In Mundhöhe
  • Du DARFST mich getrost
  • KEIN HALBHOLZ mehr, hier,
  • HEIMKEHR
  • Schneepart, gebäumt, bis zuletzt,
  • EINWINTERN
  • SCHNEESTADT
  • SCHWEBEND IM SCHNEE
  • AN EINEM WINTERMORGEN
  • In Yoshino auch
  • Tief in den Bergen .
  • So trüb ist alles.
  • Tief in den Bergen
  • Der dicht gefallen,
  • Beim ersten Schneefall
  • Mein Pferd halt ich an,
  • Die Bucht von Tago
  • In des Gartens Schnee
  • über Bergpfade
  • Beide gemeinsam
  • Nur aus der Ferne
  • Weil der auf den Reif
  • WINTERLIED
  • Du merkst nicht
  • DEZEMBERMORGEN
  • WINTER
  • SCHNEE
  • Der Winter
  • weiss
  • Der Winter.
  • Versöhnung
  • Schwanenlied
  • Hüllt der Frost den Kreis der Erden
  • Kirsch-Blühte bey der Nacht
  • Herbstmorgen
  • Polarszene
  • Schneeglöckchen
  • Erster Schnee
  • Winternacht
  • Lied eines Lappländers
  • Soldatenabschied
  • Ein Winterabend
  • Das ist das Haus am schwarzen Moor
  • Zigeunerlied
  • Klaggesang von der edlen Frauen des Asan Aga
  • März
  • Unterm weißen Baume sitzend,
  •  Caput XVI
  • SEEFAHRT
  • AUFSCHWUNG
  • TRÜBER HIMMEL
  • Abendrauch
  • Die Pflaumenblüte
  • Neujahr
  • Krähe an einem Schneemorgen
  • Il NEIGE SUR LIÈGE
  • FLEURS DE MARÉCAGE
  • “Dans l’interminable…”
  • Neiger (ou écrire en hiver)
  • BLANCHE, MA SAVETIÈRE
  • Un soir de neige
  • Journey of the Magi
  • Der Schnee verwandelt  La nieve ha convertido
  • ESTAMPA DE INVIERNO WINTER SCENE
  • WINTER SCENE
  • NOTE SIBÉRIENNE

WINTER

De sterren wintertintelen

en de maan

doorschijnt de melkwegnacht.

Het kraakt van sneeuw op de aarde

waar ik ga,

een nieteling, een adem wit,

een ademdamp van liefde en poëzie.

Ida Gerhardt

Sneeuwvlokken vallen

op eenden in een oude

vijver, des avonds.

Shiki

Een bonte kraai riep,

en toen riep hij niet verder

in de avondsneeuw.

Arö

Dat is nu mijn sneeuw!

als ik dat denk, weegt hij licht,

die laag op mijn hoed.

Kikaku

Een ijskoude maan

schrijft schaduwen van bomen

over het sneeuwveld.

Kubutsu

Het sneeuwt niet langer;

de vlokken op de struiken

schitteren in de nacht.

Röka

Een lange Zwarte

streng rivier, voortstromend langs

besneeuwde velden

Bonchö

Die witte reigers

– zonder hun kreet: een sneeuwvleug

tegen de hemel.

Sökan

Ik zag de bloesem,

de maan – nu ga ik schouwen

het schoonste: de sneeuw.

Rippo

Velden en bergen,

de sneeuw heeft ze genomen,

en niets is over.

Jösö

SNEEUW

in memoriam Hans Henny Jahnn

De sneeuw jaagt,

het grote sleepnet van de hemel,

het zal de doden niet vangen.

Nu heeft de sneeuw zich

weer bedacht.

Hij stuift van tak tot tak.

De blauwe schaduwen

van vossen loeren

vanuit de hinderlaag. Ze ruiken

de witte

keel van de eenzaamheid.

Peter Huchel

HET HUIS EN DE HANDEN

Twee handen waren als een huis.

Ze zeiden :

trek bij mij in.

Geen regen, geen vorst, geen angst.

Ik heb in dat huis gewoond

zonder regen, zonder vorst, zonder angst

tot de tijd het af kwam breken.

Nu zwerf ik weer langs de wegen.

Mijn jas is dun. Er is sneeuw

op komst.

Rolf Jacobsen

DE WINTER STAAT STIL

Schrijf de winter staat stil, lees een dag zonder dood

spel de sneeuw als een kind, smelt de tijd

als een klok die zich spiegelt in ijs

het is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men schrijft

in een klok die niet loopt, in het vlees

dat bestaat als sneeuw voor de zon

en schrijf hoe haar lichaam bestond en zich boog

gelenigd in vlees en keek achterom

in het oog van vandaag, en lees wat hier staat

de zon op de sneeuw, het kind in de slee

het dichtgewaaid spoor, de onleesbare dood –

Gerrit Kouwenaar

MISSCHIEN …

Licht als een woord onder woorden

Heb ik het lam van onze ontmoeting geweid:

Je gang van sneeuw je stem van blauw je ogen

Kleine lekken in de tijd

Op paddestoelen van geluk gezeten

Hebben wij lucht als brood gegeten

Hebben wij zon als wijn gedronken

Hebben wij kruimels van stilte vergaard

Tot een witglanzende bruiloftstaart

Wij kwamen uit gangen van misverstand

Uit kamers vol vingers vol kogelgaten

Wij hebben de deuren gesloten

Wij hebben de ogen geopend

De wereld was onze adem

Onze adem een vlammende vogel

Onze vogel een eenzame ster

De ster een kleine planeet

Een gouden schommel voor twee

Misschien is er een dijk gebroken, misschien

Een kat verdronken, een mens gestikt

Misschien heeft men geschoten, gemoord, gewroken, misschien

Is Atlantis opnieuw verzonken …

-dit is, dit blijft, dit is gebleven

Daarom heb ik dit vers geschreven

Licht als een woord onder woorden

POOLREIS

De zon zinkt nooit terneer,

’t Bestendig licht wordt steiler

En stralender, toch ijler

Dan in de wereld weleer.

Sneeuwen ijsvelden flonkren,

Eindeloos hermelijn,

Wij zijn de eenige donkren

In de witte woestijn,

Waar een volstrekte vrede

Besterft, alleen begaan

Door honden, mannen, sleden,

Smalle karavaan.

Door allen vergeten

Die hen kenden op aarde,

Door den drift bezeten

Naar het einde der aarde.

J. Slauerhoff

DE POOLVULKAAN

Barre verlatenheid

Duldde ik eeuwen reeds,

In gelatenheid

Trotsch en uitgebrand.

Wolken sneeuwen steeds.

Zwaar en eindeloos;

Wit  en eindeloos

Ligt het poolland rond.

’t Laaiend Noorderlicht

In staalharden nacht

Houdt in mij de hoop

Dat een langre schicht

Mij inééns losscheurt uit mijn krater

En in v]ammenv]oed

Al het eeuwig ijs

Smelt tot groen, schuimbekkend water,

Waar ik rood en donker uit verrijs.

J. Slauerhoff

SAY IT WITH SONGS

Scheef valt een sneeuwbui door de vale middag.

Stadstuinen worden grauwwit, pleksgewijs:

De natte grond verdoet de zuivre sneeuw.

Voor een der matte ruiten staat een man

Met geel gelaat en ingevallen wangen

Om scheeve en stompzinnig starende oogen.

Hij staat roerloos, maar voelt zijn lichaam kreunen;

“Wat heeft mij hier gebracht? Ik hoor hier niet,

Allang behoorde ik in ’t graf te liggen.

“Weet jij niet wat dat is; niet kunnen sterven

Ver van Mongolië, van de eenige plaats

Waar ik kan rusten in de moedergrond ?”

Maar hij blijft staan, wil niet naar Tsjita gaan.

Dan valt hij met een slag als zand ineen,

Want zijn gebeente wrong zich los uit ’t vleesch.

En zijn geraamte staat bij hem, gebogen,

Een schim, voortijdig en met pijn geboren,

Met vleesch beflard: afgrijselijk verwijt.

J. Slauerhoff

WINTER

Noodlot en sneeuw

En ik achter mijn paar vriendelijke maskers

Bouw dan mijn stad, mijn stad van gekleurd glas,

Spreid ook de kleden van mijn landschappen uit

En zoek naar de dronken landloper van de zon

En naar een waaien, een beekbedding, een even

Geeuwende bloem,

Dus naar een traag en zacht zich opende vrouw.

H. Andreus

WINTERS 1

Kinderen spelend

in de sneeuw. Zonder heimwee

zit ik binnen

in mijn stenen winterjas.

Zonder heimwee:

het kind dat ik was,

het is niet eens dood en begraven,

het heeft nooit bestaan .

Maar ik merk dat mijn blik

nu het laatste zonlicht

van de ramen likt

in bijna beschamende gretigheid,

goed voor nog hoeveel jaar?

De kinderen zijn naar huis gegaan.

Nieuwe sneeuw vlokt

in het geluidledige neer.

H. Andreus

WINTERS 2

De akkers goor van verregende

en weer opgevroren sneeuw.

Vrek, zeg ik tegen het daglicht.

Een man die ik eens kende,

een dichter van milde verzen,

dacht het meest aan de dood in de zomer:

dat bolle groen, dat gekwetter,

dat opgeklommen licht;

’t besef dat het niet lang kon duren.

Mij neemt het, als meer gebruikelijk,

nu waar: letter na letter

teken ik weigerachtige woorden,

en lees ik uit mijn liefste boeken

de oude bezweringen op,

is er niet één die werkt.

H. Andreus

WINTERSTILTE

De grond is wit, de nevel wit,

De wolken, waar nog sneeuw in zit,

Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.

Het fijngetakt geboomte zit

Met witten rijp beijzeld.

De wind houdt zich behoedzaam stil,

Dat niet het minste takgetril

’t Kristallen kunstwerk breke,

De klank zelfs van mijn schreden wil

Zich in de sneeuw versteken.

De grond is wit, de nevel wit,

Wat zwijgend tooverland is dit?

Wat hemel loop ik onder?

Ik vouw de handen en aanbid

Dit grootsche, stille wonder.

J. v.d. Waals

SNEEUWVAL

Al

Dalen de vlokken,

Dalen de luchtige vlokken en lokken

Mijn ziel met geruischlooze vreugde in stillen,

onhoorbaren val.

Dicht

Sneeuwt aan den hemel,

Sneeuwt aan den loodgrauwen hemel gewemel

Van volle, van koelblijde blankheid in feestelijk,

zachtgedempt licht.

Traag

Reikt mijn begeeren,

Reikt mijn afgunstig begeeren, te keeren

In tot de sneeuwkoele, diepe, volkomene ruste omlaag.

J. v.d. Waals

SNEEUW; WIND; PIJN

Sneeuw

Sneeuw, voetstappen en brieven

van wie ver weg zijn, verder

dan van de maan deze regels,

heilige sneeuw, sneeuw over ons

nu en in het uur van onze dood. amen.

Wind

Wind,

die de mond dichtwaait

laat vallen het blad

bij ons blijft van de slag

van het autoportier tot het graf.

Pijn

De leeuw brullend tegen de tijgergestreepte pijn

van de kogels (pie-p pie-p) fluitend in zijn warm lijf

wou een muis zijn, als een piepende muis klein

(zoveel kleiner) kreunde hij (zoveel kleiner de pijn).

H.H. ter Balkt

SNEEUW

… het oude is voorbij gegaan,

ziet, het is alles nieuw geworden. 2 Cor. 5:17b

Toen sneeuw openbrak de ogen,

dien versen morgen,

voelden mijn kleren vreemd en koel

bij het aankleden, een geluksgevoel

maakte elke handeling ingetogen:

bedachtzaam en overwogen

heb ik me langzaam gewassen,

of iets heiligs me zou verrassen.

Ik vond je beneden al aan ’t zorgen.

Je stond voor de open kachel gebogen,

waarin houtjes waren geborgen,

klaar om te worden aangestoken.

Je had dezelfde gedachte.

De kamer stond op een wonder te wachten;

het plafond lag betogen

van blauw ontwaken;

het bleef eeuwig bij achten.

We hebben bezit genomen

van elkanders huivering,

achtgevende op de hunkering

daarachter …

Gerrit Achterberg

Hij snelde toe. Het kind was net gestorven.

Hij hurkte in een hoek en werd zo koud

als sneeuw. Hij noemde zich Elia, oud

kind. Zong: het sneeuwt, het sneeuwt tussen de korven.

Waar is de sterkte die men overhoudt

als uit de leeuw de honing is geworven?

De sterke neemt en eet. Tot hier gezworven

kwam hij niet verder dan een rekenfout.

Taal kent het pathos. Hij was in taal thuis:

hij noemde haar zijn moeder – die bewaarde

al wat zij hoorde in haar hart. Hij riep:

sta op. Hij stond op. Liep naar buiten. Liep

het dorp uit. Met de vinger ‘beenderaarde’

in de sneeuw schrijvend, en ‘geboortegruis’.

C.O.]ellema

SNEEUW

Ergens zei iemand het sneeuwt

al en de dag is in een doodshemd

voorbijgelopen zonder op

of om te zien het laatste schip

met overwonnen dromen is zojuist

zonder bestemming vertrokken om

in een land zonder achterland

aan een zee zonder horizon

tegen de kademuren van een

gevreesd maar nog onuitgesproken

onbegrip roestend voor anker te gaan

het is te laat om nog iets te beginnen

door alle kieren wringt een grijze

compacte mist naar binnen ergens

zei iemand het sneeuwt al.

II

De morgen in witte gesteven

kleren een oosterse begrafenis

de partituur van de hemel is

maat voor maat in mineur geschreven

stoelen worden fossielen

de mensen zijn uitgestorven

de warenhuizen zomerlicht

staan uitverkocht of leeggestolen

de uren slaan in onverholen

doodsangst open en dicht.

Ellen Warmond

SNEEUW

Het sneeuwt. Om de weemlende stilte begeven hun vleugels den winden.

De onzijdige hemel is niet te vermurwen gelijk  het bestaan.

-De rechtvaardige sneeuw valt over versmaden en over beminden.

