Hart onder de riem

stok 39 100x70

Alle gedichten op PDF: Hart onder de riem compl

 

EEN HART ONDER DE RIEM
Deze uitgave “Een hart onder de riem”, aanzetten tot ‘na’-denken in situaties van rouw en verdriet was een uitgave van de parochie van de H.H. Engelbewaarders om mensen een steuntje in de rug te geven, een klein houvast als je door verdriet wordt getroffen bij het overlijden van een dierbare.
Daarom heet deze uitgave ook “Een hart onder de riem”. De ondertitel “aanzetten tot ‘na’-denken” behoeft misschien enige toelichting. Vaak blijkt in situaties van verdriet en rouw dat je als mens gevangen zit in een kringloop van gedachten, steeds weer keren dezelfde beelden, dezelfde vragen, dezelfde gedachten terug.
Je bent als het ware gegijzeld, je zit opgesloten in een cirkel van beelden die een diepe indruk op je maken. Ook vragen in de trant van “heb ik het wel goed gedaan”, “ben ik niet tekort geschoten”, “waar had het beter gekund, waar ben ik verkeerd geweest” kunnen je leven beklemmen en je verdriet gevangen houden in een soort kerker.
Daardoor lijkt het alsof je het gevoel hebt dat je hier nooit vanaf komt, alsof alle dagen die nog volgen dezelfde zullen zijn, vol vragen, vol beelden, vol kwellingen, vol pijn en misschien ook schuldgevoel. “Aanzetten tot ‘na’-denken” wil daarom een poging zijn om na te denken over wat er is gebeurd, wat er aan de hand is, en wat de betekenis is van het gebeurde, hoe verder, verder vanuit het gevoel en de kennis dat de dood definitief heeft toegeslagen, dat de dood een grote wonde heeft achtergelaten.
“Aanzetten tot ‘na’-denken” wil beelden oproepen, gedachten verwoorden die verder kunnen helpen, als een soort houvast, noem het een ‘touwladder’ uit de diepte van het verdriet, uit de diepte van de vertwijfeling en de wanhoop.
Natuurlijk is deze weg door het verdriet geen makkelijke weg, maar er is geen andere, er is geen omweg. Metaforen, beelden, woorden, gedichten, kunnen een soort leuning vormen, een houvast langs de trap die langzaam omhoog gaat, het licht tegemoet.
Met ons verstand kunnen we vaak niet ons gevoel bereiken, “snappen” we vaak niet wat er echt aan de hand is, maar zonder ‘na’ te denken, zonder denken, komen wij er ook niet, en lopen wij gevaar dat het gevoel ons helemaal overspoelt. Als een stroom, een overstroming, die ons de adem ontneemt en misschien elk levensgevoel. “Na – denken” is dan ook een denken erna, na het gebeuren, na de diepe ingreep in ons leven. “Wat betekent de dood van een geliefde mens, wat betekent dat voor mij, wie ben ik nu, wie ben ik geworden, hoe is mijn toekomst?”
Dat ‘denk – proces’ is iets wat we zelf in de hand hebben, waar we zelf vorm aan kunnen geven. Deze uitgave is daartoe slechts een aanzet, een opstapje, een steuntje in de rug.
John Hacking

INHOUD

  • God als afgrond
  • Op de proef gesteld 1
  • Op de proef gesteld 2
  • Op de proef gesteld 3
  • Op de proef gesteld 4
  • Op de proef gesteld 5
  • Een zee van droefnis
  • Eenzaamheid
  • Een ‘eeuwig’ graf?
  • Hemelvaart: “Ne me quitte pas” “verlaat me niet”
  • Herinnering
  • kanker
  • “Een mens gaat dood en buiten viert de aarde lente”
  • Wat raakt een mens het diepst?
  • Maak een plaatsje vrij in je hart, richt een altaar op, om te gedenken
  • Sterven
  • Troost wordt bijeengebracht in kleine woorden
  • Verdriet – huilen mét God?
  • Vonken van God
  • “En de wereld draait gewoon verder…”
  • “Zwijg mij niet dood, maar praat mij tot leven”

God als afgrond
Aan God geven wij vele namen. Bij sommige namen voel ik mij thuis, bij anderen niet of minder. De naam van God als koning spreekt mij minder aan, die van Herder veel meer omdat ik Psalm 23, waar God Herder wordt genoemd, prachtig en ontroerend vind.
Een tijd geleden heb ik ervaren dat God ook heel goed de “Afwezige” kan heten omdat hij voor ons menselijk gevoel misschien vaker afwezig dan aanwezig is. Vooral als wij ons machteloos en verlaten voelen is de Afwezige heel erg ‘afwezig’.
Nog een andere naam voor God is Afgrond. Die naam ontdekte ik bij de schrijver Edmond Jabès, die met zijn geschriften een diepe indruk op mij heeft gemaakt. God als afgrond, als diepte waar je in kunt vallen, als onheilspellende leegte onder je voeten.
Misschien klinkt het gek maar ik heb mogen ervaren dat God een afgrond kan zijn, een leegte die donker en diep aan je voeten kan opduiken. Maar dat bedreigende beeld dat heel dichtbij kan komen in je verdriet als je rouwt, heeft iets dubbelzinnigs. Er zit als het ware een mystieke lading in: het is niet alleen maar bedreigend en negatief – het kan je ook dragen.
Ook bij de schrijver Jabès is het dubbelzinnig, ambivalent, heeft het verschillende ladingen. God als afgrond die alles opslokt – uiteindelijk vallen wij allemaal in Gods’ hand bij ons sterven. In die zin is hij een alles verslindende afgrond. Maar dat is niet persé negatief, er kan veel troost uit spreken.
Als wij groot verdriet hebben kunnen wij eveneens het gevoel hebben dat wij in een afgrond vallen, maar nu als levende mens. Je gaat niet echt dood, maar de pijn is vreselijk en het verdriet soms hartverscheurend. Als je dat ‘zwarte gat’ waarin je terecht bent gekomen God durft te noemen, dan kan daar ook veel troost van uit gaan. Want dan is God (zelfs ook) in jouw diepste duisternis, dan is die duisternis God. Was het niet Oosterhuis die dichtte op Psalm 13, de Psalm van verlatenheid:
Dan nog,
klamp ik mij

klamp ik mij
vast aan jou

of je wil of niet

op genade
of ongenade

ik zal red mij
red mij roepen

of zoiets als
heb mij lief.
Uit dergelijke woorden put ik alle hoop die een mens nodig heeft; ook in de Afgrond is God aanwezig – misschien, als je durft je over te geven, meer nog dan elders. En, je hoeft voor géén enkele afgrond meer bang te zijn! Dat geeft mij heel veel troost.
OP DE PROEF GESTELD (1)
Wij mensen worden op vele wijzen op de proef gesteld in ons leven. Dat laten ons ook veel verhalen uit de bijbel zien. Het boek Job is er een van. Ook het verhaal van Jezus in de woestijn getuigt van beproevingen. Toch lijkt het dat de beproeving van Jezus in de woestijn op het eerste gezicht niet van dezelfde categorie is als het soort dat ons in ons leven kan overkomen. Tenslotte kun je het verhaal van de verschijning van Satan in de woestijn bij Jezus ook nog een visioen noemen, een visioen dat een gevolg was van veertig dagen vasten.
Terwijl beproevingen die wij ondergaan zeker géén visioen zijn: je zult maar je kind, je kleinkind verliezen door de hand van een mens – niet alleen je leven stort in, je toekomst samen met je kind en kleinkind(eren), ook de bodem die je tot nou misschien onder je voeten hebt gevoeld in je geloof, in de wijze waarop je met mensen en dingen omging, je vertrouwen, je optimisme misschien, die kan als sneeuw voor de zon verdwenen lijken  weggeslagen door dit vreselijk, gruwelijk gebeuren.
Klagen als Job, God misschien vervloeken, haat voelen opkomen tegen mensen, daders, misschien tegen jezelf, je eigen onmacht haten, je machteloosheid verwensen, je kind, je kleinkind keert er niet door terug. De pijn blijft, het verdriet brandt in je ziel en trekt er diepe sporen.
Je wordt een ander mens, beproefd, getekend, nooit meer dezelfde. Misschien is de beproeving rond wel of niet geloven, wel of niet zeker zijn van een God, wel of niet vertrouwen in mensen, ondergeschikt aan deze ultieme beproeving als je je kind verliest. Hoe moet je dan verder leven, hoe kun je verder leven, is er wel een weg, een uitweg om met het verdriet en de pijn te leren leven?
Ik geloof dat er slechts één antwoord is op deze vorm van beproeving, een antwoord dat je als mens níet alleen kunt geven, een antwoord dat je slechts kunt geven als je door anderen gedragen, gesteund, mede gedragen wordt. En dat antwoord heet mededogen, mensen die met je mee willen lijden, mee dragen, mee voelen. Mensen die voor je klaar staan en die naar je verhaal luisteren al is het voor de 100ste keer.
Op die wijze is er een spoortje licht in de duisternis, is er een smal pad uit de beproeving, uit de vreselijke pijn die nog lang, zeer lang zal gaan duren. Als beproefde rest je geen andere keuze dan dit pad te gaan, deze weg van hoop, hoe smal ook, in te slaan. En alle anderen om je heen, zij hoeven niets anders te doen dan mee te gaan, telkens kleine stapjes, een woord, een gebaar, een brief, een telefoontje en noem maar op –  het is eigenlijk zo gemakkelijk om bij iemand te zijn, als je maar wil, als je maar tijd wil vrijmaken.
Mededogen ervaren van de mensen om je heen is de weg, is het antwoord uit de beproeving – er is géén andere weg, géén andere (snellere) wijze, geen medicijn tegen dit vreselijke lijden. En hoe meer wij ons hart laten spreken, hoe meer ons hart zal willen spreken. Zo gaat dat met liefde, zij vermindert niet, maar groeit naarmate wij er meer van wegschenken.
Dat kan ik ons enkel toewensen: veel mededogen, vooral met hen onder ons die zonder niet meer kunnen leven, die de beproeving niet alléén kunnen dragen.

