Dichtbundel ter bemoediging

stok 24

 

Alle gedichten op PDF: Bemoediging bundel compl

 

Bundel

  • Gabriela Mistral: het huis
  • Ingeborg Bachmann: Lieder von einer Insel
  • Hans Favery: Hoe de zee er die dag
  • Marie Luise Kaschnitz : niet moedig
  • Anton van Wilderode: Het land van amen
  • Arno Nadel: Spreken en zwijgen
  • Simon Kronberg 1891-1947: de Jood
  • H. Michaelis: Achtergelaten, Onderwater, Kokhalzend wakker worden
  • B.P. de Roeck: de tijd daarentegen
  • Judith Herzberg: groei
  • Robert Desnos: L’épitaphe
  • Jorge Guillën: ik sluit mijn ogen
  • Giorgos Seferis: De zee, hoe is de zee zo geworden?
  • Lucbert: wij zijn gezichten , Het licht is lichter dan
  • P. van Ostayen: Vincent van Gogh
  • Samuel Beckett: Quatre Poèmes
  • W. Szymborska: enige woorden over de ziel
  • Irun Scheifes: Psalm 10501
  • Paul Celan:  De kruiken, Zo ben je dan geworden, Landschap, In het laatrood
  • Carlos Drummond de Andrade: Ontbinding, De toebedeelde tijd, Sonnet van de verlorenhoop, Droefheid in de hemel
  • Hilde Domin: Hoe weinig ik van nut ben, voorbijtrekkend landschap
  • Jan van Ruusbroeck: Ghi smaect mi suete
  • Armando: de veldtocht – gedichten
  • C.O. Jellema: gewone dromen
  • Rutger Kopland: de laatste bevindingen
  • Tadeusz Rózewicz: Die Wirklichkeit
  • Edmond Jabès: het water
  • Adam Zagajewski: In mei
  • Carl-Erik af Geijerstam: de stilte
  • T.S.Eliot: Journey of the Magi  – A Song for Simeon
  • Ida Gerhard: De reiskameraad
  • Alvaros de Campos (Pessoa) : Gross sind die Wüste
  • Lope de Vega (1562-1635): Si desde que nací cuanto he pensado
  • Amir Gilboa: sterren plukken
  • Pablo Neruda: ik ben
  • Ossip Mandelstam: Silentium
  • Tswang: de lege boot

Het huis
De tafel, mijn kind, is bereid
in romig, rustig wit,
en aan de vier wanden, blauw,
glanzend zwak, de potten van aardewerk.
Dit is het zout, en dit de olie
en in het midden het brood, dat bijna tot ons spreekt.
Mooier goud dan het goud van brood
heeft de vrucht en de brem niet.
Er is een geur van aren en haard,
het verzadigt ons nooit dit geluk.
Met harde vingers en zachte hand
snijden wij het samen, kind,
en je bekijkt het, vol verwondering,
hoe witte bloesem uit zwarte aarde breekt.
Doch strek de hand niet uit om te eten, mijn kind,
je moeder houdt ook de hare omlaag.
De tarwekorrel, kind, behoort aan de lucht,
aan de zon en de mussen,
alleen dit brood ‘Gods Aangezicht’
bereikt in veel huizen de tafel niet.
En als het andere kinderen ontbreekt,
laat jij het beter ook onaangeraakt
en houd je handen stil in dit niet-nemen
ineen gestrengeld in schaamte.
De honger, mijn kind, dat grimassengezicht,
draait als een wervelwind om de dorsvloer,
ze zoeken elkaar en ontmoeten elkaar niet,
het brood en de honger, de gebochelde gekromde.
Opdat hij het zal vinden, als hij nu zou binnenkomen,
laat ons het brood tot morgen bewaren.
Het brandende vuur wijst de deur,
die de Quechua-indiaan nooit op slot doet,
en laat ons de honger eten zien
om slaap te hebben aan lichaam en ziel.
Gabriela Mistral

Lieder von einer Insel
(1954)

Wenn einer fortgeht, muß er den Hut
mit den Muscheln, die er sommerüber
gesammelt hat, ins Meer werfen
und fahren mit wehendem Haar,
er muß den Tisch, den er seiner Liebe
deckte, ins Meer stürzen,
er muß den Rest des Weins,
der im Glas blieb, ins Meer schütten,
er muß den Fischen sein Brot geben
und einen Tropfen Blut ins Meer mischen,
er muß sein Messer gut in die Wellen treiben
und seinen Schuh versenken,
Herz, Anker und Kreuz,
und fahren mit wehendem Haar!
Dann wird er wiederkommen.
Wann?
Frag nicht.