De sneeuw valt over de stenen waaronder de doden vergaan.

J.C. Bloem

LIEFDE SMELT ALS SNEEUW

Liefde smelt als sneeuw

wordt door de aarde opgezogen

komt weer boven

manen, zonnen later,

als de kleur van gras

of de geur van schimmel in een kelder.

“““

Remco Campert

SNEEUWLIEDJE

Ik: zag je treden

Over de blankte,

Waar de weekte en de

Rijzige rankte

Van uwe leden

Teer afteekende –

De sparren alle

Bloeiden toen wonder’

Wit bloesemend open.

De grond er onder

Was van gevallen

Bloesems bedropen.

M. Nijhoff

Compactgedroomd,

ademwit staan we

aan de sneeuwpoort.

Een staarboze erratische heilige

citeert uit het verschrevene

wat de staf over ons breekt.

We gaan trappen op en af

van onsterfelijkheid tot stof.

Jacques Hamelink

SNEEUWPSALM

Vandaag noem ik Jou sneeuw,

Jij onuitputtelijke Schepper,

vergankelijk sterrekristal,

dat de naakte akkers bekleedt,

voor de zwervers de weg verstopt

en de armoedigste hutjes

vult met geborgenheid en inkeer.

Zwervende Jij, die voor de bomen ballast wordt,

die de dappere kraaien naar buiten gooit

de stilte in, en de dieren

uit de bossen naar de mensen toedrijft,

die de hulpeloze hulpelozer maakt

en de hulpvaardigen vaardiger.

Geluidloze, die het vertrouwde ontvreemdt,

zal Jouw volheid ons begraven,

zullen vloeken de lofprijzing verstikken?

Morgen misschien al zal Jouw wit ons

verblinden en begin Je te ontdooien.

Heerlijke! Dan noem ik Jou zon.

Christine Busta – Oostenrijk

WINTERS GEBED

Sneeuw de bomen

sneeuw in het haar van mijn ogen

smelt toch vandaag nog niet.

Sneeuw in de schoot van mijn moeder

sneeuw in de hand van mijn vader

smelt toch vandaag nog niet.

Jij bent vandaag onze schoonheid

Sneeuw in het haar van de bomen

Sneeuw in de schoot van de vrouw

Sneeuwwitte sneeuw in mij

Smelt toch vandaag nog niet.

H. Oosterhuis

BESNEEUWD LANDSCHAP

Het ijle glaswerk van het middaguur

Bomen van rood glazuur

Archaïseren de sneeuw

Het licht staat hoog en puur

Als de voetstap van een verpleegster

Men moet dit langzaam leren :

Er zijn geen goden en de waarheid

Is niet van sandelhout gemaakt

De passie is eenzelvig als een menhir

Er is geen schaduwen geen lichaamswarmte

Er is geen echo en geen weerschijn

Er is geen lijn van nu naar weer-nu

Er is geen pijn met bladzij zoveel

Er is geen rijm op leven

Het hart heeft geen geschiedenis

(het ijle glaswerk van het middaguur

de sneeuw een metropool van stilte

en de organen ingedeeld naar rang en ras)

Men moet dit langzaam leren :

Men moet dit leren met handen als de ceremonieuze spiegels in een rococopaleis

Men moet dit leren het voorhoofd een stenen bassin waarin pronkzieke duiven

hun weerga van pronkzucht betichten

Men moet dit leren als de litanie van zand en zand

Men moet dit leren met het maagdlijk rituaal van klimrozen

De gestyleerde adem van een basilisk

Men moet dit leren als een vergezicht

Men moet dit leren met de ernst waarmee een drachtige wolvin astronomie

studeert

Met het geduld waarmee de wijn in grijze kloosterkelders een god schept naar

zijn eigen beeld

Men moet dit leren als de groepsmoraal van wilde eenden

Als de lucide liefde van een vogelspin

Als het vóór-ijlen van een distichon

Men moet dit leren met de roerloze trots van een reiger

Men moet dit leren de schouders symmetrisch

De lippen geslepen

De ogen

Exakt en teder als een kaukasische dolk

(de hemel vorstelijk van bouw

de lucht een kitteling van pauweveren)

Men moet dit langzaam leren

Men moet dit langzaam leren

Men moet dit leren als een naam

(maar wie leert er nog namen

wie heeft er nog tijd voor namen

wij leren de astronomie van hoeden

de teleskopage van woord in waard

de funktieverdeling van mond- en vrouwzeer

de kybernetiek van tafel en bed

wij leren het in en het uit van de treinen

wij leren de straten maar niet de pleinen

het scherp van een stem maar niet zijn gevest

de vlam van een blik maar niet zijn kristal

wij leren de massa en de gratie

maar niet hun kruisiging

wij leren de som en de multiplicatie

maar niet de verenkelvoudiging)

Men moet dit leren langzaam als een naam :

Het is

II

Het is

Niet de gevilde god niet

De Gevilde huilend

In de ijzeren schroef van de ijzige stilte

In de withete buik van de gietijzeren stier

Een rose beest van waanzin

Zo modern

Het is

drie uur, geloof ik

de sterren schijnen op klaarlichte dag

de sterren zijn scherpe witte messen

ik heb je nog nooit zo menselijk gezien-

liefste, betoverde buldog

(ik moet je fotograferen)

Niet de Verstilde:

Hij de spitse niet, de witte muis, de lotosbloem

De zwevende op een boek als een tapijt

Met de glanzende glimlach van paraffine

De zwevende op een boek als water :

Waterwandelaar, pierrot, poëet, gedresseerde

Zeehond op het klappend wereldboek

-En Hij niet de Zitter, de wereldbuik

De luisteraar met het hangende oor der wijsheid

De eter van stilte als rijstebrij

De hoeder van het oliën geheim der vier kwartieren

Genaamd ‘de draaideur der geschiedenis’

Het is

Dat is

Een ruimte zonder heiligen

Een ruimte zonder kengetal

De oude stad niet met de vier koperen ruiters trompettend

Als olifanten rond de zwarte put van de moederschoot

En niet de snorrende driehoek van de nomadische luchteters

Ikaros stijgend, Ikaros vallend

-een rat, een woord, de dood gemaskerd, hooggeschoeid

En de wind bewegend in de purpren gordijnen

Het is

koud, geloof ik

je handen zijn haneogen, ingrijpende spiegels :

ik zie een lichtrode japanse prins

een open borst vol prentjes, een navel in sierschrift

kijk, met een gouden lever, een erepoort

sssst

Dat is

(misschien: een zadelvormig ei

een gouden haan van overmorgen

en overmorgen een sterrebeeld

een voetstap als een tornado

-of wie weet hebben zij gelijk die zeggen:

‘gewoon een vis in een vogelkooi’-)

De wreedheid die geen gezicht heeft

Zoals een fotograaf geen gezicht heeft

Zoals een explosie geen gezicht heeft

Maar een kuis profiel van watten;-

De binnenwaartse sprong, een daverende leegte

Verbaasde, verglaasde

Verlamming

Het is

Dat is

Zien: het voorhoofd een schild, een bark

Weten : een onmerkbare verdikking

Zijn:…

Dat is

Een lang mes, een zeer langzame vis

Een dom als een brandende hooimijt

Een verschrikkelijke aandacht als een moederwarmte

Een ruggegraat :

Engelachtig, engelachtig opgeschroefd

Een woedende trompet

Stilte

Ja

III Woorden van brood…

(Guillaume van der Graft)

Woorden van steen:

Niet de verduurzaamde, niet de gebeitelde liefde

De hals de heilige toren en de stenen welpjes, de borsten

Niet de betonnen zweepslag van de atletische schoonheid

En geen altaar, geen pyramidale dood

Geen huis van marmeren poorten op blauwlinnen luchten

Napoleon laveloos onder de rozen op ’t binnenplein

De stenen tafelen dan, de runen ? Spijker-

Schrift van het hart, de tweekoppige adelaar

Die zijn welsprekende klauwen haakt in de horizon

Dromend van ’t duizendjarige rijk?

‘Het hart is een hamer,’ spreekt Hammoerabi, ‘langs

Wolkloze wegen gaat de hamer het hart

Geharnaste vrede stichtend, grenzen stellend.’

En de lieflijke slang 1 Vermorzeld onder de hak der wegenbouwers.

De klappertandende vogels 1 Verjaagd naar de engelenbak.

Maar Herakles, de bastaardheld, de rattenvanger

Het waswijf Herakles met de ontblote dijen –

Hij hangt gespietst aan de gehoornde horizon

Bloedende lap aan de gehoornde horizon :

‘Dank u, Hoogheid,’ zegt de oude dichter buigend

En knoopt zich aan Zijn nachtelijke darmen op

‘0 haan, o morgenrood,’ zeggen de zwartgezichten

En hurken smakkend voor het vettig doodshoofd

Morgen

(‘Laten de lieve, kwijnende

vlasblonde meisjes

de poëzie

gaan háten’)

De stenen spreken een taal

Die niet voor de meisjes is

De stenen spreken een taal

Niet voor de vromen, niet voor de goedwillenden

De stenen spreken een taal

(de poëzie is een gloeiende bol

de poëzie is een woedende maagzweer)

Donker en afgezonderd

Schroeiend en onverstaanbaar

Vuistdikke eierschaal

Kolom van zwijgen

Gezichtloze, zwartgeblakerde

Engel het woord

Paul Rodenko

ADVENT

Zoo stil, zoo stil – nu kan het sneeuwen

op d’aarde, die, tot slaap bereid,

vergat de heugenis van eeuwen

en niets verwekt in dezen tijd.

Waar zijn uw eerzucht, angst en droomen,

de liefde en haar ijdelheid?

Zaagt gij wel ooit een winter komen,

in doffer deemstering verbeid?

Verwacht niet meer! – gij moet het dulden,

dat alles naar de bodem buigt.

Het bloed, dat eens de harten vulde,

heeft niet de zielsdrift overtuigd.

Verwacht een kind – en die zal stralen

aan Jesse, aan zijn stam en stok.

Wanneer de witte sneeuw wil dalen

legt hij ze voor u, vlok na vlok.

De weg, de waarheid en het leven

zijn van dien sneeuwval geplaveid.

Geen mensch kan minder aan hem geven

dan honger naar zijn eeuwigheid.

Jan Engelman uit: Het Bezegeld Hart, 1937.

SNEEUW

In deze sneeuw ben ik een tekening.

Een plaat, waarop ik langzaam levend ben.

Er is geen onderscheid tussen de boom en mij

dan dat ik hier en daar bewegend ben.

Verzonken in het eindeloze wit,

dat om mij ligt geopend, ben ik dit.

Bevangen door dezelfde zuiverheid,

waar in de verte ook een kraai op zit.

Gerrit Achterberg

‘SNEEUW’

Wij hebben niets meer dan het witte blad van noode,

waar – zooals zuiver sneeuwen op de aarde dwaalt

de overluchtsche vlucht van de gedachte daalt,

door ééne wenk der wimpers tot dit uur ontboden.

Wij waagden éénmaal ons, het overvele ontvloden,

in ’t hart der stilte, wit van een volstrekt gemis.

Waar aanvang nam wat thans dit levend sneeuwen is,

hebben wij niets meer dan het witte blad van noode.

Ida Gerhardt (ca. 1950)

ALLEEN DE SNEEUW

Ik denk aan God en niet zozeer

aan sneeuw. Dat is niet waar.

God denkt aan mij en hij vreet mij op.

Niemand denkt aan om het even wie.

Een kleine kar gaat door de straat.

Sneeuw valt als hij valt.

God is een volkomen vreemde,door niets geplant.

Ik zou mijzelf willen planten als een wilg.

Ik zou mijzelf willen planten als het gras.

Om dan daarop neer te vallen als de sneeuw, zacht.

Het zou inslapen en ik zou Gods deken onthullen, mijn

Huid, en zou verdwijnen over straat, in de nacht.

Gisteren kwam ik langs een deur.

Een klapdeurtje, van knie tot borst.

Ik wilde weten of er een engel was daarbinnen.

Het was alleen een oude man met een sombrero.

Met donkere huid en nog donkerder ogen.

Ik schonk mijn tequila te vol.

Ik sloeg hem achterover.

Het geluid was anders dan

Dat van water uit een kraan.

Ik moet tequila drinken.

Ik moet een boom zijn, geplant in de aarde, en stoot de deur open.

Ik moet de engel tegemoet gaan.

Tomaz Salamun

III

Rondom het vallen van een blad

zijn licht en lucht en uurslag

ijler. Het laatst bewegen spaart

een zilveren ruimte uit, gaat

open als een kinderoog, draalt

in verwondering om nieuwe staat

van vrijheid, wiekt even op maar

wijkt snel uit, bevreesd, omdat

de boom nu oud is. Het pad

beneden staat vol sporen naar

een nieuwe, zegenende dageraad:

sterven, inkeer, sneeuwen overgaan

in bronkracht, ongeschapen klaar.

Gabriël Smit

’t Hoorngeschal is nu verstild,

Raadsels in ’t hart zijn gebleven,

Herfstsneeuw komt luchtig en mild

Over het croguetveld zweven,

Ruis nog maar voort, laatste blad!

Kwijn nog maar, laatste gedachten’

Nooit wou ‘k verhinderen dat

Hij, die zo vrolijk was, lachte.

Ik heb de dierbare mond ‘t

Bittere grapje vergeven…

O, als je morgen hier komt

Over de sneeuwwitte dreven,

Dan gaan de kaarsen aan die

’s Middags het vriendelijkst stralen,

En uit de oranjerie

Zullen we rozen gaan halen.

Augustus 1910, Tsarskoje Selo

A. Achmatova

BEVRIJD

Frisse sneeuw verstuift langs de voren,

’t Pijnbos wuift in de frisse wind.

Geen vijandige stap meer te horen

In mijn land dat zijn rust hervindt.

Februari 1945

A. Achmatova

’t Betraande najaar lijkt een weduwvrouw

Die, in het zwart gekleed, het hart doet schromen.

De woorden van haar man gedenkend, diep in rouw,

Laat zij haar tranen almaar stromen.