OP DE PROEF GESTELD (2)
Een tijd geleden stelde ik dat wij vaak in ons leven op de proef worden gesteld door het verdriet en het lijden dat ons overkomt. Ook gaf ik aan dat een uitweg uit de beproeving vaak een kwestie is van mededogen ervaren van de mensen om je heen. Zij reiken jou door hun begrip en meeleven een helpende hand, ze tonen als het ware een uitweg als een ‘smal spoor in de nacht’, zij geven een ‘lichtpuntje hoop’, een daardoor een manier om met de beproeving van het lijden en het verdriet te leren leven.
Verbaasd was ik dan ook toen ik in het bijbels tijdschrift Jota de volgende tekst tegenkwam: “Elke beproeving die je overkomt, kun je te boven komen door te zwijgen.”
Er staat geen bronvermelding bij, géén naam. Wij kunnen dus niet verder lezen bij de betreffende auteur om meer te weten te komen over deze uitspraak, in welke context hij gedaan is en op wie/wat hij slaat. Ik vind het een intrigerende uitspraak, hij boeit mij, ik kan hem niet (zomaar) terzijde schuiven als niet relevant want ergens vermoed ik dat (óók) hierin een kern van waarheid schuilt.
Verdriet en lijden moeten heel vaak stem krijgen om er mee om te leren gaan. Om je verdriet als het ware even ‘buiten je’ te kunnen plaatsen. En dat laatste kan opluchten, verlichting schenken. In ons citaat zou eigenlijk het omgekeerde moeten gebeuren: zwijgen! Steeds maar zwijgen…zwijgen om de beproeving (van het lijden en het verdriet) te boven te komen. Is dat zo? Kunnen mensen dat bevestigen die veel lijden ondergaan, mensen die als het ware geteisterd worden door verdriet dat hun met vlagen overvalt? Ik weet het niet, ik heb het nooit gehoord, maar misschien heb ik er niet genoeg over nagedacht, misschien heb ik zelf te weinig leed ervaren om dit uit eigen ervaring te kunnen beamen.
Zwijgen als uitweg uit de beproeving? Maakt zwijgen niet eenzaam? Of geeft het zwijgen een stukje bescherming, een soort ‘muur’ om je heen waardoor je minder geraakt wordt? Voor mijn gevoel is zwijgen dubbelzinnig, ambivalent, het kan zowel positief als negatief zijn. Maar geeft zwijgen ook troost, troost het je in je verdriet, in je lijden? Ik weet het niet.
Bovengenoemde uitspraak is een tekst om de tanden in te zetten: er staat veel op het spel want lijden en verdriet zijn geen ongevaarlijke ervaringen, zij kunnen je leven verwoesten, ze kunnen je leven tot een ware hel op aarde maken. Spreken zilver, zwijgen goud, ook in ons verdriet? Wie zal het zeggen. De titel van het tijdschrift Jota luidt: ‘God zwijgt in alle talen’. Deze ervaring is van alle tijden: God zwijgt, wij horen níet zijn stem, wij krijgen géén antwoord, ook niet op het ergste lijden dat ons overkomt. Zou deze ervaring van Gods’ zwijgen model staan voor ons zwijgen in de beproeving: zó zwijgen als God zwijgt?
Etymologisch (woord afleidkundig) schijnt zwijgen samen te hangen met ‘zwichten’ in de zin van: tot rust brengen, tot rust komen, wijken, ophouden. Zwijgen als het doen ophouden, het (zelf) tot rust brengen van het verdriet? Zwijgen als het doen wijken van het gevoel van leed; of misschien anders uitgedrukt: het accepteren ervan en weten wat je te doen staat namelijk ‘verder leven’, zó verder leven dat je je niet (meer) alleen laat bepalen door het verdriet en het lijden, want er zijn nog zoveel andere dingen te doen! Zou dat de verborgen betekenis achter het zwijgen zijn?
Maar komt dat zwijgen niet te vroeg, heb je niet eerst veel tijd nodig om je te uiten, om je verdriet te laten zien, te laten horen. Tijd ook om te ervaren dat er mensen luisteren en je bijstaan? Spreken en zwijgen, misschien is het een kwestie van maat houden, van de juiste dosering.
Alleen de lijdende, de verdrietige kan, zo vermoed ik, hierover echt meepraten. God is in de stilte, dat zegt de bijbel, daarom is God misschien ook in het zwijgen! De bijbel is ‘het spreken van mensen in naam van God’; wij moeten eerst stil (kunnen) worden om goed te luisteren, zwijgen om goed te verstaan – ook de stem van ons verdriet kan zo pas worden gehoord…wie weet hoever ons zwijgen ons kan brengen. Veel stilte, veel bezinning, veel diepgang gewenst.

OP DE PROEF GESTELD (3)
Als je geconfronteerd wordt met groot lijden door het verlies van een dierbare ga je de wereld met andere ogen zien. Opeens vallen een aantal dingen weg die je vroeger misschien belangrijk vond, je maakt je minder druk om dingen die dagelijks gebeuren want wat zijn zij in vergelijking met jouw verdriet. Je wordt een ander mens die kijkt met andere ogen: ogen soms rood van tranen, ogen die weten wat het is om te moeten huilen.
Alle mededogen dat je mag ondervinden van je medemensen doet dan goed, het helpt je verder, verder met leven en met leren accepteren wat eigenlijk niet te accepteren valt, wat je niet accepteren wilt: dat je verder moet, verder zonder je dierbare geliefde die door de dood is gehaald. Dat valt niet mee: verder leven is nu een leven met wonden, met grote diepe littekens die pijn doen, die snijden.
Je kunt proberen als de maanden verstrijken, om je innerlijke stem wat tot bedaren te brengen, die stem die je voortdurend eraan herinnert dat je pijn hebt om het verlies, die stem die je laat horen en voelen dat je je geliefde mist en dat je leven nu opeens heel anders is: minder zorgeloos, minder naïef, minder kunnen genieten van de natuur en de dingen om je heen. Zwijgen, het laten zwijgen van je verdriet, door je niet te laten meeslepen, niet zó te laten meeslepen dat je maar blijft huilen, huilen zonder ophouden.
Naast de ervaring van aandacht en meeleven van de mensen om je heen, naast het zwijgen als vorm van zelfbescherming is er nog een derde weg om met deze beproeving van pijn en verdriet om te gaan: buiten jezelf treden, naar mensen toegaan die een beroep op je doen, die je nodig hebben.
Hoe dat kan laat het volgende verhaal zien: “Een vrouw verloor haar man en haar zoon, en zij ging naar een wijze man met de vraag ‘waarom het haar had getroffen, waarom man en zoon waren weggerukt uit haar leven’. De wijze antwoordde: ‘vrouw kijk om je heen, als je mij een huis kunt aanwijzen waar geen verdriet is, krijg je antwoord.’ De vrouw ging op weg, van huis naar huis, maar overal waar ze kwam ontmoette ze leed en verdriet. Na jaren kwam zij weer terug in het dorp waar zij was vertrokken. Ze sprak met de wijze die haar naar haar ervaringen vroeg. Zij antwoordde: ‘ik ben géén huis zonder verdriet tegengekomen, géén huis zonder lijden. Daarom heb ik maar overal waar ik kwam zo goed en zo kwaad proberen te helpen.
Ik geloof dat ik nu een antwoord op mijn vraag heb: het waarom van ons lijden ligt in het antwoord dat wij erop geven’. ‘Je hebt juist geantwoord’, sprak de wijze, ‘het lijden kom je alleen te boven door er recht voor te gaan staan en niet te vergeten dat er steeds mensen zijn die je nodig hebben’.”
Omgaan met de beproeving door de beproeving te relativeren, door de confrontatie met het lijden van anderen. Maar niet te snel, niet voordat je genoeg tijd hebt doorgebracht om oog in oog met je eigen lijden en verdriet te staan, zodat je al gevoeld en geleerd hebt hoe het is om tot op het diepst van je wezen teruggeworpen te worden op jezelf.
Pas daar, vanuit dat diepste punt, vanuit die diepe put, kan er een omkeer plaatsvinden, een weg die langzaam weer naar boven voert. Een weg aan de hand van anderen, die je helpen en die je begrijpen en aanvoelen, aan je eigen hand, door jezelf moed in te spreken en te blijven hopen, door het verdriet niet te laten overheersen, het af en toe te doen zwijgen, en aan de hand van je wilskracht en nieuwe openheid voor het leed van anderen die je nodig hebben.
Want jij weet nu wat lijden is, jij kunt anderen die lijden heel goed verstaan en heel veel meegeven. Misschien is deze laatste weg niet voor iedereen weggelegd, misschien is niet iedereen even sterk en dapper om dit avontuur aan te gaan. Maar het valt wellicht te proberen: mensen kleiner en zwakker trekken je vaak door je verdriet heen, dwars door alle pijn en tranen, op weg naar een nieuwe toekomst die steentje voor steentje langzaam wordt gebouwd. Een nieuwe weg naar een stukje licht. Licht dat voor ons allen mag schijnen. Veel sterkte op deze weg.