Ingeborg Bachmann

Hoe de zee er die dag
zou kunnen bijliggen,
wordt niet vermeld.
Zo er iets beweegt

is dit eerder een siddering
die door het gras gaat,
of een ooglid dat knippert
tegen zo veel licht.

Hetzelfde: voor altijd hetzelfde,
al zijn veranderingen ten spijt –

Als moest ik mij steeds opnieuw
in éen enkel woord kunnen uitputten,
mij vasthoudend aan alles waarin ik
al; ontbonden scheen, en sindsdien

voorgoed voortvluchtig bleef.
HANS FAVERY

Niet moedig
De moedigen weten
dat zij niet verrijzen
dat er geen vlees om hen groeit
op de jongste dag
dat zij zich niets meer herinneren
niemand terugzien
dat hun niets te wachten staat
geen zaligheid
geen foltering
ik
ben niet moedig.
Marie Luise Kaschnitz
Het land van amen
De bomen in gebed boven de aarde
met ingetogen takken en gebaren
zonder uitbundigheid, woorden van blaren
tegen de lucht gezegd, innig bewaarde
gevoelens van verknochtheid in de wortels.
Door wind gevormd en zijdelings bewogen
de kruinen en de toppen in den hoge.

Het gras geknield. En in de tijd der tortels
wanneer de jagers door de weide waden
alom ontroerend roepen om genade.
Anton van Wilderode

Spreken en zwijgen
‘Boom – daad van warme gronden, jouw stam verheft zich stijl, lucht-splijtend, en is toch rond, een teken Gods. en boven jou de heilige bladerkroon, uit de diepte opgehoopt. Hij wiegt zachtjes als Gods droom, ik sta voor je en peins, boom, boom, boom! En ben in louter benauwenis, brand en snikken’.
Arno Nadel – vermoord in Auschwitz

De Jood
Uit alle wouden dezer wereld een boom
Draagt hij zijn kroon aardwaarts, als in een droom.
Het blad, de bloesem met het groen, de geurige wasem
In de aarde diep, weren zij licht en asem.
De wortel, machtig reikt tot in ’s hemels baldakijn
Gevoed in ’t paradfijs met Godes wijn.
Diep in de stam sijpelt hij tot de verstikten.
In ’t graf, groen, bloeien de verkwikten.
Simon Kronberg 1891-1947

Achtergelaten
Achtergelaten
in een onbewoonbare wereld
rinkelend van kleuren
en geluiden
waar de dag te licht is
en geen nacht donker genoeg
om het verborgen tumult
te bedaren.

In alle straten, alle kamers
blijf ik je zoeken.

Tussen ontelbare mensen
vind ik je nergens.

Verlos mij
uit dit luchtledig.
Laat mij toe tot de aarde
die je bedekt.
Dicht bij je wil ik slapen
en tot stof vergaan

Onder water
Onder water
grif ik je naam
in de granieten bedding
van mijn stroomgebied.
Tussen de wieren
van het verleden
flitsen pijlsnelle vissen
als mensen voorbij.

Alleen in de diepte
mag ik je voortaan ontmoeten:
mijn warme tegenstroom,
mijn lief.

Het staat vast
dat je dood bent.
Maar wat is dood?

Kokhalzend wakker worden
Kokhalzend wakker worden
tussen de gestolde feiten
van gisteren en eergisteren.

Opstaan, het licht trotseren.
Onder het oorverdovend
carillon van herinneringen
optornen tegen een geheugen
dat geen duimbreed wijkt.

Lachen, praten, overmoedig
denken dat het zo wel gaat.
Merken dat men zich vergist
ook hierin. Heel het treiterend bedrijf
van deze dag en alle volgende
in vier woorden samengebald:
iemand is niet gekomen.

H. Michaelis

De tijd daarentegen
heeft al den tijd
van komen en van gaan.
Zij groeit – ongemerkt –
de grassen
dwarsdoor het grind.

Zij zet luisterpunten
achter heur zinsneden
om te wachten
of iemand wat zeggen wil.

Want de Tijd
is bidden, bad, gebeden,
dat zich niet
van leven onderscheidt.
Duizend psalmen van monialen
van gregoriaanse pissebedden
onder vochtige plavuizen.

De Tijd:
Vinger in je mond
Een slok water.
Leunen over het hek van de wei,
je neus gedrukt
tegen het oneindig uitstalraam.

Voor haar intimi
houdt zij ruggelings
een besloten vernissage
van de stillevens
der scheuren in ’t plafond.

De Tijd heeft het eeuwige leven.
Haar ogenblikken zijn zachte billen
zonder begin en zonder einde.