Zo gaat het tot de stilste sneeuw zich vlijt

Over die treurende, vol medeleven …

Vergetelheid van pijn en zaligheid –

Daarvoor je leven zelfs te geven.

15 september 1921, Tsarskojee Selo

A. Achmatova

Lied van witte sneeuw, ten uitgeleide van administratief- assistent Wu bij zijn terugkeer naar de Hoofdstad

De noorderstorm rolt aarde op en witte grassen breken: De Hunse hemel, Achtste Maand, en stuiven doet de sneeuw!

Opeens was midden in de nacht een lentebries gekomen: Op honderd bomen, duizend bomen bloeit de perebloesem!

Zij dringt door paarlen deurgordijnen, weekt door zijden klamboes,

Geen vossebont is nu nog warm en zijden dekens slinken.

De generaal is niet in staat een hoornen boog te spannen.

De resident kan door de kou geen ijzeren harnas dragen.

In elke richting op de steppe: honderd voet van ijs.

De droeve wolken, zwart en zwaar, zijn duizend mijl gestold.

Het hoofdkwartier bereidt een feest want iemand gaat terug,

Met Hunse citers, platte luiten, Tibetaanse fluiten.

De late sneeuw danst driftig neer op de kazernepoort,

De storm rukt aan de rode vlag: bevroren en onwrikbaar.

Bij Luntai’s oosterpoort doen wij u uitgeleide,

Nu u vertrekt bedekt de sneeuw de Hemelbergenweg.

Waar bergen keren draait de weg zodat we u niet zien

En in de sneeuw blijven alleen de sporen van uw paard.

Voorjaarssneeuw

Het nieuwe jaar bleef nog geheel van geur en bloei verstoken,

De Tweede Maand verrast ons pas door gras dat uit gaat lopen.

De witte sneeuw is kwaad omdat de lentekleuren talmen

En stuift met opzet door de bomen als hun bloesemblaadjes

Bij een bezoek aan de berg de Taiping

Stenen zo steil: de hemel wordt gedeeld,

Bomen gekruisd: de zon is onvolledig.

De koele beek doet voorjaarsbloesems vallen,

De koude rots behoudt de zomersneeuw

Kong Zhigui

DE NOORDENWIND

De noordenwind is o zo koud,

De sneeuw die valt is o zo dik-

Als jij aan mij je liefde schenkt,

Neem ik je hand, ik zal je volgen!

Je bent zo sloom, je bent zo traag

En het heeft haast!

De noordenwind, die snerpt en joelt,

De sneeuw die valt dwarrelt en stuift –

Als jij aan mij je liefde schenkt,

Neem ik je hand, ik word je vrouw!

Je bent zo sloom, je bent zo traag

En het heeft haast!

Er is niets roder dan de vos,

Er is niets zwarter dan de raaf-

Als jij aan mij je liefde schenkt,

Neem ik je hand, ik deel je wagen!

Je bent zo sloom, je bent zo traag

En het heeft haast!

Uit de Oden van Bei

SNEEUW OP DE RIVIER

Honderd heuvels – vogels vlogen heen,

Duizenden paden – zonder spoor van mensen.

Eenzaam een boot: onder strocape en riethoed zit een oude man

Alleen te vissen in de sneeuw op de koude rivier.

Gezegend,

is deze zuidelijke vallei

waar een zachte wind waait –

vage geur van sneeuw.

Matsuo Basho

Slechts halverwege

Naar de oude hoofdstad,

En boven mijn hoofd

De wolken, zwaar van sneeuw.

Matsuo Basho

Zelfs een paard

Is een gebeurtenis,

Ik moest wel stoppen om te kijken

Op deze besneeuwde ochtend

Basho

Ik ga zo ver mogelijk

Hoe hoog de sneeuw ook ligt

Tot ik struikel en val,

Kijkend naar het witte landschap.

Basho

Een dorre rietkraag

overal waar sneeuw glinsert

het spoor van de wind

Suziki Michihiko

TE WIT OM DOOR TE GAAN

Het sneeuwt. Het is bevroren water,

het is verloren tijd, het is

andersomtaal, een zwijgzaam praten,

licht vallend uit de duisternis.

Het sneeuwt, het heeft met dood te maken

en met de klokken van voorbij,

er ligt vergeving op de daken

er is een toekomst buiten mij.

vd Graft

JACHTSNEEUW

weg naar een begrafenis

Ik moest naar Vorden toe. Een

Een lange reis naar Vorden.

Uit de trein zie ik hoe

wit het geworden

is, hoe afschuwelijk rein

heel de Veluwe

uitgewist, opgedoekt.

Ik zie het laatste schuwe

licht over de kop slaan.

Een overlevende,

zo zit ik hier,

aan het raamvizier,

het lood van de nacht

al onder de leden,

in de jachtsneeuw op weg

naar een reeds dode,

diens koude vrede

vd Graft

Wit op wit

Langzaam ongeduldig

valt de sneeuw

het is de sneeuw van vorig jaar,

het is de sneeuw van volgend jaar,

langzaam ongeduldig

schrijft de sneeuw

de bladzij van dit jaar

weer open.

vd Graft

17 juni

En nu zal die sneeuw altijd blijven,

niet verlost en niemand ooit verteld.

Tegen de avond bevriest daar hun spoor

in een uur, een jaar, een staat, provincie.

En nu zal dat gezicht altijd blijven,

eeuwen door regendruppels gegeseld,

eentje rolt van een wimper naar de mond

op een leeg plein, in een ongenoemde stad.

Czeław Miłosz

ERIK SATIE

Als een slee door sneeuw

als een pingelende pink

als een storm in een vergeten glas

ranja

3 x ‘als’ en nog niet gezegd

wie Satie is

die te jong was

voor deze wereld van oud brood.

Ik zet zijn Sports et Divertissements op

20 bewijzen van lichtvoetigheid

en schrijf:

als een oude dame in een speeltuin

als vogeltenen in verse aarde

als doe als da

schreeuwt mijn dochter

en ja

c’est ça

c’ est Satie.

Bernlef

DOOI

De schaatsers kris en krassend op het ijs

de trippelsprintjes van een spreeuw

wat anders wegijlt blijft nu liggen

stil veldje vol tekens in de sneeuw

Een blauwdruk van immens gescharrel

half afgemaakt in weggevlogen taal

zo vormden vlokken dalend onder nul

de grond voor een verhaal dat op het punt

van pointe in dooi uiteenvalt en weer kaal

Bernlef

ANONIEME FIETSER

Het smalle bandenspoor

doodgelopen in de rand

komt aan de andere kant

van de plas tevoorschijn

Het strand is twee voet lang

ik staar naar het verdwijnpunt

van de anonieme fietser

takken van eeuwenoude bomen

staan mij in het gezicht te lezen

is stilstaan beter dan bewegen?

Ik trap erin met opgetrokken knieën

ik wil een fietser worden

voor altijd fietsend in een plas

*

Waar alles wit en licht was

mislukte geen enkele foto

Eigenlijk steeds dezelfde

twee mannen op zoek naar een landschap

Hier wroet Fraenkel met zijn schoen

aandachtig in de sneeuw

Andrée met kepie en stok iets achter hem

blikt nog als leider in de lens

Wist hij het al (Nils Strindberg niet

hij hield het toestel stil) hoe oeverloos

Hun dwaaltocht was die hier

in kaart gebracht lijkt op een web

De wereld steeds meer een blinde vlek

*

Vele laatsten. Hij was de fotograaf

Nils Strindberg, 25 jaar, maar

Op deze foto staat hij zelf

op snor na onherkenbaar

Twee touwen binden hem aan de slee

ook deze staat in het Andrée-museum

Voorzichtig prikt hij in de sneeuw

op zoek naar spleten in het ijs

De laatste maal dat licht hem trof

rechtop – hij zou de eerste worden

Wegsneeuwend in zijn eigen camera

Bernlef

SEDIMENT

Sneeuwbuien van skeletjes

trekken over de bodem van de zee

sediment dat eeuwig in beweging blijft

Een val van een dak

een gooi naar het hoogste

in dezelfde warreling opgenomen

Thermiek en golfstroom staan mij

mild een marge toe, een levenslijn,

en laten die dan los.

Bernlef

WOLF

1

Het hele land een raderwerk

van voorzieningen, voorschriften

Maar nu ondergesneeuwd

Een grasgroene brievenbus aan een paal

Het dagblad in zijn wikkel

De wielsporen van de postbode

Het sneeuwt op de voorpagina

Laatste wolf trekt in noordelijke richting

waar de telefoondraden zwijgen

en een volautomatische centrale voortbewogen

door een kunstmatig aangelegde waterval

zijn stroom naar alle onbewoonde huizen stuurt

Laatste wolf in noordelijke richting

waar buslijnen afbreken als dorre takken

en het sneeuwt in een lege melkbus

in het saffraangele paardengebit

Laatste wolf, hoor hem hijgen

terwijl je de krant krakend openslaat

en het raderwerk inkijkt

Een recept voor spaghetti all’ oglio

Een safari naar Dakar

Hoor!

Het klinkt als tandwielen onder een deken

een dof malen als van ondergrondse motoren

Een wolf gevolgd door een helikopter

Alsof hij weet waar hij heen gaat

meldt de reporter hoog boven

de boomgrens en verliest

hem dan uit het oog

2

Nu niets meer over hem wordt vernomen

zie ik hem komen: wolf aanhollend

tussen kale rotsen

Het laatste huis, dan is hij alleen

met de sneeuw en de stenen en

staat plotseling stokstijf stil

Even trillend alsof een herinnering

door hem heen trekt aan

lage schimmelende stallen

Hij schudt zijn vacht, als teken

vallen de woorden in de sneeuw

Nu is hij onzichtbaar

Alleen vervolgen sporen hun weg.

Bernlef

WINTERWEGEN

Niet alleen vossensporen, de achterwaarts

wijzende patrijzenprenten in de sneeuw,

maar ook de winterwegen,

smalle looppaden tussen schuur en erf

op geen kaart te vinden

Ieder huis rust als een spin

in ’t midden van zijn eigen wegennet

Een tijdelijke taal

zoals het blaffen van een hond

stemmen achter een bosrand

Taal die niet begrepen hoeft te worden

zoals een kinderkrabbel: teken van

iets dat achter de rug is

Wanneer de winterwegen smelten

blijft het vermoeden van een landkaart

onder onze voeten

De eerste zwaluwen hoog in de

lege lucht, zij kunnen hem lezen wellicht

zij volgen andere wegen.

Bernlef

VANUIT DE VERTE

In memoriam Gennadi Ajgi

1

De sneeuw ligt dik op de velden

leeg op een trekker na

zonder banden gestrand

tussen twee hekken aan de rand

Op de voorgrond de begrafenisstoet

krakende jassen, bontmutsen, laarzen

en langs de kant van de sneeuwweg een vrouw

een roos in haar uitgestoken want

Hekken, schreef hij.

Hekken in de verte.

Hekken in de sneeuw.

Aan de rand van het heelal.

2

De vrouwenhand in de want houdt de roos

de roos zo broos bevroren

springt in splinters uiteen,

rode scherven die neerdwarrelen in de sneeuw.

3

Vanuit de verte gezien:

een groep mieren die iets voortsjouwt

een zwarte slinger door de sneeuw

moeizaam voortploeterend tussen de witte velden.

4

Zijn woorden gaan schuiven

ruimen sneeuw, maken plaats voor

de bewegende zwarte regel op weg

met zijn kist, met de gebroken roos.

Bernlef

AAN DE VOET VAN DE FUJI

’s Morgens tillen wolken hem op

zijn besneeuwde top een zwevend dak

boven de in de heuvels dwalende wandelaar.

Wapens, potten en pannen, opgedolven.

Donkere wolken dreven alle geluiden uit.

Raadsel dat hem zwijgend omfloerst.

*

Zwaard, rustend in een vitrine

tombe bewaakt door hydrometers.

Vogelgekwetter dringt dwars door gewapend glas.

*

Lege harnassen, klankkasten voor de wind

een kale vlakte vol karkassen. Luister naar

de duistere fluistering: oorlog op komst.

Bernlef

’t Hoorngeschal is nu verstild,

Raadsels in ’t hart zijn gebleven,

Herfstsneeuw komt luchtig en mild

Over het croguetveld zweven,

Ruis nog maar voort, laatste blad!

Kwijn nog maar, laatste gedachten’

Nooit wou ‘k verhinderen dat

Hij, die zo vrolijk was, lachte.

Ik heb de dierbare mond ‘t

Bittere grapje vergeven…

0, als je morgen hier komt

Over de sneeuwwitte dreven,

Dan gaan de kaarsen aan die

’s Middags het vriendelijkst stralen,

En uit de oranjerie

Zullen we rozen gaan halen.

 

Augustus 1910, Tsarskoje Selo

A. Achmatova

BEVRIJD

Frisse sneeuw verstuift langs de voren,

’t Pijnbos wuift in de frisse wind.

Geen vijandige stap meer te horen

In mijn land dat zijn rust hervindt.

 

Februari 1945

A. Achmatova

’t Betraande najaar lijkt een weduwvrouw

Die, in het zwart gekleed, het hart doet schromen.

De woorden van haar man gedenkend, diep in rouw,

Laat zij haar tranen almaar stromen.

Zo gaat het tot de stilste sneeuw zich vlijt

Over die treurende, vol medeleven …

Vergetelheid van pijn en zaligheid –

Daarvoor je leven zelfs te geven.

15 september 1921, Tsarskojee Selo

A. Achmatova

Alleen de sneeuw

Ik denk aan God en niet zozeer

aan sneeuw. Dat is niet waar.

God denkt aan mij en hij vreet mij op.

Niemand denkt aan om het even wie.

Een kleine kar gaat door de straat.

Sneeuw valt als hij valt.

God is een volkomen vreemde,door niets geplant.

Ik zou mijzelf willen planten als een wilg.

Ik zou mijzelf willen planten als het gras.

Om dan daarop neer te vallen als de sneeuw, zacht.

Het zou inslapen en ik zou Gods deken onthullen, mijn

Huid, en zou verdwijnen over straat, in de nacht.

Gisteren kwam ik langs een deur.

Een klapdeurtje, van knie tot borst.