OP DE PROEF GESTELD (4)
Als de dood plotseling in ons leven inbreekt als een niets ontziende kracht en als wij achter blijven met een groot gevoel van leegte, verdriet en pijn om de verloren geliefde, is het vaak een stukje muziek, een melodie die vóórkomt dat wij wegzinken, wegzinken in een bodemloze put van ellende.
Een paar keer heb ik meegemaakt bij een groot verdriet, en ook nu weer bij de onverwachte zelfgekozen dood van mijn moeder, hoe een lied, een melodie door je hoofd blijft gaan en je zo kan behoeden voor een te harde confrontatie met de dood; want die eerste dagen, weken, ben je vaak niet in staat om te beseffen wat de dood heeft aangericht in je leven. Dat doet téveel pijn.
In de psychologie noemt men dat de “fase van de ontkenning”, de tijdspanne waarin je psychisch langzaam moet gaan wennen aan het gruwelijke lot wat je overkomen is. Teveel directe confrontatie, teveel realiteitsbesef en weten, voelen, kennen wat er gebeurd is en welke de gevolgen zijn, kan tot waanzin lijden: letterlijk “gek van verdriet” worden.
Dat kan onze menselijke geest vaak niet aan, daarom werken er beschermingsmechanismen in een mens en raakt hij als het ware slechts mondjesmaat, stap voor stap vertrouwd met het vreselijke gebeuren. Maar ook deze gedoseerde vorm van het pijnlijke feit is vaak ondragelijk: je lichaam, je geest, alles lijkt te veranderen. Je wordt ’s morgens wakker met pijn, je voelt je ellendig, beroerd. Elke ochtend weer opnieuw dat besef: hij/zij is er niet meer! Wat nu? Hoe verder? Alweer een vreselijke dag vol verdriet.
Misschien wil je wel in bed blijven, niemand zien, niemand spreken. Alleen, je verstoppen, verbergen, ook voor het vreselijke nieuws dat elke ochtend je als een mokerslag treft. En dan heb je weer momenten dat je wilt praten, huilen, getroost worden, een arm om je schouder voelen, behoefte, vreselijke behoefte aan begrip en steun. Je hebt het gevoel dat je onderworpen bent: aan stemmingen, dan weer alleen willen zijn en dan weer mensen willen zien die je opvangen, die naar je willen blijven luisteren.
En soms is er muziek, die melodie, dat deuntje, of een psalmtekst, een tekst van een gebed of een zanger/zangeres die je aanspreekt. Soms hoor je niets anders dan die woorden, die klank in je hoofd. Ik heb dat met jiddische muziek, liederen uit de chassidische gemeenschap (uit het Oude Oostblok), de getto’s waar grote armoede en vervolgingen heersten. De melodie van deze liederen is bijna altijd weemoedig, melancholiek. Maar ook veel hoopvolle tonen klinken er in door, veel verzet tegen de omstandigheden, veel vertrouwen en vooral veel, heel veel levenskracht.
Dat geeft mij moed, dat geeft mij ook veel vertrouwen, weten dat er mensen zijn die liederen hebben leren zingen in de meest verdrietige en ellendige omstandigheden. Liederen die hen niet deden vertwijfelen, hoe zwaar de beproeving soms ook was. Liederen die hen moed gaven, levenskracht, overlevingskracht, geloof tegen alle klippen op, uiteindelijk zelfs op de drempel van de gaskamer in de concentratiekampen. Wat is dan mijn verdriet?
En zo voeg ik mijn persoonlijk verdriet misschien onbewust bij dat grote verdriet van mensen, die al eeuwenlang moeten lijden. En misschien geeft dat ook een stuk troost: weten dat je niet de enige bent.
Maar ook de kracht en de inspiratie gaan zo een eigen leven in jou leiden als je deze liederen in je leven een plaats wilt geven, als ze je als het ware komen aangewaaid en als je op de fiets gedragen wordt door hun melodie.
Misschien is muziek wel onze redding, ons vlot op de woeste zee van verdriet. Misschien is muziek wel het koord waardoor wij ons zelf kunnen voorttrekken, dwars door het verdriet heen, op weg naar een zonniger toekomst. Dat wens ik dan ook ons allen: veel levensmuziek, veel levensmelodie vol kracht en levenskracht in de periodes van groot verdriet en beproeving.

OP DE PROEF GESTELD (5)
De onverwachte dood kan een grote beproeving zijn – zo groot dat woorden ontbreken om de ervaringen rond deze dood een plaats te geven in ons leven. Daarom hebben we in 1995 in de parochie een klein boekje uitgegeven met gedichten. In een kleine oplage slechts én gratis.
De gedichten in dit boekje gingen allen over de dood en het verdriet dat de dood kan oproepen. Zeker als deze dood onverwacht komt als een dief in de nacht. Een aantal mensen uit de parochie die geconfronteerd werden met de dood van een geliefde hebben wij toen dit boekje als een stukje ondersteuning toegestuurd met de motivatie: “Deze gedichten kunnen ons woorden en beelden aanreiken, zeker als wij zelf geen woorden kunnen vinden om ons verdriet te uiten en er over te kunnen praten.”
Poëzie, gedichten, de taal van dichters, is naar mijn gevoel beter in staat om te verwoorden en zichtbaar te maken wat in ons ten diepste leeft. Ook een groot verdriet en een groot lijden krijgt in een gedicht een andere stem en een ander lading dan in een theologische of andere wetenschappelijke verhandeling. De taal van dichters is vaak voor meer uitleg vatbaar, is open, heeft meer betekenissen.
Daardoor komen de complexe kanten van de werkelijkheid van het verdriet en de dubbelzinnigheden in gevoel en emotie beter tot hun recht. Mensen die verdrietig zijn kunnen ook nog lachen, zijn soms wanhopig, woedend, ontroostbaar, dankbaar en ga zo maar door. Vaak komen heel veel gevoelens en emoties bij elkaar. Dat valt bijna niet uit te leggen, zeker niet aan mensen die het niet hebben meegemaakt, en zeer zeker niet aan hen die er niet voor open staan!
Ook dat laatste is soms een stukje beproeving: de wereld draait voort en de mensen gaan hun eigen wegen. Dat komt vaak hard over, zeker als jouw leven helemaal overhoop is gehaald door een plotseling dood van een mens waar je veel van hield. Ook jij moet verder gaan met leven, met boodschappen doen, eten koken, mensen ontmoeten. En ondanks de last van het verdriet is er ook voor jou in onze maatschappij nauwelijks extra ruimte waar je tijdelijk vrijgesteld bent van alle verwachtingen en prestaties.
Een van de weinige dingen die je dan kunt doen is je af en toe terugtrekken, lezen, foto’s kijken, een wandeling maken in de natuur en tijd en ruimte maken voor je verdriet buiten alle verplichtingen en eisen die er aan je gesteld worden.
Gedichten, verwoord verdriet, pijn vervat in melancholieke beelden, zij kunnen je dan troost verschaffen. Zij kunnen je woorden geven, handgrepen als het ware om je verdriet beter te uiten, er over te praten met anderen, je gevoelens bloot te leren leggen zodat zij niet meer alleen van binnen branden.
MARIKO

Een eenzame wind,
in het avonduur –
een huilend kind is de weg kwijt
Maar jij Mariko, bent niet hier

In de blauwe avondschemering
dacht ik, dat ik hoorde –
in de stem van de wind,
het geritsel van je kleed
Maar jij Mariko, bent niet hier

O, kleine wind,
wees mijn vriend,
houd me vast,
want ik ben eenzaam als jij
Maar jij Mariko, bent niet hier

De wind wiegt me in slaap,
wees stil, mijn kind, –
och, wind wieg me nog meer
o, Mariko, ik wil de jouwe zijn!

Uit het theater van het Getto van Wilna.

Een zee van droefnis – een veilige kust om langs te gaan…
In een boek over Boeddhisme kwam ik laatst de volgende spreuk tegen, een uitspraak die mij persoonlijk veel troost en steun geeft, omdat ze als het ware direct aansluit bij mijn leven sinds de dood van mijn moeder. De spreuk luidt:
“Een zee van droefnis
strekt zich uit
tot in het oneindige