Ik wilde weten of er een engel was daarbinnen.

Het was alleen een oude man met een sombrero.

Met donkere huid en nog donkerder ogen.

Ik schonk mijn tequila te vol.

Ik sloeg hem achterover.

Het geluid was anders dan

Dat van water uit een kraan.

Ik moet tequila drinken.

Ik moet een boom zijn, geplant in de aarde, en stoot de deur open.

Ik moet de engel tegemoet gaan.

Tomaz Salamun

Zelfs een paard

Is een gebeurtenis,

Ik moest wel stoppen om te kijken

Op deze besneeuwde ochtend

Basho

ZWARTE ANSICHTEN

I

Agenda volgeschreven, toekomst een vraag.

De kabel neuriet een volksliedje zonder vaderland.

Sneeuwval in de loodstille zee. Schaduwen

slaan tegen de kade.

II

Midden in het leven komt soms de dood

en neemt mensen de maat. Dat bezoek

wordt vergeten en het leven gaat door. Maar het kostuum

wordt in stilte gestikt.

T. Tranströmer

Het sinistere wit van de sneeuw. De lage, grijze zoldering van de hemel. De wolken als neergeslagen dieren over de daken. De vaalheid van de vleugel of de ruimte als een metalen plaat boven onze hoofden. Stad van bleek gewoeker. Anderen zullen naar je kunnen kijken met een blijmoediger hart. Nooit de vogel die nooit rust of verblijf in je vond.

Jose Angel Valente

Ik ga zo ver mogelijk

Hoe hoog de sneeuw ook ligt

Tot ik struikel en val,

Kijkend naar het witte landschap.

Basho

HET HUIS EN DE HANDEN

Twee handen waren als een huis.

Ze zeiden :

trek bij mij in.

Geen regen, geen vorst, geen angst.

Ik heb in dat huis gewoond

zonder regen, zonder vorst, zonder angst

tot de tijd het af kwam breken.

Nu zwerf ik weer langs de wegen.

Mijn jas is dun. Er is sneeuw

op komst.

Rolf Jacobsen

Slechts halverwege

Naar de oude hoofdstad,

En boven mijn hoofd

De wolken, zwaar van sneeuw.

Matsuo Basho

Zonder te vermelden

De schoonheid van de sneeuw

Schittert de berg Tsukuba

In zijn purperen mantel

Krachtig strijkend

De plooien uit mijn jas,

Begin ik een wandeling

Om samen naar de sneeuw  te kijken.

Ik ga zo ver mogelijk

Hoe hoog de sneeuw ook ligt

Tot ik struikel en val,

Kijkend naar het witte landschap.

Matsuo Basho

39

Der Schnee verwandelt die Welt in einen Friedhof.

Aber die Welt war bereits ein Friedhof,

und der Schnee kam nur, um es bekannt zu machen.

Der Schnee kam nur, um mit seinem

gliederlosen, dünnen Finger auf den wahren

und aufsehenerregenden Darsteller zu zeigen.

Der Schnee ist ein gefallener Engel,

ein Engel, der die Geduld verlor.

39

La nieve ha convertido al llundo en cellenterio.

Pero el llundo ya era un cellenterio

y la nieve sólo ha venido a publicarlo.

La nieve sólo ha venido a seiialar,

con su delgado dedo sin ariiculaciones,

al verdadero y escandaloso protagonista.

La nieve es un ángel caido,

un ángel que ha perdido la paciencia.

Roberto Juarroz – Vertikale Poesie

Goed en slecht weer

Het deert mij niet als buiten

de winter nevel, wolken en kou verspreidt.

In mij is het lente, werkelijke vreugde.

Het lachen is een zonnestraal, geheel en al van goud,

er is geen andere tuin zoals de liefde,

de warmte van het lied brengt alle sneeuw tot smelten.

Wat nut heeft het dat buiten

de lente bloemen doet ontbloeien en groen uitzaait!

Ik heb winter in mijn binnenste, als mijn hart verdriet heeft.

Het steunen overschaduwt het felst stralend zonlicht;

als je verdriet hebt lijkt de meimaand op december,

kouder zijn de tranen dan de koudste sneeuw.

September 1893

K.P. Kavafis

Gezegend,

is deze zuidelijke vallei

waar een zachte wind waait –

vage geur van sneeuw.

Matsuo Basho

De noordenwind

De noordenwind is o zo koud,

De sneeuw die valt is o zo dik-

Als jij aan mij je liefde schenkt,

Neem ik je hand, ik zal je volgen!

Je bent zo sloom, je bent zo traag

En het heeft haast!

De noordenwind, die snerpt en joelt,

De sneeuw die valt dwarrelt en stuift –

Als jij aan mij je liefde schenkt,

Neem ik je hand, ik word je vrouw!

Je bent zo sloom, je bent zo traag

En het heeft haast!

Er is niets roder dan de vos,

Er is niets zwarter dan de raaf-

Als jij aan mij je liefde schenkt,

Neem ik je hand, ik deel je wagen!

Je bent zo sloom, je bent zo traag

En het heeft haast!

Uit de Oden van Bei

Sneeuw op de rivier

Honderd heuvels – vogels vlogen heen,

Duizenden paden – zonder spoor van mensen.

Eenzaam een boot: onder strocape en riethoed zit een oude man

Alleen te vissen in de sneeuw op de koude rivier.

Bij een bezoek aan de berg de Taiping

Stenen zo steil: de hemel wordt gedeeld,

Bomen gekruisd: de zon is onvolledig.

De koele beek doet voorjaarsbloesems vallen,

De koude rots behoudt de zomersneeuw

Kong Zhigui

Lied van witte sneeuw, ten uitgeleide van administratief- assistent Wu bij zijn terugkeer naar de Hoofdstad

De noorderstorm rolt aarde op en witte grassen breken: De Hunse hemel, Achtste Maand, en stuiven doet de sneeuw!

Opeens was midden in de nacht een lentebries gekomen: Op honderd bomen, duizend bomen bloeit de perebloesem!

Zij dringt door paarlen deurgordijnen, weekt door zijden klamboes,

Geen vossebont is nu nog warm en zijden dekens slinken.

De generaal is niet in staat een hoornen boog te spannen.

De resident kan door de kou geen ijzeren harnas dragen.

In elke richting op de steppe: honderd voet van ijs.

De droeve wolken, zwart en zwaar, zijn duizend mijl gestold.

Het hoofdkwartier bereidt een feest want iemand gaat terug,

Met Hunse citers, platte luiten, Tibetaanse fluiten.

De late sneeuw danst driftig neer op de kazernepoort,

De storm rukt aan de rode vlag: bevroren en onwrikbaar.

Bij Luntai’s oosterpoort doen wij u uitgeleide,

Nu u vertrekt bedekt de sneeuw de Hemelbergenweg.

Waar bergen keren draait de weg zodat we u niet zien

En in de sneeuw blijven alleen de sporen van uw paard.

Voorjaarssneeuw

Het nieuwe jaar bleef nog geheel van geur en bloei verstoken,

De Tweede Maand verrast ons pas door gras dat uit gaat lopen.

De witte sneeuw is kwaad omdat de lentekleuren talmen

En stuift met opzet door de bomen als hun bloesemblaadjes

Sneeuw

DE WINTER STAAT STIL

Schrijf de winter staat stil, lees een dag zonder dood

spel de sneeuw als een kind, smelt de tijd

als een klok die zich spiegelt in ijs

het is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men schrijft

in een klok die niet loopt, in het vlees

dat bestaat als sneeuw voor de zon

en schrijf hoe haar lichaam bestond en zich boog

gelenigd in vlees en keek achterom

in het oog van vandaag, en lees wat hier staat

de zon op de sneeuw, het kind in de slee

het dichtgewaaid spoor, de onleesbare dood –

Gerrit Kouwenaar

ADVENT

Zoo stil, zoo stil – nu kan het sneeuwen

op d’aarde, die, tot slaap bereid,

vergat de heugenis van eeuwen

en niets verwekt in dezen tijd.

Waar zijn uw eerzucht, angst en droomen,

de liefde en haar ijdelheid?

Zaagt gij wel ooit een winter komen,

in doffer deemstering verbeid?

Verwacht niet meer! – gij moet het dulden,

dat alles naar de bodem buigt.

Het bloed, dat eens de harten vulde,

heeft niet de zielsdrift overtuigd.

Verwacht een kind – en die zal stralen

aan Jesse, aan zijn stam en stok.

Wanneer de witte sneeuw wil dalen

legt hij ze voor u, vlok na vlok.

De weg, de waarheid en het leven

zijn van dien sneeuwval geplaveid.

Geen mensch kan minder aan hem geven

dan honger naar zijn eeuwigheid.

Jan Engelman uit: Het Bezegeld Hart, 1937.

SNEEUW
In deze sneeuw ben ik een tekening.
Een plaat, waarop ik langzaam levend ben.
Er is geen onderscheid tussen de boom en mij
dan dat ik hier en daar bewegend ben.

Verzonken in het eindeloze wit,
dat om mij ligt geopend, ben ik dit.
Bevangen door dezelfde zuiverheid,
waar in de verte ook een kraai op zit.
Gerrit Achterberg
uit: Verzamelde gedichten
Querido, Amsterdam 1984

‘Sneeuw’

Wij hebben niets meer dan het witte blad van noode,

waar – zooals zuiver sneeuwen op de aarde dwaalt

de overluchtsche vlucht van de gedachte daalt,

door ééne wenk der wimpers tot dit uur ontboden.

Wij waagden éénmaal ons, het overvele ontvloden,

in ’t hart der stilte, wit van een volstrekt gemis.

Waar aanvang nam wat thans dit levend sneeuwen is,

hebben wij niets meer dan het witte blad van noode.

Ida Gerhardt (ca. 1950)

III

Rondom het vallen van een blad

zijn licht en lucht en uurslag

ijler. Het laatst bewegen spaart

een zilveren ruimte uit, gaat

open als een kinderoog, draalt

in verwondering om nieuwe staat

van vrijheid, wiekt even op maar

wijkt snel uit, bevreesd, omdat

de boom nu oud is. Het pad

beneden staat vol sporen naar

een nieuwe, zegenende dageraad:

sterven, inkeer, sneeuwen overgaan

in bronkracht, ongeschapen klaar.

Gabriël Smit

SNEEUW

Krachtig strijkend

De plooien uit mijn jas,

Begin ik een wandeling

Om samen naar de sneeuw te kijken

Basho

Alleen de sneeuw

Ik denk aan God en niet zozeer

aan sneeuw. Dat is niet waar.

God denkt aan mij en hij vreet mij op.

Niemand denkt aan om het even wie.

Een kleine kar gaat door de straat.

Sneeuw valt als hij valt.

God is een volkomen vreemde,door niets geplant.

Ik zou mijzelf willen planten als een wilg.

Ik zou mijzelf willen planten als het gras.

Om dan daarop neer te vallen als de sneeuw, zacht.

Het zou inslapen en ik zou Gods deken onthullen, mijn

Huid, en zou verdwijnen over straat, in de nacht.

Gisteren kwam ik langs een deur.

Een klapdeurtje, van knie tot borst.

Ik wilde weten of er een engel was daarbinnen.

Het was alleen een oude man met een sombrero.

Met donkere huid en nog donkerder ogen.

Ik schonk mijn tequila te vol.

Ik sloeg hem achterover.

Het geluid was anders dan

Dat van water uit een kraan.

Ik moet tequila drinken.

Ik moet een boom zijn, geplant in de aarde, en stoot de deur open.

Ik moet de engel tegemoet gaan.

Tomaz Salamun

SCHWARZE FLOCKEN

Schnee ist gefallen, lichtlos. Ein Mond

ist es schon oder zwei, dass der Herbst unter mönchischer Kutte

Botschaft brachte auch mir, ein Blatt aus ukrainischen Halden:

‘Denk, dass es wintert auch hier, zum tausendstenmal nun

im Land, wo der breiteste Strom fließt:

Jaakobs himmlisches Blut, benedeiet von Äxten.. .

O Eis von unirdischer Röte- es watet ihr Hetman mit allem

Trog in die finsternden Sonnen.. . Kind, ach ein Tuch,

mich zu hüllen darein, wenn es blinket von Helmen,

wenn die Scholle, die rosige, birst, wenn schneeig stäubt das Gebein

deines Vaters, unter den Hufen zerknirscht

das Lied von der Zeder…

Ein Tuch, ein Tüchlein nur schmal, dass ich wahre

nun, da zu weinen du lernst, mir zur Seite

die Enge der Welt, die nie grünt, mein Kind, deinem Kinde!’

Blutete, Mutter, der Herbst mir hinweg, brannte der Schnee mich:

sucht ich mein Herz, dass es weine, fand ich den Hauch, ach des Sommers,

war er wie du.

Kam mir die Träne. Webt ich das Tüchlein.

ZWARTE VLOKKEN

Sneeuw is gevallen, lichtloos. Eén maan her

is het al of twee dat de herfst ook mij in monnikspij

een tijding bracht, een blad uit Oekraïense heuvels:

‘Bedenk dat het wintert ook hier, voor de duizendste keer nu

in het land waar de breedste stroom vliedt:

Jaäkobs hemelse bloed, gebenedijd door bijlen.. .

ijs van onaardse roodheid – daar waadt haar hetman met heel z’n

tros naar donkerende zonnen.. . kind, ach, een doek

om me in te hullen als het blinkt van de helmen,

wanneer de schol, de rozige, barst, als het gebeente van je vader

sneeuwig verstuift, onder de hoeven vol wroeging

het lied van de ceder…

Een doek, een klein doekje maar, opdat ik nu,

nu je leert huilen, voor mezelf bewaar

het nauw van de wereld, die nooit groent, mijn kind, voor jouw kind!’

Bloedde, moeder, de herfst me maar weg, brandde de sneeuw me maar:

zocht ik mijn hart maar, dat het huilt, vond ik de zucht maar, ach,

van de zomer,

was-ie als jij.

Kwam me de traan. Weefde ik dat doekje.

Paul Celan  (vert. T. Naaijkens)

NACHTS ist dein Leib von Gottes Fieber braun:

mein Mund schwingt Fackeln über deinen Wangen.

Nicht sei gewiegt, dem sie kein Schlaflied sangen.

Die Handvoll Schnee, bin ich zu dir gegangen,

und ungewiss, wie deine Augen blaun

im Stundenrund. (Der Mond von einst war runder.)

Verschluchzt in leeren Zelten ist das Wunder,

vereist das Krüglein Traums – was tuts?

Gedenk: ein schwarzlich Blatt hing im Holunder –

das schöne Zeichen für den Becher Bluts.

’s NACHTS is je lichaam bruin van Gods koorts:

fakkels zwaait boven je wangen mijn mond.

Niet zij gewiegd voor wie ze geen lied zingen konden.

Ik had sneeuw in mijn handen toen ik je vond,

en kon niet weten hoe in het urenrond

je ogen blauwen. (De maan was vroeger ronder.)

Versnikt in lege tenten is het wonder,

verijsd het kruikje droom – of het iets ertoe doet?

Gedenk: een zwart glanzend blad, met de vlierbes verbonden –

het fraaie teken voor de beker bloed.

Paul Celan  (vert. T. Naaijkens)

SO schlafe, und mein Aug wird offen bleiben

Der Regen füllt’ den Krug, wir leerten ihn.

Es wird die Nacht ein Herz, das Herz ein Hälmlein treiben –

Doch ists zu spät zum Mähen, Schnitterin.

So schneeig weiß sind, Nachtwind, deine Haare!

Weiß, was mir bleibt, und weiß was ich verlier!

Sie zählt die Stunden, und ich zähl die Jahre.

Wir tranken Regen. Regen tranken wir.

KOM slaap maar, mijn oog zal open blijven

Regen vulde de kruik, we hebben ‘m flink geraakt.

De nacht zal een hart, het hart een halmpje krijgen –

Maar om te maaien, maaister, is het nu te laat.

Zo wit als sneeuw, nachtwind, zijn je haren!

Wit wat ik verlies, wit wat bij mij zij!

Zij telt de uren en ik tel de jaren.

We dronken regen. Regen dronken wij.

Paul Celan  (vert. T. Naaijkens)

AUCH HEUTE ABEND

Voller,

da Schnee auch auf dieses

sonnendurchschwommene Meer fiel,

blüht das Eis in den Körben,

die du zur Stadt trägst.

Sand

heischst du dafür,,

denn die letzte

Rose daheim

will auch heut abend gespeist sein

aus rieselnder Stunde.

Ook vanavond

Voller,

nu sneeuw ook op deze

van zon doorzwommen zee viel,

bloeit het ijs in de manden

die je draagt naar de stad.

Zand

eis je in ruil,

want de laatste

roos thuis

wil ook vanavond gevoed zijn

uit een miezerend uur.

Paul Celan  (vert. T. Naaijkens)

SCHNEEBETT

Augen, weltblind, im Sterbegeklüft: Ich komm,

Hartwuchs im Herzen.

Ich komm.

Mondspiegel Steilwand. Hinab.

(Atemgeflecktes Geleucht. Strichweise Blut.

Wölkende Seele, noch einmal gestaltnah.

Zehnfingerschatten – verklammert.)

Augen weltblind,

Augen im Sterbegklüft,

Augen Augen:

Das Schneebett unter uns beiden, das Schneebett.

Kristall um Kristall,

zeittief gegittert, wir fallen,

wir fallen und liegen und fallen.

Und fallen:

Wir waren. Wir sind.

Wir sind ein Fleisch mit der Nacht.

In den Gängen, den Gängen.

SNEEUWBED

Ogen, wereldblind, in de sterfkrochten: ik kom,

met verharding in het hart,

ik kom.

Steile wand maanspiegel. Afdalen.

(Met adem bevlekte schijnsels. Vegen bloed.

Wolkende ziel, nog eens gestalte haast.

Tienvingerschaduw – vastgeklampt.)

Ogen wereldblind,

ogen in de sterfkrochten,

ogen ogen:

het sneeuwbed onder ons beiden, het sneeuwbe.

Kristal na kristal,

met een tijddiep rooster, we vallen,

we vallen en liggen en vallen.

En vallen:

we waren. We zijn.

We zijn één vlees met de nacht.

In de gangen, de gangen.

Paul Celan  (vert. T. Naaijkens)

In Mundhöhe

In Mundhöhe, fühlbar:

Finstergewächs.

(Brauchst es, Licht, nicht zu suchen, bleibst

das Schneegarn, hältst

deine Beute.

Beides gilt:

Berührt und Unberührt.

Beides spricht mit der Schuld von der Liebe,

beides will dasein und sterben.)

Blattnarben, Knospen, Gewimper.

Augendes, tagfremd.

Schelfe, wahr und offen.

Lippe wusste. Lippe weiß.

Lippe schweigt es zu Ende.

OP MONDHOOGTE

Op mondhoogte, voelbaar:

donkergewas.

(Je hoeft het, licht, niet te zoeken, blijft

het sneeuwnet, houdt

je buit vast.

Allebei geldt:

Aangeraakt en Onaangeraakt.

Allebei spreken ze met de schuld over de liefde,

allebei willen ze zijn en sterven.)

bladmerken, knoppen, donzigs.

t Lonkt, dagvreemd.

Schil, waar en open.

Lip wist. Lip weet.

Lip zwijgt het ten einde.

Paul Celan  (vert. T. Naaijkens)

Du DARFST mich getrost

mit Schnee bewirten:

sooft ich Schulter an Schulter

mit dem Maulbeerbaum schritt durch den Sommer,

schrie sein jüngstes

Blatt.

ONTHAAL me gerust

op sneeuw: steeds

als ik schouder aan schouder

met de moerbei door de zomer schreed,

krijste zijn jongste

blad.

Paul Celan  (vert. T. Naaijkens)

KEIN HALBHOLZ mehr, hier,

in den Gipfelhängen,

kein mit-

sprechender

Thymian.

Grenzschnee und sein

die Pfahle und deren

Wegweiser-Schatten

aushorchender, tot-

sagender

Duft.

NIETS VERHOUTS meer, hier,

op de glooiingen,

geen mee-

pratende

tijm.

Grenssneeuw en de

geur ervan,

die de staken en hun

wegwijzer-schaduw

uithoort, dood-

verklaart.

Paul Celan  (vert. T. Naaijkens)

HEIMKEHR

Schneefall, dichter und dichter,

taubenfarben, wie gestern,

Schneefall, als schliefst du auch jetzt noch.

Weithin gelagertes Weiss.

Drüberhin, endlos,

die Schlittensput des Verlornen.

Darunter, geborgen,

stülpt sich empor,

was den Augen so weh tut,

Hügel um Hügel,

unsichtbar.

THUISKOMST

Sneeuwval, dichter en dichter,

duifkleurig, net als gisteren,

sneeuwval, alsof je nog steeds

aan ’t slapen was.

Wit dat zich ver uitstrekt.

Daarop, eindeloos,

het arrenspoor van het verlorene.

Daaronder, geborgen,

stulpt zich omhoog

wat de ogen zo pijn deed,

heuvel na heuvel,

onzichtbaar.

Paul Celan  (vert. T. Naaijkens)

Schneepart, gebäumt, bis zuletzt,

im Aufwind, vor

den für immer entfernsten

Hütten:

Flachträume schirken

übers

Geriffelte Eis;

die Wortschatten\

heraushaun, sie klaftern

rings um den Krampen

im Kolk.

Paul Celan

Sneeuwpartij, tegendraads, tot het laatst,

oplevend, voor

de voor altijd ontvensterde

hutten:

platte dromen ketsen

over het

geribde ijs;

de woordschaduwen

uithakken, ze opstapelen

rond het houweel

in de gletsermolen.

Paul Celan  (vert. T. Naaijkens)

EINWINTERN

Die frühen Schatten sinken

Umdüsternd ins Gelaß,

Zufällig huseht ein Blinken

Vom toten Spiegelglas,

Wie bleicher Hände Locken, …

Wie stummes Abschiedwinken

Mit Tüchern tränennass …

Nun fallen bald die weißen Flocken.

Es scheint mit Horn und Zinken

Zum ungeschlachten Baß

Gespenstisch herzuhinken

Vom Friedhof Gaß um Gaß

Im Hall der gellen Glocken,

Die Türe aufzuklinken,

Wer horcht mir ins Gelaß? …

Nun fallen bald die weißen Flocken.

O. Loerke

SCHNEESTADT

Da du, der Wandernacht nun überdrüssig,

Vor der Laterne säumst im Schneegehetze,

Wirds unter deiner Wimper golden flüssigBespannt

der Schnee dein Licht mit seinem Netze?

Verirrt dein Sinn zu tief sich an die Teiche,

Die aus den Jahren unterirdisch weinen

Und Leides Spuk wie Linnen auf der Bleiche,

Betreut von toten Fingern, widerscheinen?

Inzwischen wächst die silberschiere Wehe,

In stummem Zauber wie versiebenfältigt.

Du fliehst, wie wenn die Schwermut rings erstehe,

Vom eigen en Gedanken überwältigt.

Aus Tiefem steigen auf die weißen Schanzen,

Aus Unterwelten heben sich die Gassen

Und fügen Trümmer, Wand um Wand, zum Ganzen

Und ordnen lautlos steife Häusermassen.

Um Dach und Simse wuchert breiter Schimmel.

Die Stadt ist tot, sie hat sich längst begeben.

Verschneit dir unterm Fuße liegt ihr Himmel

Mit seinem Sonnwendabend von soeben:

Die Speichertürme waren rot geworden,

Die Dohlen schwärmten mönchisch in die Luken,

Als warte ein besessner Vogelorden

Die Feueröfen, die ihr Opfer buken.

Nun scheint es manchmal aus dem Schnee zu flattern,

Geflügelt sich den Weg herauf zu bahnen.

Umsonst, es wächst die Unterwelt, es schnattern

Auf weißer Einsamkeit die Eisenfahnen.

O. Loerke

SCHWEBEND IM SCHNEE

Wie mit langen sausenden Wurzeln hängt Sturm in der

Nacht,

Von ihnen trieft Schnee in großen Frachten.

Die Stadt schläft inmitten, dennoch abseits,

In ihren Fuchsburgschachten die Grubenlichter wachen.

Mein hörender Geist, dem unaufhörlichen Sausen

lauschend,

Führt mich und findet in ihm die monotone beschreitbare

Fläche,

Bannt mir die Wirbel des Schnees und ebnet sie weit

hinaus

Und winkt auf irdischem Fuße verbotene Ebne ambrosisch

sommerndes Lächeln.

Meine Demut erblüht, sieh, auf dem Blumenplan,

Der unter Schwerem einsinkt: eine grüne Nessel.

o meine Demut, wir lebten einander vorüber,

Wir haben uns nicht gewusst, uns vergessen.

Oh, nun ist nicht Zeit mehr zu lauschen,

Wie sie jubeln im Julidonner: zwei Drosseln Meine

Begeisterungen von einst,

Aus diesen Augen früh und flüchtig ergossen!

Im Hochwald rinnt ein roter Bach:

Sonne unter der Sonne –

Meine Seele grübelt sich durch das Gestein,

Nie hat sie sich meiner entsonnen.

Zuckender Schnee,

Rasende Reise

Des Himmels ins Weh,

Irr engt sich das Weite.

O. Loerke

AN EINEM WINTERMORGEN

Die Seele grünt noch im Sehnsuchtskummer,

Der mit dem Schlafe nicht entschlief.

Am Ohre lungert ihm Fernsprechnummer

Maschinenhacken, Schema Brief.

Er sieht: In rubinener Tagesneige

Nimmt raschen Abschied, was ewig hieß,

schattet mit breiten Blättern die Feige

Ober den Weg aus dem Paradies.

Eben hat er den Enzian gebrochen

Auf einem Berg, den die Eiszeit verschlang,

Und er hat am brandiges Opfer gerochen

Zum Gebet, das ein Ahnherr für ihn sang.

Im Lichte der Sichel, fern hergeliehen

Vom donnernden Tage, der jenseits stand,

Ist ihm das nächtliche Weistum gediehen

Bei schlissigem Laub an herbstkalter Wand.

Die Atemwolke aus ihm dauert

Im Raum, wo Vergehendes stille steht,

Wo der Büßer, der auf dem Bettrand kauert,

Dräußen im Frost hackt, vom Nachtschnee verweht.

O. Loerke

In Yoshino auch

die Berge dunstverhangen wo

weiger Schnee noch

fiel, in der alten Heimat

ist der Frühling gekommen.

Fujiwara Yoshitmne

Tief in den Bergen .

weiß man noch nichts vom Frühling.

An der Kieferntür

langsam erst rinnen herab

Perlen tauenden Schnees.

Prinzessin Shikishi

So trüb ist alles.

Im Heimatdorf noch immer

im dicktiefen Schnee

zeigt sich keines Fußes Spur:

Und doch zog der Frühling ein.

Kunaikyö

Tief in den Bergen

noch immer kalt sein Leuchten der

Mond des Frühlings.

Wolkenbedeckt der Himmel

und unaufhörlich fällt Schnee.

Echizen

Der dicht gefallen,

der Schnee auf hohen Gipfeln

ist nun geschmolzen.

Auf dem Kiyotaki-Flug

schneeweiß des Wassers Wellen.

Der Mönch Saigyö

Beim ersten Schneefall

heute morgen, auf den Freund

hat es gewartet;

das so einsame Bergdorf,

im Schnee zur Abendstunde.

Der Mönch Jakuren

Mein Pferd halt ich an,

die Armel abzuschütteln

kein Schutzdach gibt es.

An der Fähre von Sano,

beim Schnee zur Abenddämmrung.

Fujiwara Sada’ie

Die Bucht von Tago

besucht man und blickt hinaus:

In leuchtendem Weiß

des Fujis hoher Gipfel,

wo noch und noch fällt der Schnee.

Yamabe Akanito

In des Gartens Schnee

der Füße Spur drückt’ ich ein

beim Hinausgehen.

Hat ihn wohl jemand besucht? werden

andre sich wundern.