Maar keer je om
aan je voeten ligt
de veilige kust!”
Prachtig vind ik dat die nuchterheid, deze realiteitszin, midden in de duisternis, midden in het verdriet waaraan voor je gevoel geen einde schijnt te komen. Voor je zie je enkel water, golven, tot aan de horizon. Maar je staat aan de kant, je kijkt slechts naar de zee, je bent er geen deel van: je wordt niet opgeslokt door de golven.
Misschien voelt veel verdriet zo, zeker in het begin, als een opgeslokt worden, een soort verdrinken, ondergaan en niet meer boven kunnen komen. Een gruwelijk beeld vind ik dat, zeker als ik bedenk dat mijn moeder zich moedwillig verdronken heeft in het water: het was haar keuze, haar manier om gered te worden van de wanhopige en depressieve gevoelens die zij had en die haar geen mogelijkheid meer boden om verder te leven.
Water is daarom nu voor mij ook doodsdreiging. Ik had het kunnen weten uit de verhalen uit de bijbel waar mensen in het verhaal van Noach en van Mozes onder gaan in de golven. Maar dat zijn ‘slechts’ verhalen en het is lang, lang geleden gebeurd. De realiteit voelt altijd anders. Ook mensen uit gebieden die bijvoorbeeld in 1953 zijn overstroomd zullen dit anders beleven, zij hebben aan den lijve ervaren wat het is als het water als een doodsdreiging boven hun hoofd hangt.
Toch is het vreemd in ons leven dat water tegelijkertijd dood en leven kan betekenen: dat dubbelzinnige, dat ambivalente. Daar hebben wij mensen het misschien vaak moeilijk mee omdat wij graag duidelijkheid willen: zwart of wit, niet beiden. Toch komen de grote en belangrijke dingen in ons leven vaak in meerdere gedaantes voor: positief en negatief: als geloof en twijfel, hoop en wanhoop, vreugde en verdriet. Het menselijk leven kan eenmaal niet zonder deze beide kanten, zou je zo denken. Wat is dat dan, waarom dat dubbele?
Misschien is het wel zo door God gepland opdat we het positieve leren waarderen en ontdekken onder het negatieve. Dat gaat nooit vanzelf. Meestal is dat een lange weg doorheen pijn en verdriet. Echte liefde gaat nooit verloren, maar dat zal pas echt blijken in moeilijke, in heel moeilijke omstandigheden. De “mislukking houdt de liefde bij krachten” schreef de Joodse filosoof Rosenzweig. Ik geloof dat hij alle gelijk van de wereld heeft. Het komt er alleen op aan om te lopen, lopen langs het strand, langs de kust van onze mogelijkheden. Niet alleen blijven staan en staren naar het water… laat de golven maar aanspoelen, het wordt ook weer eb na de vloed.
Liefde vindt altijd vaste grond onder haar voeten, of in ons hart. Dat houd mij en vele anderen vermoed ik op de been. Daarom veel liefde, veel durf om naar het water van de droefnis te kijken en veel moed om langs het strand te lopen met het water van verdriet aan je zijde….op weg naar betere veilige tijden.

EENZAAMHEID
Het is goed om af en toe eens een oude(re) filosoof uit de kast te halen die een hulp kan bieden bij het nadenken over ons leven. De Spaanse filosoof José Ortega Y Gasset schrijft dat ons leven niet overdraagbaar is: ieder van ons moet zijn eigen keuzes maken en zijn eigen leven leiden – wij kunnen niet in de schoenen van iemand anders gaan staan. Dat is onmogelijk. Dat wisten we natuurlijk allang, maar kennen wij ook de consequenties van deze waarheid als een koe?
Daarom, zo schrijft Ortega, is ons leven in de diepste kern eenzaam, radicale eenzaamheid. Deze radicale eenzaamheid bestaat er niet in dat er buiten mij niets zou zijn. Integendeel, wij worden omgeven door het hele universum en wij maken er zelf deel van uit. Maar midden in dit universum staat de mens op zichzelf gesteld. Ortega noemt deze radicale eenzaamheid het meest (radicale) menselijke aan ons menszijn.
Eenzaamheid is volgens deze filosoof óók altijd verlatenheid, zonder – iemand – zijn, alleen zijn en iemand (moeten) missen. Bijvoorbeeld ons woordje ‘monnik’ komt van het Griekse woord ‘moný’ dat ‘vertoeven, oponthoud’ betekent, met de bijbetekenis van ‘overblijven, alleen blijven, zonder de anderen zijn’, misschien omdat ze weggegaan zijn of gestorven. Of misschien omdat wij hen achter gelaten hebben in de wereld om zelf in de woestijn het leven van een monnik te gaan leiden.
In het Spaans wordt gesproken over ‘Onze Lieve Vrouw van de Eenzaamheid’, “Nuestra Señora de la Soledad”, de maagd Maria, die verlaten achterblijft nadat ze Jezus hebben gekruisigd. En Ortega zegt dat de passiepreek, die ook wel ‘de eenzaamheidspreek’ wordt genoemd, gaat over de meest pijnlijke woorden van Jezus aan het kruis: Eli, Eli, lama sabachthani: God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?” “Waarom heb je mij alléén gelaten, alleen én zonder jou?
Ortega zegt hierover: “in géén enkele andere uiting openbaart zich zó diep Gods’wil om mens te worden en dát op zich te nemen, wat aan ons mensen het meest radicaal menselijke is: onze radicale eenzaamheid.”
Wij mensen zijn dus eenzaam, alleen, alleen gelaten. Daarom gaan wij op zoek naar vrienden, vriendinnen, naar liefde, om onze eenzaamheid te doordringen met de eenzaamheid van iemand anders en zo samen te smelten. Misschien is dát ook een stukje Pinksteren: ‘mogen ervaren dat Gods’ eenzaamheid de gestalte aanneemt van liefde, een liefdesvuur, dat ons kan verlichten en verwarmen.’ Want zo zou je de gebeurtenis van Pinksteren kunnen zien: alleen gelaten, hevig ontgoocheld, zwaar teleurgesteld en bedroefd hokken de leerlingen van Jezus bij elkaar uit angst om zelf te moeten sterven.
In hun eenzaamheid zijn zij volslagen alleen, misschien zelfs op het depressieve af want door het lijden en sterven van Jezus worden zij bijna letterlijk ‘neergedrukt in het stof’. En dan gebeurt er opeens iets wonderbaarlijks, ‘haastig’ staat er, ‘een geluid uit de hemel, zoals een geweldige wind en het hele huis wordt erdoor vervuld’. Opeens breekt er een nieuw besef door, een nieuwe Geest neemt bezit van hen. Alsof er ‘een vuur in tongen op ieder van hen zit’, en ze beginnen te spreken in talen, een soort nieuwe extase. Iedereen kan hen verstaan want het is de Geest Gods die zich hier openbaart. Hun eenzaamheid, hun alleen zijn is plotsklaps opgeheven, als sneeuw voor de zon verdwenen, zo lijkt het wel.
Misschien is dat wel het allergrootste wonder: Jezus wordt deelgenoot van elk mens, van elke radicale eenzaamheid, door die eenzaamheid zelf te ondergaan. En dan blijkt dat die eenzaamheid, hoe radicaal ook, hoe diep geworteld in een mensenleven, niet het laatste woord heeft: dat er een ‘hierna’ is, een verder dan de eenzaamheid. En dat is ‘geestkracht’, mogen ervaren dat er een kracht is die ons uittilt boven de eenzaamheid van ons mensenbestaan. Ortega wijst ons op die kracht(en) in ons leven als hij de Spaanse uitspraak ‘hacer tiempo – tijd vergaan laten’ onder de loep neemt.
Tijd vergaan laten (in je leven) wil zeggen: wachten, tijd van verwachting, tijd van hopen. Want leven is in de meest eigenlijke zin: verwachten, hopen. De leerlingen wachten 50 dagen en dan vindt het wonder van Pinksteren plaats: 50 dagen vol spanning, vol eenzaamheid en vol ingehouden emoties. En dan barst het los, worden ze overweldigd, grijpt de hoop hen naar de keel (in plaats van de angst) en worden hun stembanden los, spreken, schreeuwen ze het uit…zijn ze niet langer gevangenen van hun eenzaamheid, maar vrij, ten diepste vrij om kinderen Gods te zijn en zo te leven in de sporen van de Heer.
Misschien moeten wij voordat wij Pinksteren kunnen ervaren eerst het lijden meemaken, de eenzaamheid en de diepe ellende van de teleurstelling in het leven. Dan pas zijn wij misschien rijp voor een aanval van de Geest, zijn er géén hindernissen meer in ons leven die de Geest kunnen tegenhouden. Dat is toch eigenlijk heel bemoedigend! Geen lijden gaat zo diep, is zo zwaar of er zal een Pinksteren zijn, voor ieder van ons.

EEN ‘EEUWIG’ GRAF?
“Rust zacht”, “Rust in vrede”, staat vaak op het stenen graf.
“Rust zacht”, wat is dit ‘rusten’, wat is ‘zacht’, wat is ‘in vrede’?
De dood wordt hier met de slaap vergeleken, zacht rusten op het kussen van de dood. De stilte en de rust van de dood die alles beheerst, een stilte die voortduurt, door niets onderbroken, een doodse stilte.
Eeuwig rusten, wachten, slapen, tot de dag van de opstanding. Misschien zou het idee van de opstanding van de doden wel nooit geboren zijn als er niet een idee van de dood was geweest als ‘slaap’. Een rusten in de armen van de dood, alsof deze stille ‘geliefde’ de mens in een omarming gevangen houdt. Pas op ‘de dag des oordeels’, de dag door God bepaald, als de Messias komt, dan worden de doden wakker gekust, vrijgemaakt uit deze omhelzing. Dan verliest de dood zijn macht. En is er géén slapen, géén rusten meer in vrede!
“Rust in vrede”, wat is hier vrede? Is het de vrede van een tot rust gekomen gemoed, een leven vol verwarring, vol spanning en angsten? Of is het een hemelse vrede die volgt op het aardse leven? Een vrede getekend door de slaap, door overgave, door het bereiken van je doel, je levensdoel?
Is je levensdoel de dood? Is de dood het einde, het absolute einde van je bestaan? Sommigen zeggen van wel, want over de grenzen van de dood kun je niet heenkijken. Anderen zijn vol vertrouwen dat ná dit leven en ná deze dood God nog iets anders in petto heeft voor ons. Hoe en wat, dat is onbekend, maar het vertrouwen is er. Het is aanwijsbaar bij mensen, het houdt hen op de been om niet te vertwijfelen, niet te wanhopen, hoe ellendig de aardse situatie ook is waarin ze moeten verkeren, leven.
Weer anderen geloven dat het leven een leerproces is met telkens nieuwe kansen, nieuwe geboortes, steeds weer opnieuw. Totdat de kringloop, het rad der wedergeboorte aan zijn eindpunt is gekomen, het ‘Nirwana’, het opgaan in het grote “Niets”. Maar misschien zijn de beelden van het ‘leven’ ná de dood, de verhalen, de geloofsgetuigenissen “ladders”, hulpmiddelen, een soort houvast om uit de diepte van de vertwijfeling te klimmen, uit de afgrond van de wanhoop waarin je door het feit van de dood gestort kunt worden.
De dood maakt aan alles een einde: letterlijk aan “alles”. Niets blijft er van je over, niets zichtbaars, tastbaars, grijpbaars. Helemaal niets? Absoluut niets?
Als gelovig mens, dat wil zeggen als mens die wil vertrouwen, die durft te vertrouwen, vertrouwen op God, God als liefde, moet ik zeggen dat misschien alleen de liefde blijft, dat géén dood de liefde kan doen doven.
Hoe ik dat zo zeker weet? Omdat liefde “sterk is als de dood!” dus niet klein te krijgen door de dood. Omdat liefde telkens weer, ook al slaat de dood toe, doorgaat in het leven, de levenden. Gegeven liefde gaat nooit verloren. Geschonken liefde gaat verder in degene die ontvangt. En dat geschenk gaat van hart tot hart, van hand tot hand. De dood komt altijd te laat, hij kan de liefde nooit inhalen. Hij is niet snel genoeg voor de liefde.
Zelfs aan het sterfbed kan de dood niet voorkomen dat de liefde heen en weer stroomt. Dat de achterblijvers meedragen wat ze van de stervende hebben ontvangen. Daarom bestaat géén eeuwig graf! Een eeuwig graf zou een triomf zijn van de dood op de liefde. Graven kunnen de liefde niet houden, niet vasthouden. Daarom is Jezus opgestaan, leeft hij verder in ons mensen. Daarom zullen wij opstaan, leven in de mensen die na ons komen. Als we maar liefde delen, uitdelen, wegschenken, helemaal voor niets.
“Rust zacht, rust in vrede”, misschien betekenen deze woorden wel: thuis bij God, eindelijk liefde die aangekomen is, liefde die thuisgekomen is.

Hemelvaart: “Ne me quitte pas” – “verlaat me niet”
“Verlaat me niet, ga toch niet, …wij vergeten de tijd…”
Deze woorden uit een lied van Jacques Brel, maken altijd diepe indruk op mij. Verlaat me niet… Brel zingt het smachtend, vol passie en overgave, alsof zijn leven ervan af hangt. En dat merk je, dat voel je als je naar zijn liederen luistert.
Brel was een Belgische zanger, die veel te jong en veel te vroeg is gestorven. Ik heb wel eens het idee dat hij was als een kaarsvlam: flakkerend in de wind, en daardoor veel sneller op dan een kaars die rustig kan branden.
Misschien ging het ook zo met Jezus: ook hij brandde hevig en hartstochtelijk, zo zeer zelfs dat hij de mensen aanstak die om hem heen stonden, en ook zij begonnen te branden, te gloeien dat de vonken ervan af sprongen. Aangewakkerd door de wind, gegrepen door de nood van de mensen die zij om zich heen zagen zetten zij alles op alles om er wat van te maken – liefde die overspringt, liefde die aanvuurt.
Misschien hebben ze het uitgeschreeuwd, diep van binnen gevoeld als een pijnlijke smart, met een hevig bloedend hart gesmeekt: “verlaat ons niet – laat ons niet alleen!” En er moesten engelen aan te pas komen, een visioen uit de hemel, om hen met de neus op de aarde te drukken: “niet van omhoog komt de liefde, komt het heil, maar uit jullie handen, jullie harten…” zegt de engel met klem. “Dat is wat Jezus jullie heeft laten zien – doe evenzo!”
Wat blijft is de pijn, de pijn van het afscheid, het verdriet om de verdwenen geliefde, maar wat we houden, innig mogen vasthouden, is de liefdesgloed, de herinnering aan de liefde die zo sterk is dat ze ons telkens weer kan doen ontvlammen…
Dat is wat ik bij Jacques Brel ervaar: zijn hang aan het leven, de liefde, de mensen, wat hij zingend bijna uitschreeuwt tegen alle tegenslagen, alle wanhoop in; als hij met ogen vol tranen zingt over zijn Vlaanderen, dat vlakke land, de westenwind, zijn onvergankelijke liefde die steeds zal duren.
En dat raakt mij tot in het diepst van mijn ziel. Voor mij is hij daarin een perfecte vertolker van de Messias. Want zegt een Joods gezegde uit de Talmoed niet: “in elk van ons schuilt de Messias – wij allen kunnen bijdragen aan een messiaanse tijd” de tijd van God, waarin de liefde heerst en waarin wij vergeten de tijd van het sterven… ‘altijddurende tijd’, zegt de bijbel, ‘zaligheid’ zeggen de theologen, ‘liefdestijd’ zingt Brel en met hem Jezus.
Dat is Hemelvaart: opnieuw mogen weten – het gebeurt hier en nu en het komt allemaal uit onze handen.

Herinnering
Vaak moet ik door het jaar denken aan stukjes landschap waar wij in de vakantie doorheen gewandeld zijn. Opeens staan ze op je netvlies, een mooi vergezicht, een bosweg, of een straatje achteraf. Ook beelden van stukjes stad waar je gezeten hebt, of iets gegeten en gedronken komen vaak boven.
Zo is het misschien ook met beelden van iemand, een persoon waar je veel van gehouden hebt, waar je veel mee gedeeld hebt, maar die nu er niet meer is omdat hij of zij is overleden. Opeens overvalt je een stukje herinnering, hoe hij of zij je kon aankijken, of daar zat en iets zei. Ook de indruk die een lach of een verdrietig gezicht op je maakte kun je uit het niets opeens voor je zien.
Mensen die in de eerste fase van een rouwproces terecht komen vertellen vaak dat zij het gevoel hebben alsof degene die overleden is af en toe in de kamer staat. Je kunt soms tegen hem of haar praten en je weet dat er geluisterd wordt. Ook als je je plotseling omdraait heb je wel eens het gevoel alsof je niet alleen in de kamer bent.
Wat is dat? Zijn dat alleen maar waanbeelden, indrukken die onverwacht weer boven komen? Ik geloof van niet. Ik geloof dat er meer aan de hand is. Als je iets intensief hebt beleefd, als je lang met elkaar bent opgetrokken en veel hebt gedeeld, dan is er iets bijzonders ontstaan in je leven.
Indrukken en ervaringen zijn als het ware neergeslagen in het centrum van jezelf, van waaruit je naar de wereld kijkt en reageert op de dingen die je overkomen. Net als bij een plaat of een bandje zijn die ervaringen misschien ingegroefd. En als toevallig een stil moment aanbreekt, waarin je niet meegetrokken wordt met je aandacht, dan komt er ruimte, dan valt de naald in die groef en komt het beeld boven waar we boven over spraken.
Het zijn denk ik beelden, ervaringen die wij een leven lang met ons meedragen. Daarom zijn ze kostbaar omdat ze ons iets zichtbaars in handen geven wat we anders zouden zijn vergeten. Misschien werkt ook zo de liefde van God. Via beelden, via opeens opwellende gevoelens en emoties. Want volgens veel mystieke schrijvers woont God in ons allerdiepste wezen. En wij kunnen alleen maar door – dringen tot die God in ons als we leeg worden, leeg van alle dingen die ons dagelijks bepalen. En als er dan ruimte komt in ons zelf, komt er ook ruimte voor God. Als een bron kan zijn liefde dan in je opwellen.
Misschien is het ook wel een blijk van zijn liefde dat die dierbare mens, zo af en toe voor je zichtbaar wordt. Dat het niet alleen maar herinnering is, maar ook bijna tastbare aanwezigheid. Misschien wordt ons mensen zo wel gezegd: “wees maar niet bang, ik ben bij je. Ook al zie je me niet, vertrouw er maar op dat ik in goede handen ben en dat ik een oogje op je hou.”
Wie weet hoeveel troost dergelijke woorden, dergelijke beelden ons kunnen verschaffen. Daarom voor allen die treuren, die verdriet hebben en lijden, veel sterkte, en veel fijne herinneringen.

KANKER
Je gaat naar je werk, je leeft je leven elke dag – en steeds is er een morgen. Je bent je van geen dreiging bewust – geen vuiltje aan de lucht. Mensen worden ziek, mensen sterven, maar het zijn steeds anderen – mensen in je straat, uit je bekendenkring, en soms uit je eigen familie. En dan opeens, een dag als alle andere, voel je je niet goed er schort iets aan, je weet niet wat. Zou je naar de dokter gaan, zul je het je vrouw, of je man vertellen? Je weet het niet.
‘Je moet je niet zo aanstellen’ denk je, ‘het zal wel weer over gaan’. Maar de dag erna, hetzelfde, en een week later nog niet beter. ‘Ik ga toch maar naar de dokter’. En je gaat. Hij stuurt je verder: ‘ik kan u verder niet helpen, daar moet een specialist naar kijken’ en je maakt een afspraak in het ziekenhuis.
Je vertelt je klachten, er wordt naar je geluisterd. Er worden aantekeningen gemaakt. En dan begint het: bloedafname, urine inleveren, foto’s maken, en misschien over een week of drie een kijkoperatie. Wat is er aan de hand?
Verslagen ga je naar huis – een wereld stort in. Je toekomst glipt uit je handen – en ook je vertrouwen – je wordt heen en weer gegooid door je gevoelens – twijfel komt steeds weer boven – zal ik het wel halen – kan ik het aan: die operatie, de bestralingen, de chemokuren? Je weet het niet – niemand kan het je zeggen. En, je durft het haast niet uit te spreken: wat is de laatste consequentie? Hoe zal het aflopen – hoe zal het zijn: met pijn? Wanneer? Wie zal er om me heen staan? Wat zal er gebeuren met hen die ik achterlaat? Zullen ze zich kunnen redden? Duizend vragen gaan door je hoofd – daar zit je dan. Wie had dat gedacht? Je had er geen flauw vermoeden van dat je ook zelf eens aan de beurt zou komen.
Je hebt je niet voorbereid. En nu? Er maar proberen het beste van te maken. Misschien tegen alle beter weten in: hopen, vasthouden aan het leven – zeker niet opgeven.
Maar misschien sta je niet alleen – misschien zijn er mensen die bij je staan – die je hand vasthouden als je moet huilen – als je er niet meer tegen kunt als het je soms teveel wordt – die je niet laten vallen. Die je opzoeken en helpen waar ze maar kunnen. En zo moet het dan maar verder gaan – je onzekere toekomst tegemoet – ‘ik zal wel zien’ – ‘misschien lukt het me om me over te geven’. Komt tijd, komt raad. Je wenst jezelf veel sterkte, want je bent gelukkig niet alleen.