Erzbischof Ji’en

über Bergpfade

nahm er heut morgen den Weg,

der Wanderer –

auf seinem Hut weiß leuchtend

häuft sich und häuft sich der Schnee.

Minamoto Tsunenobu

Beide gemeinsam

brachen wir auf ins Weite,

unvergesslich bleibt’s.

über der Hauptstadt Berge

der verblassende Frühmond.

Fujiwara Yoshitsune

Nur aus der Ferne

möcht’ ich ihn sehen, sonst nichts!

In Kazuraki

von des Takama-Berges

Gipfel den weißen Schnee

Unbekannter Dichter

Weil der auf den Reif

heut morgen gefallne Schnee

Kühle verbreitet,

so doppelt grausam nunmehr

erscheint mir der Geliebte.

Minamoto Shigeyuki

WINTERLIED

Mir träumt’, ich ruhte wieder

Vor meines Vaters Haus

Und schaute fröhlich nieder

In’s alte Tal hinaus,

Die Luft mit lindem Spielen

Ging durch das Frühlingslaub,

Und Blüten-Flocken fielen

Mir über Brust und Haupt.

Als ich erwacht, da schimmert

Der Mond vom Waldesrand,

Im falben Scheine flimmert

Um mich ein fremdes Land,

Und wie ich ringsher sehe:

Die Flocken waren Eis,

Die Gegend war vom Schneee,

Mein Haar vom Alter weiß.

J. von  Eichendorff

Du merkst nicht

Du spürst nicht

dass der Schnee der Jahre

in dein Haar fällt

und merkst nicht

wie die Sonne

deinen Weg verbrennt

Im Licht

schwimmst du hinaus ins Meer

verstehst dich mit Delphinen

und merkst nicht

das das Wasser finster wird

Kommst zurück zur Erde

die du liebst

und merkst nicht dass sie

weggewandert ist

und du an ihrem Rand stehst

Du steigst hinauf

zum schneebestirnten Gipfel

bewunderst das Panorama

unten das grüne Tal

und merkst nicht

dass ein Grab geschaufelt wird

R. Ausländer

DEZEMBERMORGEN

Der Morgen

steckt mit kalter Hand

Turm um Turm

in die Erde zurück,

reist das Tuch auf,

unter dem du lagst,

warm und geborgen,

schneidet dich aus

mit blankem Messer.

Entblösst, verletzt,

entstellt,

wirft dich

der Spiegel zurück.

Alles, was dein war,

Traum und Hoffnung,

dein Leben zu tauschen,

der Plan es zu ändern,

blieb zwischen den Fäden

des nächtlichen Tuchs.

Fröstelnd gehst du

hinaus ins Graue,

die Mauern entlang.

Wände, Wände

und keine Tür,

die dir offen stünde.

Die Fenster sind alle

verschlossen, verhängt.

Da fallen Strähnen

auf deinen Weg,

Flocken, Locken,

van weither geweht,

berühren dein Haar,

dein Knie, deinen Schuh.

Du trittst darauf,

auf Chrysanthemen,

verscharrtes Laub,

zerfetzte Schleier,

ein Schneegesicht.

Auf dem Platz der Freiheit

springt die Fontäne

nicht mehr.

Im Brunnengrund atmet

der Himmel noch einmal,

bevor er zu Eis wird,

Figur und Blume.

W. Bächler

WINTER

Die Singvögel sind entkommen.

Die Lastkähne froren ein,

bevor sie das Meer erreichten.

Der Fluss steht still in den Dämmen.

Vom Gartenbeet schaufelt ein Kind

den Schnee. »Suchst du Blumen?«

»Die Blumen sind tot. Ich mache

ein Bett für den Wind!«

Die Mutter mästet das Feuer.

Im eisernen Käfig, zum Haustier

gezähmt, frisst es ihr aus der Hand.

Der Rauch stösst vergebens nach oben.

Der Himmel lässt ihn nicht ein.

Im Garten hat sich der Wind gelegt.

Er zieht den Schnee bis ans Kinn

und verbirgt sein Gesicht

unter ruhigen Strähnen.

Die Spatzen fliegen aus seiner Hand

unversehrt zu den Tauben aufs Dach.

Wir decken den Tisch für die Raben.

Zwei Schreinergesellen haben den Brunnen

in Bretter gehüllt und vernagelt.

affen beugt sich ein Mund darüber,

der seine Sprache verlor.

In den Augen vereisen die Tränen.

W. Bächler

SCHNEE

Da sind nur Winterschneisen und die Hieroglyphen in

der schwarzen Äste vor der Wolken Wand des Himmels,

nackt wie dein Denken diesen Nachmittag,

die Schrift der Wildspur und der Vogelkrallen.

Du trittst in ihre ungelösten Rätsel ein,

durchkreuzt die Linien, störst die Kreise,

ziehst Tangenten, einen plumpen Strich

durch deine Leere, die sich vor dir dehnt,

versuchst die Bilder zu addieren.

Doch sie verweigern dir die Summe,

bleiben isoliert wie du ‘

in diesem weissen Raum.

Du spielst mit einem Zapfen

abgebrochnen Eises, mit dem Schorf

vernarbter Wunden, ballst den Schnee

ohnmächtig in der Faust zu harten Kugeln

und lässt ihn schmelzen, um dir zu beweisen,

dass du noch etwas Wärme in dir hast.

W. Bächler

Der Winter

Helmut hört zur Weihnachtszeit

Kinder alle = seid bereit =

und wollen wir auch einsam sein.

und lässt das liebe Englein rein.

so weis wie auch die Flüglein

sind.«

ist auch der Schnee du liebes Kind.

Ernst Herbeck

weiss

weiss ist der Schnee. Weiss ist das Eiweiss

weiss ist der Tote nicht. weiss sind die Karpfen.

weiss ist der Anzug. weiss sind die Blumen.

weiss ist der Ton der Farbe. Weiss sind die Russen.

weiss ist schön. weiss sind die Fische

weiss bleierne Eier. weiss sind die bleiernen Eier

weiss ist sehr gut. so manches Ei ist weiss

weiss ist nicht schwarz.

weiss ist nicht hell.

weiss ist auch nicht blau.

weiss ist der Himmel.

Ernst Herbeck

Der Winter.

Der Winter liegt im Bette gar

und hüllt sich in Schnee und Eis

Er friert in der Hand

und macht weiss das ganze Land.

Er dauert die Zeit

über Jänner und Fasching weit.

Der Winter schneit und der Wind

und der Wind erzählt es breit.

Ernst Herbeck

Versöhnung

Erst sah ich weiße Fahnen

und wurde blaß, ich mag nicht siegen.

Doch dann glitten deine Tauben herüber,

so sanft

schicktest du die weißen Tauben

von dir zu mir,

Taube um Taube,

ich atmete kaum,

das Zimmer war weiß von ihnen.

Ich hielt die Hände hin:

schneeflockenfeucht von deinen

Tränen

tranken sie meine Tränen.

Hilde Domin

Schwanenlied

Wenn die Augen brechen,

Wenn die Lippen nicht mehr sprechen,

Wenn das pochende Herz sich stillet

Und der warme Blutstrom nicht mehr quillet:

O dann sinkt der Traum zum Spiegel nieder,

Und ich hör’ der Engel Lieder wieder,

Die das Leben mir vorüber trugen,

Die so selig mit den Flügeln schlugen

Ans Geläut der keuschen Maiesglocken,

Daß sie all die Vöglein in den Tempel locken,

Die so süße wildentbrannte Psalmen sangen:

Daß die Liebe und die Lust so brünstig rangen,

Bis das Leben war gefangen und empfangen;

Bis die Blumen blühten;

Bis die Früchte glühten,

Und gereift zum Schoß der Erde fielen,

Rund und bunt zum Spielen;

Bis die goldnen Blätter an der Erde rauschten,

Und die Wintersterne sinnend lauschten,

Wo der stürmende Sämann hin sie säet,

Daß ein neuer Frühling schön erstehet.

Stille wird’s, es glänzt der Schnee am Hügel

Und ich kühl’ im Silberreif den schwülen Flügel,

Möcht’ ihn hin nach neuem Frühling zücken,

Da erstarret mich ein kalt Entzücken –

Es erfriert mein Herz, ein See voll Wonne

Auf ihm gleitet still der Mond und sanft die Sonne

Unter den sinnenden, denkenden, klugen Sternen

Schau’ ich mein Sternbild an in Himmelsfernen;

Alle Leiden sind Freuden, alle Schmerzen scherzen

Und das ganze Leben singt aus meinem Herzen:

Süßer Tod, süßer Tod

Zwischen dem Morgen- und Abendrot.

[Brentano: Schwanenlied. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 284

Hüllt der Frost den Kreis der Erden

In ein Kleid, das Silber-weiß,

Wenn recht als begraben werden

Feld und Land in Schnee und Eis;

Sucht der Mond, mit blassen Strahlen,

Auch die Schatten weiß zu malen,

Und sein kühler Silber-Schein

Scheint dem Winter gleich zu seyn.

[Brockes: Die Sonne. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 338

Kirsch-Blühte bey der Nacht

Ich sahe mit betrachtendem Gemüte

Jüngst einen Kirsch-Baum, welcher blüh’te,

In küler Nacht beym Monden-Schein;

Ich glaubt’, es könne nichts von gröss’rer Weisse seyn.

Es schien, ob wär’ ein Schnee gefallen.

Ein jeder, auch der klein’ste Ast

Trug gleichsam eine rechte Last

Von zierlich-weissen runden Ballen.

Es ist kein Schwan so weiß, da nemlich jedes Blat,

Indem daselbst des Mondes sanftes Licht

Selbst durch die zarten Blätter bricht,

So gar den Schatten weiß und sonder Schwärze hat.

Unmöglich, dacht’ ich, kann auf Erden

Was weissers ausgefunden werden.

Indem ich nun bald hin bald her

Im Schatten dieses Baumes gehe:

Sah’ ich von ungefehr

Durch alle Bluhmen in die Höhe

Und ward noch einen weissern Schein,

Der tausend mal so weiß, der tausend mal so klar,

Fast halb darob erstaunt, gewahr.

Der Blühte Schnee schien schwarz zu seyn

Bey diesem weissen Glanz. Es fiel mir ins Gesicht

Von einem hellen Stern ein weisses Licht,

Das mir recht in die Sele stral’te.

Wie sehr ich mich an GOtt im Irdischen ergetze,

Dacht’ ich, hat Er dennoch weit grös’re Schätze.

Die gröste Schönheit dieser Erden

Kann mit der himmlischen doch nicht verglichen werden.

[Brockes: Kirsch-Blühte bey der Nacht. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 358

Herbstmorgen

Die Wolken ziehn, wie Trauergäste,

Den Mond still – abwärts zu geleiten;

Der Wind durchfegt die starren Äste,

Und sucht ein Blatt aus beßren Zeiten.

Schon flattern in der Luft die Raben,

Des Winters unheilvolle Boten;

Bald wird er tief in Schnee begraben

Die Erde, seinen großen Toten.

Ein Bach läuft hastig mir zur Seite,

Es bangt ihn vor des Eises Ketten;

Drum stürzt er fort und sucht das Weite,

Als könnt’ ihm Flucht das Leben retten.

Da mocht’ ich länger nicht inmitten

So todesnaher Öde weilen;

Es trieb mich fort, mit hast’gen Schritten

Dem flücht’gen Bache nachzueilen.

[Fontane: Herbstmorgen. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 708

Polarszene

Auf blinkenden Gefilden

Ringsum nur Eis und Schnee,

Verstummt der Trieb zu bilden.

Kein Sänger in der Höh.

Kein Strauch, der Labung böte,

Kein Sonnenstrahl, der frei,

Und nur des Nordlichts Röte

Zeigt wüst die Wüstenei.

So siehts in einem Innern,

So stehts in einer Brust,

Erstorben die Gefühle,

Des Grünens frische Lust.

Nur schimmernde Ideen,

Im Kalten angefacht,

Erheben sich, entstehen

Und schwinden in die Nacht.

[Grillparzer: Tristia ex Ponto. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 1137

Schneeglöckchen

Schneeglöckchen, ei, du bist schon da?

Ist denn der Frühling schon so nah?

Wer lockte dich hervor ans Licht?

Trau’ doch dem Sonnenscheine nicht!

Wohl gut er’s eben heute meint,

Wer weiß, ob er dir morgen scheint?

»Ich warte nicht, bis Alles grün;

Wenn meine Zeit ist, muß ich blüh’n.

Der mich erschuf für diese Welt,

Heißt blüh’n mich, wann es ihm gefällt;

Er denkt bei Schnee und Kälte mein,

Wird stets mein lieber Vater sein.«

[Hoffmann von Fallersleben: Schneeglöckchen. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 1712

Erster Schnee

Wie nun alles stirbt und endet

Und das letzte Rosenblatt

Müd sich an die Erde wendet,

In die warme Ruhestatt:

So auch unser Tun und Lassen,

Was uns heiß und wild erregt,

Unser Lieben, unser Hassen

Sei ins welke Laub gelegt!

Reiner, weißer Schnee, o schneie,

Schneie beide Gräber zu,

Daß die Seele uns gedeihe

Still und kühl in Winterruh!

Bald kommt jene Frühlingswende,

Die allein die Liebe weckt,

Wo der Haß umsonst die Hände

Träumend aus dem Grabe streckt!

[Keller: Erster Schnee. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 2172

Winternacht

Nicht ein Flügelschlag ging durch die Welt,

Still und blendend lag der weiße Schnee,

Nicht ein Wölklein hing am Sternenzelt,

Keine Welle schlug im starren See.

Aus der Tiefe stieg der Seebaum auf,

Bis sein Wipfel in dem Eis gefror;

An den Ästen klomm die Nix herauf,

Schaute durch das grüne Eis empor.

Auf dem dünnen Glase stand ich da,

Das die schwarze Tiefe von mir schied;

Dicht ich unter meinen Füßen sah

Ihre weiße Schönheit Glied für Glied.

Mit ersticktem Jammer tastet’ sie

An der harten Decke her und hin.

Ich vergeß das dunkle Antlitz nie,

Immer, immer liegt es mir im Sinn!