“Een mens gaat dood en buiten viert de aarde lente.” (Ernest Claes)
De wereld is een draaitol. Zonder eind, zonder begin. En elke ochtend, elke avond draait zij rond. Misschien is de draaiende wereld wel bij uitstek het symbool van de tijd: zij duurt maar voort, telkens opnieuw, een eeuwige kringloop.
De zomer volgt de lente op, de winter de herfst, en alles begint weer opnieuw. Alleen wij, wij worden ouder. Wij groeien mee, uur na uur, dag na dag, jaar na jaar. En ons lichaam is getekend, de tijd laat zijn sporen achter. Van klein naar groot, van zwak naar sterk, van groot naar klein, van sterk naar zwak. De cirkel is weer rond.
Behalve, als die ene keer, de dood reeds eerder komt. Als midden in de jeugd, midden in het leven, zijn harde hand genadeloos uithaalt, en wij, achterblijven, sprakeloos, verbijsterd, gevangen in onmacht en onbegrip.
Jorg Zink schreef over onze dood:
Spoedig zullen wij allen sterven
elke gedachtenis
zal dan van de aarde verdwenen zijn,
en wij zelf zullen een kort ogenblik
worden geliefd en daarna vergeten.
Maar de liefde zal genoeg geweest zijn!

Er is een land van de levenden
en een land van de doden,
en de brug tussen hen is de liefde –
het enig blijvende, de enige zin.
Ook dan, na die plotselinge dood, die dood waar je niet op voorbereid was, is de liefde het enig blijvende, de enige zin. En vastgemaakt aan sporen van liefde haalt de herinnering beelden boven, momenten van geluk, van vreugde. En volgt op het weerzien in gedachten de pijn van het moment, het gemis, de leegte.
Ook dat is liefde, liefde door de leegte heen, voelbaar in je hele lichaam. Dat is de keerzijde van je liefde, als de andere kant van de munt, het kan niet anders. Had je niet van elkaar gehouden, had je niet zoveel liefde gevoeld, de pijn zou minder zijn, minder kwetsend. Maar nu je zoveel hebt bemind, nu je zoveel houdt van deze geliefde mens, kun je niet ontsnappen, kun je niet weg uit de fuik van het verdriet. Pas als je helemaal, helemaal tot het eind, durft door te zwemmen, zul je zien, zul je voelen, dat de uitgang open is, dat het verdriet helemaal omgezet in liefde wordt.
Misschien is liefde daarom blind. Omdat ze gaat zonder te weten waar ze uitkomt. Omdat ze inzet zonder te voelen of het wat oplevert. Omdat ze durft zonder zich angstig af te vragen of dat wel goed gaat. Jorg Zink schrijft:
Liefde gaat er altijd van uit,
dat het woord een oor vindt,
ook als er geen antwoord meer is.
Zij gaat er van uit,
dat de hand een hand voelt,
ook als dat nergens uit blijkt…
Zelfs onze liefde, reikhalzend, smachtend naar onze verloren geliefde, gaat het waagstuk aan: te reiken over de dood heen, verder dan het graf. Al komt de lente in het land, en gaat de zomer verder, wat we hebben gezaaid in de tuin van ons hart, vruchten, bloemen, liefdeszaden, geen winter kan hen doen sterven. Geen dood is sterk genoeg om die liefde uit te doven.

Wat raakt een mens het diepst?

Wat raakt een mens het diepst?
Als je kind ziek wordt –
en je kunt niets doen.
Wachten, afwachten, bidden, hopen.

Wat raakt een mens het diepst?
Als op een dag, plotseling,
als je het niet verwacht,
het bericht komt:
er is een vreselijk ongeluk…,
hou je vast, er is géén hoop meer.
Wanhoop, diepe vertwijfeling, smart.

Wat raakt een mens het diepst?
Als opeens je kind verdwenen is,
meegevoerd, spoorloos.
En dagen later,
het verbijsterende antwoord:
verminkt, vermoord,
door een ander kind.
Woede, afgrond, vragen, vragen, vragen.

Maak een plaatsje vrij in je hart, richt een altaar op, om te gedenken

Hoe houd je een dierbare in je gedachten, hoe draag je de mens die gestorven is met je mee? Daarover schrijft D. Bonhoeffer, een Duitse theoloog:
Als je van iemand houdt en je bent van hem gescheiden,
kan niets de leegte van zijn afwezigheid vullen;
je moet dat niet proberen,
je moet eenvoudig aanvaarden en volharden.
Dat klinkt erg hard, maar het is ook een grote troost;
want zolang de leegte werkelijk leeg blijft,
blijf je daardoor met elkaar verbonden.
Misschien valt dat niet mee, misschien dringen zich teveel beelden, teveel gevoelens aan je op, woorden, gedachten, misschien zelfverwijt, een gevoel van mislukking en schuld. Of je kunt gewoon niet stil staan bij, wilt het niet, bent er bang voor, je vlucht naar voren, in je werk, in bezigheden, activiteiten, druk, druk, druk, dan hoef je niet eraan te denken, dan hoef je de pijn en je verdriet niet toe te laten.
Want je weet, je kent misschien die vreselijke pijn, die je helemaal meesleurt, die je naar adem doet snakken, als een vis op het droge. Dat wil je niet, niet meer zo, niet meer meegenomen worden in die kolkende stroom de diepte in.
Toch blijf je verbonden, heeft het verdriet je aangeraakt, ben je veranderd. Alleen, je weet het nog niet. Je beseft nog niet zo goed wie je nu bent, wie je worden zal. Je wereld staat op zijn kop, alles om je heen draait verder en jij bent veranderd, gebroken, diep gewond.
Is er ruimte in je hart, is er een plekje vrij voor de mens waar je veel van hield, die je nu moet missen, die een ijzige leegte in je leven achterlaat, omdat de dood je meest geliefde haalde? Is er ook voor jou een plaats voor bezinning, in je huis, een hoekje maar, met een foto, een kaarsje, een bloem, waar die lieve mens aanwezig is, als teken, als herinnering, als onzichtbare hand op je schouder?
Misschien zijn de tranen wel meer dan alleen maar tekens van verdriet. Misschien zijn tranen wel bij uitstek de dragers van de herinnering, zijn zij de manier om verbonden te zijn, om verbonden te blijven, dwars door de leegte heen, dwars door pijn en eenzaamheid. Als een schreeuw in de nacht, in een kille woestijn.
Misschien zijn tranen naast de tastbare herinnering, de foto in je medaillon, de dingen die stil getuigen, het enige concrete bewijs van aanwezigheid, van verbondenheid, en daarom een houvast. B. Aafjes schreef:
Liefhebben is groeien in verdriet
en dan, in de berusting van het zwijgen
de toppen van het leven bestijgen
tot waar men in het dal der tranen ziet,
dat zacht en blauw is en schier onbewogen
als soms droefheid is in kinderogen
Groeien in verdriet; de liefde is de onzichtbare band, waarmee men het sterkst is gebonden, verbonden, zelfs over de dood heen. De tranen zijn als een blauw bergmeer, de hemel wordt erin weerspiegeld, aarde en hemel bij elkaar, dood en leven als een vlechtwerk. In de leegte van je eigen hart, in de leegte van het landschap, is er ruimte, veel plaats, kan de liefde groeien, gaat ze nooit verloren.

STERVEN
‘De dood komt vaak als een dief in de nacht’. Zelfs bij een lang ziekbed, zelfs als de artsen hebben aangekondigd dat het nu toch wel snel zal gebeuren, komt hij vaak nog onverwacht.
Waarom? Omdat we niet echt voorbereid zijn, omdat we leven en daarom ons moeilijk kunnen voorstellen dat het opeens afgelopen zal zijn met leven. Ook als je zelf ziek bent, je bent zelf de patiënt, is het (bijna) onvoorstelbaar om te moeten beseffen dat er een uur, een dag zal aanbreken waarin je de dood zult ontmoeten, waarin de tijd van leven afgelost wordt door de tijd van de dood.
Voor ons levenden, is het onmogelijk om over de grens van dit leven heen te kijken. En, dé dood vormt deze grens. ‘Achter deze grens is het donker, mistig, vreemd.’ Dichters hebben zich eeuwen lang uitgeput om in religieuze en poëtische taal te verwoorden hoe die grensoverschrijding aanvoelt.
Wij de levenden, kennen slechts het gevoel van het achterblijven, het besef dat er iets heel definitiefs heeft plaatsgevonden, iets wat niet meer terug te draaien is. Als je een kind verliest, of je partner waar je een leven lang mee getrouwd bent geweest, of een goede vriend of vriendin dan kun je en wil je niet aanvaarden dat de dood zo definitief in het leven ingrijpt van de mens die je zo dierbaar is geworden.
Dat weiger je te accepteren, maar je hebt geen keuze. Je wordt kei- en keihard met de neus op het onvermijdelijke gedrukt: er is géén terug, er is géén ‘opstanding uit de dood’ voor de mens waar je zoveel om gaf én geeft.
Dat is een bittere pijn, een wonde diep in je hart, je bent geraakt, gekwetst, verwond, de randen van die wonde steken, branden, en er is géén verzachtende zalf. Je wordt wakker met een vraag, je gaat naar bed met een vraag: waarom? waarom zo? waarom nu? De eerste weken, maanden, en soms nog langer voel je je geen mens. Je bent niet meer de oude, je wordt ook niet meer de oude, dezelfde mens die je was. Je bent getekend, een groot litteken loopt dwars over je ziel.
Misschien zal de pijn slijten, je hoopt het, je zou wel willen, maar nu, zo vlak na de dood, lijkt het alsof je nergens anders mee bezig kunt zijn, alsof je nergens anders door geraakt kunt worden.
Je moet doorgaan, je wilt het, met alles wat in je is, vecht je verder, probeer je je hoofd boven water te houden. Je vecht tegen de donkere eenzame avonden, tegen het gevoel van machteloosheid, tegen een dreigende moedeloosheid, een depressie. Gelukkig dan de mens, die niet alléén hoeft te vechten, die niet alléén het sterven moet tegengaan, de pijn dragen, het litteken uithouden. Als er mensen, kinderen, buren en vrienden, om je heen staan, om te delen, te troosten en op te vangen.
Want dat is de keerzijde van de liefde: als je veel bemint moet je veel lijden als de mens waar je zo zielsveel van houdt uit je leven wegvalt. Had je niet zoveel om hem of haar gegeven was je verdriet misschien niet zo groot, niet zo pijnlijk geweest. Maar precies die diepe pijn, dat helemaal van binnen geraakt, dat getroffen zijn, is het kenmerk van echte liefde.
Ik vermoed dat ook God zó van ons mensen houdt; met een zelfde bewogenheid, een zelfde geraaktheid. En zolang wij leven merken wij het misschien niet, of soms veel te weinig. Maar als we sterven vallen wij in zijn handen, in zijn liefde. Dan is er géén grens, géén scheiding meer tussen zijn liefde en ons diepste wezen.
Sterven is dus een groeien naar God toe, naar zijn allesomvattende liefde, een liefde die brandt, maar niet verteert, een liefde die beheerst maar niet vernietigt. Zij lijkt op de liefde van een mens – die pas weet hoeveel hij heeft bemind als de dood de beminde heeft weggenomen.
Misschien biedt deze gedachte enige troost, dat wij vallen in God, in zijn oneindige liefde, en dat ons leven én ons sterven een weg zijn naar zijn liefde. Hoeveel omwegen wij ook maken in ons leven, hoeveel dwaalwegen wij ook bewandelen, uiteindelijk eindigen we altijd daar waar God ons wil hebben: in zijn liefdevolle handen. Durven we ons aan Zijn liefde toe te vertrouwen?

Troost wordt bijeengebracht in kleine woorden (Bert Wirix)
Veel woorden hebben we niet, als plotseling de dood in ons leven binnenvalt. Als een kind wreed wordt weggerukt, als een partner zomaar sterft. Bert Wirix schrijft:
Stilte snijdt de pijn
en de onmacht mee.

Troost wordt bijeengebracht
in kleine woorden. Spaarzaam.
Ik vind ze niet.

Ben blij dat je gekomen bent.
Toen was het toch zo stil niet meer
we waren niet alleen.
We waren niet alleen, Dat is genoeg. Ook als woorden ontbreken, als er geen woorden meer zijn, om de verbijstering, de onmacht te beschrijven, dan kan je aanwezigheid voldoende zijn. Ook zo deel je je verdriet. Kun je je gesterkt, gesteund voelen.
Indien ik je dragen kon over de diepe grachten
van je gesukkel en je angsten heen,
dan droeg ik je, uren en dagen lang.

Indien ik genezen kon wat omgaat in je hart
aan onmacht, ontevredenheid en onverwerkt verdriet,
dan bleef ik naast je staan, uren en dagen lang.

Maar ik ben niet groter, niet sterker dan jij
en ik weet niet alles en ik kan niet zoveel,
ik ben maar een vriend op je weg, al uren en dagen lang.

En ik kan alleen maar hopen dat je weet:
je hoeft niet alleen te vechten of te huilen
als je een vriend hebt voor uren en dagen lang.

M. Weemaes
Je kunt het niet alleen! Dat moet je ook niet willen. Er zijn mensen om je heen. Je moet durven vragen, durven kijken, de confrontatie aangaan, niet bang zijn, niet bang zijn voor afwijzing of mislukking. Help mij, help mij, laat mij niet alleen!
Troost wordt zichtbaar, ook, vooral in kleine woorden, in een stille blik, een hand op je schouder, een gedeelde traan. Dat ene telefoontje, die brief, die kaart, woorden die omgezet in daad, de wanhoop tegenhouden.
Wie van ons kan dát niet? Het is toch ieder gegeven, al is het maar:
ik weet het niet – ik ben er. Dat is genoeg.

VERDRIET – huilen mét God?
Wat zijn tranen, wat is verdriet?
Ik heb de dauw, zo  ’s morgens vroeg, wel eens “de tranen van God” genoemd. God die onzichtbaar huilt, alleen zijn tranen zijn zichtbaar. En misschien alleen nog maar voor de goede verstaander, die wíl verstaan, die kán aanvoelen dat ook God verdrietig kan zijn.
Dat is niet zo gemakkelijk. Want we stellen ons God veel liever voor als een God die veel kan, een God die eigenlijk alles kan. Een verdrietige God past niet goed in ons straatje, die is te hulpeloos, te machteloos misschien.
Maar misschien is verdriet dé manier om in gedachten bij de geliefde te zijn, misschien is verdriet ná een groot verlies wel de enige manier om de geliefde voortdurend voor de geest te halen? Want als je echt verdrietig bent om het verlies van een mens waar je veel van houdt, als je leven op zijn kop komt te staan omdat je afscheid hebt moeten nemen, dan vormen de tranen het tastbare bewijs van je liefde en maken de tranen voor anderen zichtbaar hoeveel je van die mens houdt.
Natuurlijk kun je ook terugdenken aan wat er geweest is. De goede herinneringen en misschien de moeilijkheden, de minder goede ervaringen. Dat is ook een manier om de geliefde voor de geest te halen. Maar het geluk wat geweest is, de tijd die je zo gelukkig samen hebt doorgebracht is voorbij. Voorgoed. Geen herinnering kan die tijd echt doen herleven, zo krachtig is ons geheugen niet.
Verdriet is van een andere categorie. Verdriet grijpt diep in. Verdriet maakt een ander mens van je. Een mens die kwetsbaar wordt, met een minder harde schil, een minder stoere buitenkant. Verdriet maakt een mens van je die geraakt is, die diep getroffen van binnen, treurt om een groot verlies.
Verdriet roept méér dan een ander gevoel liefde in je wakker, het laat de liefde opborrelen, als een stroompje uit het zand. En door die liefde voel je pas de pijn, voel je het gemis dat als een mes in je lichaam snijdt.
De tranen zijn hiervan de stille getuigen. Zij zeggen als het ware, dat er meer is dan je ziet, dat er meer is dan je zou vermoeden. Zij zijn de getuigen van je diepe, diepe liefde. Ze stellen de verloren, gestorven geliefde present. Daardoor ben je dicht bij, is de geliefde die je zo mist, terug in je leven.
Natuurlijk zullen velen zeggen: omdat je van je geliefde houdt, ben je verdrietig; níet omgekeerd. Maar misschien is het wel beiden, is het een zichzelf versterkend proces. Liefde die verdriet geeft, verdriet dat liefde zichtbaar maakt.
Zo is het misschien ook met God en ons mensen. Ons verdriet dat liefde wakker roept in God, en de liefde van God die ons verdrietig maakt omdat we opeens beseffen hoeveel we tekort schieten, hoeveel pijn we elkaar aan doen als we de ander niet zien staan.
Als God zich kwetsbaar opstelt, als God tranen huilt, dan wordt iets van echt partnerschap zichtbaar – dan komt ook God meer tot zichzelf, wordt God meer God in de mate dat de schepping en de mens meer beantwoorden aan de liefde van God. Want zo simpel is het eigenlijk allemaal: als God ons uit liefde gemaakt heeft, als wij schepselen zijn kinderen zijn, als wij uit God ontstaan, stukjes God met ons mee dragen, dan kan onze liefde God troosten, God bevrijden van het verdriet om ons.
Dan komt God door onze liefde tot zichzelf, dan komt de liefde waarmee hij ons gemaakt heeft terug bij hem. Misschien is dat ook wel het grote geheim van ons geloof: zo durven vertrouwen, zo je durven toe te vertrouwen aan God, dat de liefde die wij ín ons meedragen contact maakt met de liefde van God buiten ons. En dan weten, voelen, ervaren dat die liefde hetzelfde is, en dat verdriet een sleutel kan zijn tot dit gevoel.
En niet alleen de verloren geliefde is dan dicht bij ons, maar alle verloren geliefden raken dan aan ons leven en zijn wij opgenomen in die lange stroom van mensen in de geschiedenis. Allemaal op hun eigen manier getuige van Gods’ liefde en van Gods’ verdriet. Als tranen ons eens zover konden brengen…huilen met God!