[Keller: Winternacht. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 2212

Lied eines Lappländers

Komm Zama, komm! Laß deinen Unmuth fahren,

O du der Preis

Der Schönen! komm! In den zerstörten Haaren

Hängt mir schon Eis.

Du zürnst umsonst. Mir giebt die Liebe Flügel,

Nichts hält mich auf.

Kein tiefer Schnee, kein Sumpf, kein Thal, kein Hügel

Hemmt meinen Lauf.

Ich will im Wald auf hohe Bäume klimmen

Dich auszuspähn,

Und durch die Fluth der tiefsten Ströhme schwimmen,

Um dich zu sehn.

Das dürre Laub will ich vom Strauche pflücken,

Der dich verdeckt,

Und auf der Wies’ ein iedes Rohr zerknicken,

Das dich versteckt.

Und solltest du, weit übers Meer, in Wüsten

Verborgen seyn;

So will ich bald an Grönlands weißen Küsten,

Nach Zama schreyn.

Die lange Nacht kommt schon. Still mein Verlangen

Und eil zurück!

Du kommst, mein Licht! du kommst, mich zu umfangen;

O, welch ein Glück!

[Kleist: Lied eines Lappländers. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 2290

Soldatenabschied

Heute scheid’ ich, heute wandr’ ich,

Keine Seele weint um mich.

Sind’s nicht diese, sind’s doch andre,

Die da trauern, wenn ich wandre:

Holder Schatz, ich denk’ an dich.

Auf dem Bachstrom hängen Weiden,

In den Tälern liegt der Schnee –

Trautes Kind, daß ich muß scheiden,

Muß nun unsre Heimat meiden,

Tief im Herzen tut mir’s weh.

Hunderttausend Kugeln pfeifen

Über meinem Haupte hin –

Wo ich fall’, scharrt man mich nieder,

Ohne Klang und ohne Lieder,

Niemand fraget, wer ich bin.

Du allein wirst um mich weinen,

Siehst du meinen Totenschein.

Trautes Kind, sollt’ er erscheinen,

Tu’ im Stillen um mich weinen,

Und gedenk’ auch immer mein.

[Müller: Soldatenabschied. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 2856

Ein Winterabend

Wenn der Schnee ans Fenster fällt,

Lang die Abendglocke läutet,

Vielen ist der Tisch bereitet

Und das Haus ist wohlbestellt.

Mancher auf der Wanderschaft

Kommt ans Tor auf dunklen Pfaden.

Golden blüht der Baum der Gnaden

Aus der Erde kühlem Saft.

Wanderer tritt still herein;

Schmerz versteinerte die Schwelle.

Da erglänzt in reiner Helle

Auf dem Tische Brot und Wein.

[Trakl: Ein Winterabend. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 3875

Das ist das Haus am schwarzen Moor

Das ist das Haus am schwarzen Moor!

Wer dort im letzten Winter fror,

Der friert dort nicht in diesem Jahr –

Er sank schon längst auf die Totenbahr.

Das ist das Haus am schwarzen Moor,

Das Haus, wo der alte Jan erfror.

Zur Tür gewandt das weiße Gesicht,

Starb er und wußt es selber nicht.

Er starb. – Da kam, wie ein scheues Reh,

Der Tag und hüpfte über den Schnee.

»Guten Morgen, Jan! Guten Morgen, Jan!« –

Der Jan keine Antwort geben kann.

Da erhuben die Glocken ihr hell Geläut,

Sie sangen und klangen und riefen so weit:

»Guten Morgen, Jan! Guten Morgen, Jan!« –

Der Jan keine Antwort geben kann.

Da kamen die Kinder aus der Stadt:

»Wir wissen, wie lieb er uns alle hat;

Guten Morgen, Jan! Guten Morgen, Jan!« –

Der Jan keine Antwort geben kann.

Tag, Glocken und Kinder er nicht verstund.

Da nahte die sonnige Mittagsstund,

Da nahte ein armes Weib: »Mein Jan,

Willst essen und trinken nicht, alter Mann?

Sieh, was ich brachte dir aus der Stadt;

Sollst froh nun werden und warm und satt!« –

Die Alte sah lange auf ihren Jan,

Da fing sie bitter zu weinen an.

Da weinte sie an dem schwarzen Moor,

Am Moor, wo der alte Jan erfror;

Da weinte sie ihr brennend Weh

Hinunter in den kalten Schnee.

[Weerth: Lieder aus Lancashire. DB Sonderband: 1001 Gedichte, S. 4067

Zigeunerlied

Im Nebelgeriesel, im tiefen Schnee,

Im wilden Wald, in der Winternacht,

Ich hörte der Wölfe Hungergeheul,

Ich’ hörte der Eulen Geschrei:

Wille wau wau wau!

Wille wo wo wo!

Wito hu!

Ich schoß einmal eine Katz am Zaun,

Der Anne, der Hex, ihre schwarze, liebe Katz;

Da kamen des Nachts sieben Werwölf zu mir,

Waren sieben, sieben Weiber vom Dorf.

Wille wau wau wau!

Wille wo wo wo!

Wito hu!

Ich kannte sie all, ich kannte sie wohl,

Die Anne, die Ursel, die Käth,

Die Liese, die Barbe, die Ev, die Beth;

Sie heulten im Kreise mich an.

Wille wau wau wau!

Wille wo wo wo!

Wito hu!

[Goethe: Gedichte (Ausgabe letzter Hand. 1827). Goethe: Werke, S. 263

Klaggesang von der edlen Frauen des Asan Aga

Aus dem Morlackischen

Was ist Weißes dort am grünen Walde?

Ist es Schnee wohl, oder sind es Schwäne?

Wär es Schnee, er wäre weggeschmolzen;

Wären’s Schwäne, wären weggeflogen.

Ist kein Schnee nicht, es sind keine Schwäne,

’s ist der Glanz der Zelten Asan Aga.

Nieder liegt er drin an seiner Wunde.

Ihn besucht die Mutter und die Schwester;

Schamhaft säumt sein Weib, zu ihm zu kommen.

Als nun seine Wunde linder wurde,

Ließ er seinem treuen Weibe sagen:

»Harre mein nicht mehr an meinem Hofe,

Nicht am Hofe und nicht bei den Meinen.«

Als die Frau dies harte Wort vernommen,

Stand die Treue starr und voller Schmerzen,

Hört der Pferde Stampfen vor der Türe,

Und es deucht ihr, Asan käm, ihr Gatte,

Springt zum Turme, sich herabzustürzen.

Ängstlich folgen ihr zwei liebe Töchter,

Rufen nach ihr, weinend bittre Tränen:

»Sind nicht unsers Vaters Asan Rosse,

Ist dein Bruder Pintorowich kommen!«

Und es kehret die Gemahlin Asans,

Schlingt die Arme jammernd um den Bruder:

»Sieh die Schmach, o Bruder, deiner Schwester!

Mich verstoßen, Mutter dieser fünfe!«

Schweigt der Bruder, ziehet aus der Tasche,

Eingehüllet in hochrote Seide,

Ausgefertiget den Brief der Scheidung,

Daß sie kehre zu der Mutter Wohnung,

Frei, sich einem andern zu ergeben.

Als die Frau den Trauerscheidbrief sahe,

Küßte sie der beiden Knaben Stirne,

Küßt’ die Wangen ihrer beiden Mädchen.

Aber ach! vom Säugling in der Wiege

Kann sie sich im bittern Schmerz nicht reißen!

Reißt sie los der ungestüme Bruder,

Hebt sie auf das muntre Roß behende,

Und so eilt er mit der bangen Frauen

Grad nach seines Vaters hoher Wohnung.

Kurze Zeit war’s, noch nicht sieben Tage;

Kurze Zeit gnug; von viel großen Herren

Unsre Frau in ihrer Witwentrauer,

Unsre Frau zum Weib begehret wurde.

Und der größte war Imoskis Kadi;

Und die Frau bat weinend ihren Bruder:

»Ich beschwöre dich bei deinem Leben,

Gib mich keinem andern mehr zur Frauen,

Daß das Wiedersehen meiner lieben

Armen Kinder mir das Herz nicht breche!«

Ihre Reden achtet nicht der Bruder,

Fest, Imoskis Kadi sie zu trauen.

Doch die Gute bittet ihn unendlich:

»Schicke wenigstens ein Blatt, o Bruder,

Mit den Worten zu Imoskis Kadi:

Dich begrüßt die junge Wittib freundlich

Und läßt durch dies Blatt dich höchlich bitten,

Daß, wenn dich die Suaten herbegleiten,

Du mir einen langen Schleier bringest,

Daß ich mich vor Asans Haus verhülle,

Meine lieben Waisen nicht erblicke.«

Kaum ersah der Kadi dieses Schreiben,

Als er seine Suaten alle sammelt

Und zum Wege nach der Braut sich rüstet,

Mit den Schleier, den sie heischte, tragend.

Glücklich kamen sie zur Fürstin Hause,

Glücklich sie mit ihr vom Hause wieder.

Aber als sie Asans Wohnung nahten,

Sahn die Kinder obenab die Mutter,

Riefen: »Komm zu deiner Halle wieder!

Iß das Abendbrot mit deinen Kindern!«

Traurig hört’ es die Gemahlin Asans,

Kehrete sich zu der Suaten Fürsten:

»Laß doch, laß die Suaten und die Pferde

Halten wenig vor der Lieben Türe,

Daß ich meine Kleinen noch beschenke.«

Und sie hielten vor der Lieben Türe,

Und den armen Kindern gab sie Gaben;

Gab den Knaben goldgestickte Stiefel,

Gab den Mädchen lange, reiche Kleider,

Und dem Säugling, hülflos in der Wiege,

Gab sie für die Zukunft auch ein Röckchen.

Das beiseit sah Vater Asan Aga,

Rief gar traurig seinen lieben Kindern:

»Kehrt zu mir, ihr lieben armen Kleinen;

Eurer Mutter Brust ist Eisen worden,

Fest verschlossen, kann nicht Mitleid fühlen.«

Wie das hörte die Gemahlin Asans,

Stürzt’ sie bleich, den Boden schütternd, nieder,

Und die Seel entfloh dem bangen Busen,

Als sie ihre Kinder vor sich fliehn sah.

[Goethe: Gedichte (Ausgabe letzter Hand. 1827). Goethe: Werke, S. 615

März

Es ist ein Schnee gefallen,

Denn es ist noch nicht Zeit,

Daß von den Blümlein allen,

Daß von den Blümlein allen

Wir werden hoch erfreut.

Der Sonnenblick betrüget

Mit mildem, falschem Schein,

Die Schwalbe selber lüget,

Die Schwalbe selber lüget,

Warum? Sie kommt allein!

Sollt ich mich einzeln freuen,

Wenn auch der Frühling nah?

Doch kommen wir zu zweien,

Doch kommen wir zu zweien,

Gleich ist der Sommer da.

[Goethe: Gedichte (Ausgabe letzter Hand. 1827). Goethe: Werke, S. 951

Ein Fichtenbaum steht einsam

Im Norden auf kahler Höh’.

Ihn schläfert; mit weißer Decke

Umhüllen ihn Eis und Schnee.

Er träumt von einer Palme,

Die, fern im Morgenland,

Einsam und schweigend trauert

Auf brennender Felsenwand.

[Heine: Buch der Lieder. Heine: Werke, S. 1225

Unterm weißen Baume sitzend,

Hörst du fern die Winde schrillen,

Siehst, wie oben stumme Wolken

Sich in Nebeldecken hüllen;

Siehst, wie unten ausgestorben

Wald und Flur, wie kahl geschoren; –

Um dich Winter, in dir Winter,

Und dein Herz ist eingefroren.

Plötzlich fallen auf dich nieder

Weiße Flocken, und verdrossen

Meinst du schon, mit Schneegestöber

Hab der Baum dich übergossen.

Doch es ist kein Schneegestöber,

Merkst es bald mit freud’gem Schrecken;

Duft’ge Frühlingsblüten sind es,

Die dich necken und bedecken.

Welch ein schauersüßer Zauber!

Winter wandelt sich in Maie,

Schnee verwandelt sich in Blüten,

Und dein Herz, es liebt aufs neue.

[Heine: Neue Gedichte. Heine: Werke, S. 1466

Caput XVI

Schaust du diese Bergesgipfel

Aus der Fern’, so strahlen sie,

Wie geschmückt mit Gold und Purpur,

Fürstlich stolz im Sonnenglanze.

Aber in der Nähe schwindet

Diese Pracht, und wie bei andern

Irdischen Erhabenheiten

Täuschten dich die Lichteffekte.

Was dir Gold und Purpur dünkte,

Ach, das ist nur eitel Schnee,

Eitel Schnee, der blöd und kläglich

In der Einsamkeit sich langweilt.

Oben in der Nähe hört ich,

Wie der arme Schnee geknistert,

Und den fühllos kalten Winden

All sein weißes Elend klagte.

»Oh, wie langsam« – seufzt’ er – »schleichen

In der Öde hier die Stunden!

Diese Stunden ohne Ende,

Wie gefrorne Ewigkeiten!

Oh, ich armer Schnee! Oh, wär ich,

Statt auf diese Bergeshöhen,

Wär ich doch ins Tal gefallen,

In das Tal, wo Blumen blühen!

Hingeschmolzen wär ich dann

Als ein Bächlein, und des Dorfes

Schönstes Mädchen wüsche lächelnd

Ihr Gesicht mit meiner Welle.

Ja, ich wär vielleicht geschwommen

Bis ins Meer, wo ich zur Perle

Werden konnte, um am Ende

Eine Königskron’ zu zieren!«

Als ich diese Reden hörte,

Sprach ich: »Liebster Schnee, ich zweifle,

Daß im Tale solch ein glänzend

Schicksal dich erwartet hätte.

Tröste dich. Nur wen’ge unten

Werden Perlen, und du fielest

Dort vielleicht in eine Pfütze,

Und ein Dreck wärst du geworden!«

Während ich in solcher Weise

Mit dem Schnee Gespräche führte,

Fiel ein Schuß, und aus den Lüften

Stürzt’ herab ein brauner Geier.