VONKEN VAN GOD
Een mens, een mier, een paardebloem, een steen, een hapje lucht –
wat is het verschil? Wat is hun wezen in de diepste kern?
Vanuit de chemie gezien,
zijn wij allemaal een combinatie van elementen;
de een wat meer, de ander wat minder…
de een wat ingewikkelder, de ander wat eenvoudiger.
Een mens bevat wat meer moleculen en atomen dan een mier,
een paardebloem is complexer dan een steen of een hapje lucht…
Maar als we sterven, worden we weer
wat we eens waren: losse atomen, verbindingen
tussen de oerelementen van deze aarde, dit heelal.

Wij zijn gemaakt uit het stof der sterren;
onze kosmos is één grote verzameling van elementen.
Maar wat is dan leven?
Welke combinatie van elementen geeft ons de mogelijkheid
om ons voort te planten, om met het stof,
vanuit het stof, meer te zijn dan enkel stof?
Dat is een geheim, dat is een mysterie
en ook de wetenschap heeft dát nog niet opgelost.

De chassidim, (letterlijk ‘de vromen’)
(een groep Joden uit de 2e eeuw voor Christus,
een beweging die later veel navolging vond bij de Joden
van Oost-Europa – in de getto’s -)
zij hebben een antwoord gevonden op deze vraag.

Leven komt, zo stellen zij, van God:
Zijn vonken, Zijn vuur brandt in ons allen,
in ons lichaam, in de mier, in de paardebloem en zelfs
in de stenen en de lucht.
Alles is door God bezield, ‘bevonkt’ geraakt,
‘gemaakt’.
En diep in ons zitten deze vonken verborgen,
in de mier, de paardebloem, de rots en de wolk.

Wij kunnen deze vonk van God niet manipuleren,
niet doven, niet ontkrachten.
Wat we wel kunnen, is haar doen ontvlammen,
als het ware ‘zuurstof’ geven,
haar boven halen van onder het puin, van onder de geslotenheid.
En dat kunnen we enkel en alleen door daden van liefde.
Onze liefde reikt diep, tot in de kern van ons wezen,
onze liefde dringt door tot in de meest verborgen schachten
van onze ziel, zelfs in de meest ‘dode’ materie.
Dat is de kracht van de liefde!
Liefde die ook wij ontvangen uit het liefdesvuur van God.
Slechts vonken van liefde kunnen die diepste vonk
van leven, diep in ons binnenste, bevrijden,
vrij maken van het puin waarmee wij haar soms bedekken.
Liefde die liefde bevrijdt – dat is het geheim van het leven.

“EN DE WERELD DRAAIT GEWOON VERDER…”
Soms zijn er in een mensenleven momenten waarop je wereld instort: je verliest je kind tijdens de zwangerschap, of niet lang daarna, aan de wiegedood; je partner zakt op straat in elkaar en ook de eerste hulp van haastig toegesnelde passanten mag niet meer baten.
Of anders, maar vaak ook heel ingrijpend:
Je hoort via de radio dat je bedrijf waar je jarenlang het beste van je krachten aan gegeven hebt definitief dicht gaat, omdat het faillissement voor de deur staat en je weet dat er voor jou géén plaats zal zijn op de arbeidsmarkt omdat je te oud wordt bevonden.
Dat is rampspoed, dat is een gevoel alsof je verzwolgen wordt door donkere golven van een woeste koude zee. Niets om je aan vast te klampen, geen einder in zicht, geen horizon met een andere, betere afloop!
Bijna niemand blijft gespaard voor de rampen van het leven – bijna elk mens krijgt op zijn tijd grote tegenslagen te verwerken. Maar dat is slechts een schrale troost, als je oog in oog staat met het ongeluk dat je treft. Want wat koop je voor het lot van anderen? Wat deert jou de pijn van een ander nu je zo zwaar getroffen bent? “Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?” Kun je dat nog stamelen? Of is ook dat teveel?
En het ergste is: ‘je zou troost verwachten, helpende handen om je heen, een wereld die naar je kijkt, die je bemoedigend toespreekt, die je ondersteunt en met je mee leeft.’ Maar wat gebeurt er? De wereld draait door, ze gaat verder en het lijkt alsof er niets aan de hand is…
Dat doet misschien nog het meeste pijn, achteraf, als je terug kijkt, als je terug durft te kijken naar die vreselijke tijd, dat grote ongeluk. Waarom ging alles gewoon door? Waarom hield ook niet de wereld stil, toen de pijn zo ondragelijk was dat je wel wilde sterven? Waarom, waarom?
Je wereld stortte in, je verloor alle grond onder je voeten, je bent gevallen, tot op de bodem van de put van het leven. Dieper kon niet, want dieper kon je niet vallen. En toen ben je weer begonnen om langzaam te klimmen, eerst aarzelend, je merkte nauwelijks verschil. Maar met het verstrijken van de dagen, de maanden, de jaren, heb je leren leven met de pijn. Is die diepe wonde nu een litteken geworden, een herinnering aan die tijd.
Eerst niet, maar pas later zag je lichtpuntjes, mensen die om je heen stonden, die ondanks de wereld die verder ging, op jou bleven wachten. Die je niet alleen lieten klimmen uit die diepe diepe put. Dat heeft je gered.
Toen wist je dat niet, maar nu is dat duidelijk: een mens kan het níet alleen. De put is vaak te diep, om zonder ladder, zonder houvast van mensen te verlaten. Daarom weet dat wij allen ook ladder kunnen zijn, dat wij niet alleen passant in dit leven, maar ook Gods’ hand kunnen zijn. Hoe zouden wij anders verder kunnen leven?

” Zwijg mij niet dood, maar praat mij tot leven” (Herwig Verleyen)
Er is nog plaats voor jou in onze woorden? Nu je weg bent gevallen uit ons leven?
Er is nog plaats voor jou in onze woorden,
de dagen dragen stilte voor je aan
en in de vlucht van meeuwen zit je witte reis verpakt
steeds verder van ons weg
steeds minder vlees en bloed…
W. Verhegghe
G. Marcel schreef eens: “Iemand liefhebben, dat is zeggen: jij, jij zult niet sterven…Instemmen met iemands dood, dat is in zekere zin hem aan de dood overleveren”. Dat is de macht, de kracht van onze woorden. Met onze woorden kunnen wij mensen in leven houden, moed geven, hoop en vertrouwen. Met onze woorden kunnen wij hen levend houden, levend onder ons, ook al zijn ze gestorven.
Vaak is dat het enige dat ons nog rest: de geliefde doden een stem geven, zichtbaar maken, onder ons laten voortbestaan. Dat kan op veel manieren. Door een foto, een gedicht, een goede herinnering delen. Het kan vooral door plaats te maken in onze woorden, onze taal, voor hen die er nu niet zijn, die er nooit meer zullen zijn, die nooit meer kunnen zijn.
Door hen niet dood te zwijgen, hen niet te vergeten, niet te doen alsof zij nooit bestaan hebben, alsof zij nu geen rol van betekenis meer spelen in ons leven. Ook niet uit onmacht, ook niet als wij niet weten hoe wij met de dood moeten omgaan. Dan is doodzwijgen het allerslechtste wat je kunt doen.
Als je het niet weet, hoe over de dode te spreken, als je niet weet, onzeker bent hoe je het gesprek moet starten. Zeg dat dan, dat je onzeker bent, dat je geen woorden hebt, dat je het niet weet, niet kunt. Dat is eerlijk. Dat is oprecht en open. Daarmee stel je niet alleen kwetsbaar op, maar ook betrokken, daarmee laat je in ieder geval zien dat je meeleeft, dat de ander die verdriet heeft je ter harte gaat.
Helemaal niet reageren, doen alsof je neus bloedt, een omweg maken, het is niet alleen de ander die verdriet heeft teleurstellen, maar het is ook een vorm van zelfbedrog. Alsof het verdriet van de ander jou niets aangaat, alsof de overledene die je misschien ook hebt gekend geen rol van betekenis meer speelt in dit leven.
“Door onzichtbare banden zijn wij het stevigst gebonden” schreef de filosoof Friederich Nietszche. Misschien zijn wij als mensen allemaal met elkaar verbonden met de banden van de liefde. Ook al kennen wij elkaar niet, houden we niet expliciet van elkaar, toch is er een verbond, een onzichtbare band, omdat wij allemaal uit de liefde van God zijn ontstaan.
Zelfs onze geliefde doden delen in dat verband, hangen vast aan ons door de liefde. Het verdriet negeren, de overledene doodzwijgen is het ontkennen van die liefde, is ten diepste ook het ontkennen van jezelf. Als de anderen dood voor jou zijn, word je ook zelf meer en meer aangeraakt door de dood, verkil je, verspreid je koude om je heen.
Zwijg me niet dood, praat me tot leven – doe mij herleven in je woorden. Zonder de letterlijke vervulling van deze uitspraak was het christendom nooit mogelijk geweest. Dan zouden wij als leerlingen van Jezus werkelijk niets in handen hebben, zelfs niet een getuigenis. Geen bijbel, geen geloof, geen kerken, geen mensen die Hem willen volgen op de weg van de liefde. Zo krachtig is het woord, een woord ook aan ieder van ons gegeven.

DSCN9278

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s