Späßchen war’s von dem Laskaro,

Jägerspäßchen. Doch sein Antlitz

Blieb wie immer starr und ernsthaft.

Nur der Lauf der Flinte rauchte.

Eine Feder riß er schweigend

Aus dem Steiß des Vogels, steckte

Sie auf seinen spitzen Filzhut,

Und er schritt des Weges weiter.

Schier unheimlich war der Anblick,

Wie sein Schatten mit der Feder

Auf dem weißen Schnee der Koppen,

Schwarz und lang, sich hinbewegte.

[Heine: Atta Troll. Heine: Werke, S. 2235

SEEFAHRT

Ich fuhr mit den freunden über den see

Der abend neigte sich

In dicken flocken flog der schnee

Und langsam unser nachen

Die dunkle flut durchstrich.

Die nebel verhüllten rings das land

Kein schein vom himmel schaut

Und von dörfern am strand

Erklingen die ave-glocken

Mit traurig gedämpftem laut.

Die küste beendet unsren lauf

Wir landen und steigen aus

Wir gehen zum kleinen ort hinauf ..

Kein mensch lässt sich erblicken

Und stumm steht jedes haus.

Wir kommen an der kirche vorbei

Die türe verschloss nicht ganz –

Es tönte darinnen wie litanei ..

Wir treten ein in der frommen kreise

Die mütter beten den rosenkranz.

Die freunde lachen – wir eilen fort.

Die zeit ist um! das dunkel droht!

Doch mich verlezt ihr spottend wort

Bin ich auch nicht viel besser selber –

Ich steige sinnend in das boot.

[Stefan George: Die Fibel. Auswahl Erster Verse. Stefan George: Gesamtausgabe der Werke, S. 77

AUFSCHWUNG

Hoch oberhalb der weiher und der ähren

Der wälder und der berge und der see ·

Jenseits von wolken und von ewigem schnee ·

Jenseits der grenzen der gestirnten sfären ·

Dort regst du dich in freiheit · meine brust!

Und wie sich schwimmer in den wellen breiten

So ziehst du durch die unermesslichkeiten

Mit männlicher unsagbar grosser lust.

Flieh weit aus dieser kranken dünste giften ·

In einem höhern luftraum werde rein

Und trink wie einen himmlisch echten wein

Das klare feuer in den lichten triften!

Los von dem kummer von der grossen qual

– Des nebeldüstern daseins lästge zügel –

Wie ist der glücklich der mit starkem flügel

Entschweben kann ins stille heitre tal!

Der dess gedanken auf der lerche schwinge

Emporgetragen werden in der früh …

Er fasst die welt und deutet ohne müh

Der blumen sprache und der stummen dinge.

[Stefan George: Baudelaire. Die Blumen des Bösen. Stefan George: Gesamtausgabe der Werke, S. 1427

TRÜBER HIMMEL

Dein auge erscheint wie umschleiert von dunstigem tau

Geheimnisvoll (ist es blau oder grün oder grau?)

Das wechselnd grausam · träumerisch oder verliebt

Die gleichmut und blässe des himmels wiedergibt.

Du bist wie die tage weiss und lau und verhüllt

Wo sich das bezauberte herz mit tränen erfüllt

Wenn von dem wehe das unbekannt in ihnen kreist

Zu wache nerven verspotten den schläfrigen geist.

Zuweilen bist du den schönen wolken verwandt

Wenn sie die sonne der nebligen zeiten entbrannt ..

Wie wirfst du dann deinen schimmer – gefeuchtete welt

Von eines getrübten himmels strahlen erhellt!

O werd ich – gefährliche frau und verführende luft –

So lieben euren schnee und nebligen duft

Und nehme ich aus dem himmel trostlos und kahl

Vergnügen die stechender sind als eis oder stahl?

[Stefan George: Baudelaire. Die Blumen des Bösen. Stefan George: Gesamtausgabe der Werke, S. 1484

Abendrauch

Da und dorten schon

Hebt sich aus dem weißen Schnee

Abendlicher Rauch

Takakuwa Ranko

Die Pflaumenblüte

Einem, der ihn brach,

schenkt er dennoch seinen Duft –

Pflaumenbütenzweig!

Frau kaga no chiyo

Neujahr

Neujahrstag ist heut!

Wer mir heut den Schnee zertritt,

soll willkommen sein!

Yokoi Yayu

Krähe an einem Schneemorgen

Wintermorgenschnee –

Selbst die Krähe, sonst verhasst,

heute ist sie schön!

Matsuo Basho

“Dans l’interminable…”

Dans l’interminable

Ennui de la plaine

La neige incertaine

Luit comme du sable

Le ciel est de cuivre

Sans lueur aucune.

On croirait voir vivre

Et mourir la lune.

Comme des nuées

Flottent gris les chênes

Des forêts prochaines

Parmi les buées.

Le ciel est de cuivre

Sans lueur aucune.

On croirait voir vivre

Et mourir la lune.

Corneille poussive

Et vous, les loups  maigres,

Par ces bises aigres

Quoi donc vous arrive ?

Dans l’interminable

Ennui de la plaine

La neige incertaine

Luit comme du sable

P. Verlaine

Neiger (ou écrire en hiver)

Surprendre en silence la ville endormie

Portant la formule du froid

El le ciel muet,

Léchers des fils tendus, des branches

Sèches,

Se poser, se défaire, se fondre,

Sans bruit ni vent,

Descendre blanche inattendue,

Sans poids recouvrir

La route, la banc, le maison.

Fabio Pusterla

Les choses sans histoire

Le cose senza storia

(traduit par Mathilde Visscher)

BLANCHE, MA SAVETIÈRE

Neige d’octobre vole avec son ombre,

Nuée de novembre à l’aube rend l’âme,

Blanche de décembre fait briller la cendre,

À neige de janvier rouge tablier.

Grandit notre cœur  au givre des rois,

La Licorne blanche, de fureur s’abat !

R. Char

Un soir de neige

poèmes de Paul Eluard

1.        De grandes cuilliers de neige

De grandes cuilliers de neige

Ramassent nos pieds glacés

Et d’une dure parole

Nous heurtons l’hiver têtu

Chaque arbre a sa place en l’air

Chaque roc son poids sur terre

Chaque ruisseau son eau vive

Nous  avons pas de feu.

2.        La bonne neige

La bonne neige le ciel noir

Les branches mortes la détresse

De la forêt pleine de pièges

Honte à la bête pourchassée

La fuite en flêche dans le coeur

Les traces d’une proie atroce

Hardi au loup et c’est toujours

Le plus beau loup et c’est toujours

Le dernier vivant que menace

La masse absolue de la mort

3.        Bois meurtri

Bois meurtri bois perdu d’un voyage en hiver

Navire où la neige prend pied

Bois d’asile bois mort où sans espoir je rêve

De la mer aux miroirs crevés

Un grand moment d’eau froide a saisi les noyés

La foule de mon corps en souffre

Je m’affaiblis je me disperse

J’avoue ma vie j’avoue ma mort j’avoue autrui.

4.        La nuit le froid la solitude

La nuit le froid la solitude

On m’enferma soigneusement

Mais les branches cherchaient leur voie dans la prison

Autour de moi l’herbe trouva le ciel

On verrouilla le ciel

Ma prison s’écroula

Le froid vivant le froid brûlant l’eut bien en main.

Il NEIGE SUR LIÈGE

Il neige, il neige sur Liège

Et la neige sur Liège pour neiger met des gants

Il neige, il neige sur Liège

Croissant noir de la Meuse sur le front d’un clown blanc

Il est brisé le cri

Des heures et des oiseaux

Des enfants à cerceaux

Et du noir et du gris

Il neige, il neige sur Liège

Que le fleuve traverse sans bruit

Il neige, il neige sur Liège

Et tant tourne la neige

Entre le ciel et Liège

Qu’on ne sait plus s’il neige

S’jl neige sur Liège

Ou si c’est Liège qui neige vers le ciel

Et la neige marie

Les amants débutants

Les amants promenant

Sur le carré blanchi

Il neige, il neige sur Liège

Que le fleuve transporte sans bruit

Ce soir, ce soir il neige

Sur mes rêves et sur Liège

Que le fleuve transperce sans bruit

1965

gezongen J. Brel

SNEEUW OP LUIK

De sneeuw valt de sneeuw valt op Luik

En de sneeuw zet een pruik zet een pruik op straat

De sneeuw valt de sneeuw valt op Luik

zwarte maansikkel Maas in een doodsbleek gelaat

nu is dof het gekrijs

van de twintigste eeuw

van een hongerige meeuw

van het zwart en het grijs

de sneeuw valt de sneeuw valt op Luik

de rivier maakt haar zwijgende reis

de  sneeuw valt de sneeuw valt op Luik

en zo wervelt de sneeuw

tussen de lucht en Luik

dat je niet ziet valt de sneeuw

valt de sneeuw nu op Luik

of sneeuwt Luik nu sneeuwt Luik naar de nacht

onderdrukt is de geeuw

van  geliefden op straat

van geliefden zo laat

in een doosje vol sneeuw

de sneeuw valt de sneeuw valt op Luik

en  de Maas neemt de stad mee op reis

het sneeuwt het sneeuwt vanavond

op mijn buik en op Luik

en  de stad neemt de Maas mee op reis

Benno Barnard

FLEURS DE MARÉCAGE

Dans la dernière auberge sur la montagne

Où la glace et la neige sont éternelles,

Je reposais une nuit à bout de forces,

Car là l’hiver devait me protéger

Contre le mal dont le printemps est complice.

Là un songe allait chercher des fleurs traîtresses,

Dans un printemps lointain que je croyais perdu,

Il ouvrit ses bras, elles neigèrent sur les neiges;

La plaine glacée et blanche devint rose

Et resta rose une longue nuit d’hiver.

SLAUERHOFF

Journey of the Magi

‘A cold coming we had of it,

Just the worst time of the year

For a journey, and such a long journey:

The ways deep and the weather sharp,

The very dead of winter.’

And the camels galled, sore-footed, refractory,

Lying down in the melting snow.

There were times we regretted

The summer palaces on slopes, the terraces,

And the silken girls bringing sherbet.

Then the camel men cursing and grumbling

And running away, and wanting their Iiquor and women,

And the night-fires going out, and the Iack of shelters,

And the cities hostile and the towns unfriendly

And the villages dirty and charging high prices :

A hard time we had of it.

At the end we preferred to travel aII night,

Sleeping in snatches,

With the voices singing in our ears, saying

That this was all folly.

Then at dawn we came down to a temperate valley,

Wet, below the snow Iine, smelling ofvegetation,

With a running stream and a water-mill beating the

darkness,

And three trees on the Iow sky.

And an oId white horse galloped away in the meadow.

Then we came to a tavern with vine-leaves over the lintel,

Six hands at an open door dicing for pieces of silver,

And feet kicking the empty wine-skins.

But there was no information, so we continued

And arrived at evening, not a moment too soon

Finding the place ; it was (you may say) satisfactory.

All this was a long time ago, I remember,

And I would do it again, but set down

This set down

This: were we led all that way for .

Birth or Death? There was a Birth, certainly,

We had evidence and no doubt. I had seen birth and death,

But had thought they were diff.erent; this Birth was

Hard and bitter agony for us, Iike Death, our death.

We returne to our places, these Kingdoms,

But no longer at ease here, in the old dispensation,

With an alien people clutching their gods.

I should be glad of another death.

T.S.Eliot

39

Der Schnee verwandelt die Welt in einen Friedhof.

Aber die Welt war bereits ein Friedhof,

und der Schnee kam nur, um es bekannt zu machen.

Der Schnee kam nur, um mit seinem

gliederlosen, dünnen Finger auf den wahren

und aufsehenerregenden Darsteller zu zeigen.

Der Schnee ist ein gefallener Engel,

ein Engel, der die Geduld verlor.

39

La nieve ha convertido al llundo en cellenterio.

Pero el llundo ya era un cellenterio

y la nieve sólo ha venido a publicarlo.

La nieve sólo ha venido a seiialar,

con su delgado dedo sin ariiculaciones,

al verdadero y escandaloso protagonista.

La nieve es un ángel caido,

un ángel que ha perdido la paciencia.

Roberto Juarroz – Vertikale Poesie

sneeuw

ESTAMPA DE INVIERNO

(Nieve)

¿Dónde se han escondido los colores

en este dia negro y blanco?

La fronda, negra; el agua, gris; el cielo

y la tierra, de un blanquinegro pálido;

y la ciudad doliente

una vieja aguafuerte de romántico.

El que camina, negro;

negro el medroso pájaro

que atraviesa el jardin como una flecha …

Rasta el silencio es duro y despintado.

La tarde cae. El cielo

no tiene ni un dulzor. En el ocaso,

un vago amarillor casi esplendente,

que casi no lo es. Lejos, el campo

de hierro seco.

Y entra la noche, como

un entierro; enlutado

y frío todo, sin estrellas, blanca

y negra, como el día negro y blanco.

J.R. Jiménez

WINTER SCENE

(Snow)

Where have the colors all gone to

today, that is so black and white?

The leaves black, the water gray, the sky

and the ground a sort of faded white and black,

and the mournful city

is like an old steel engraving by some roman tic.

The man who is walking is black,

the startled bird is black

shooting across the garden like an arrow . . .

Even the silence is harsh and faded.

Dusk falls. There is nothing gentle

about the sky. In the west, an indecisive

yellow light that almost glitters

and almost doesn’t. Over there, fields

like dry iron.

‘ And the night comes, like

a burial; it is all wrapped in black

and cold, no stars, all white

and black, like the black and white day.

J.R. Jiménez

NOTE SIBÉRIENNE

La neige n’accourait plus dans les mains des enfants. Elle s’amassait et enfantait sur notre nordique visage des confins. Dans cette nuit de plus en plus exiguë nous ne distinguions pas qui naissait.

Pourquoi alors cette répétition: nous sommes une étincelle à l’origine inconnue qui incendions toujours plus avant. Ce feu, nous l’entendons râler et crier, à l’instant d’être consumés? Rien, sinon que nous étions souffrants, au point que le vaste silence, en son centre, se brisait.

René Char

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s