De Tijd heeft al den tijd.
Zij hangt met heur ellebogen
over de reling van de open brug.
En na ’t sterven van de dag
bewaart zij geliefden
in elkanders schoot.
Zij is het rustige asemen
van dingen die bestaan.
B.P. de Roeck

GROEI
Zo veel wordt bij het winnen ook verloren
lerend liefdes heel te houden vergeet je
hoe ze horen.
Eerlijkheid, in volle bloei bij de geboorte,
ontrijpt bij het volwassen worden
tot een knop. (Winnicott)
O rare makreel die je bent schreef je een keer
en kijk eens wat er is gebeurd
makreel niet meer.
Groei, wat zullen we met je doen
we kunnen je niet snoeien het beste is misschien alweer
niet mee bemoeien.
Tenslotte kraakt toch elk bestaan zich een bestaan door
de bestaande lagen. En bonen doppen zelfs
hun eigen boontjes.
Judith Herzberg

L’épitaphe
J’ai vécu dans ces temps et depuis mille années
Je suis mort. Je vivais, non déchu mais traqué.
Toute noblesse humaine étant emprisonnée
J’étais libre parmi les esclaves masqués.

J’ai vécu dans ces temps et pourtant j’étais libre.
Je regardais le fleuve et la terre et le ciel
Tourner autour de moi, garder leur équilibre
Et les saisons fournir leurs oiseaux et leur miel.

Vous qui vivez qu’avez-vous fait de ces fortunes?
Regrettez-vous les temps où je me débattais?
Avez-vous cultivé pour des moissons communes?
Avez-vous enrichi la ville où j’habitais?

Vivants, ne craignez rien de moi, car je suis mort.
Rien ne survit de mon esprit ni de mon corps.
Robert Desnos
Epitaph
Ich bin der Tote, der durch jene Zeiten schritt.
Vor tausend Jahren. Aufrecht und gejagt.
Das Menschliche, von Mauern war‘s umragt.
Vermummte Sklaven rings – ich lebte mit.

In jenen Zeiten lebt ich – lebt ich frei.
Mein Auge sah die Erde, es sah zum Himmel auf,
ich sah, wie alles kreiste, ich sah den Wasserlauf.
Die Blüte gab den Honig, der Vogel zog vorbei.

Mit alledem, ihr Menschen, was fingt ihr damit an?
Die Zeit, in der ich’s schwer hatt’, tragt ihr sie noch im Sinn?
Sät ihr die Saat gemeinsam und erntet jedermann?
Ist sie durch euch jetzt schöner, die Stadt, aus der ich bin?

Ihr Lebenden, ich leb nicht, ihr braucht nicht bang zu sein.
Mein Leib, er lebt nicht weiter, mein Geist nicht, nichts, was mein.
vertaling: Paul Celan

Ik sluit mijn ogen
Ik sluit mijn ogen en de zwarte nacht
is opgehouden nacht te zijn, een teken
hoezeer de lichtjes die zij kwam ontsteken
de grond zijn van ’t geluk dat juicht en lacht;

nachtelijk raadsel dat met zulke kracht
zijn zegels voor mijn ogen weet te breken
nu uit het diepst ravijn zijn wonderbleke
getintel opflitst dat de dood minacht.

Ik sluit mijn ogen. En steeds blijft gegeven:
een wereld, oogverblindend in haar luister,
waaruit een zee van ruis is weggevloeid.

Het donker staaft de waarheid van mijn leven,
de bliksem is te meer van mij in ’t duister:
zie hoe bij nacht zowaar een roos opbloeit.
Jorge Guillën (1893-1984)

De zee: hoe is de zee zo geworden?
De zee: hoe is de zee zo geworden?
Jaren heb ik verdaan in de bergen:
de glimwormen verblindden me.
Nu wacht ik op dit strand
op de aankomst van een mens,
een overblijfsel, een vlot.

Kan de zee dan gewond raken?
Ooit doorkliefde haar een dolfijn
en een andere keer
de punt van de vleugel van een meeuw.

toch waren de golven zacht
waarin ik sprong en zwom als kind
en ook nog toen ik een jonge man was
terwijl ik figuren zocht in de kiezelstenen,
speurend naar patronen,
sprak de Oude Man van de Zee tot me:
Ik ben je land:
misschien ben ik niemand
maar ik kan worden wat je wilt.

Giorgos Seferis (1900-1971)

Wij zijn gezichten
wij hebben het licht gestolen
van de hoogbrandende ogen
of gestolen van de rode bodem

ik ben
veel vuur
veel golven van vuur
vissen die stil zijn als het gezicht dat
alleen is
ik ben
veel van steen en vaag als
vissen in watervallen
ik ben alleen alleen beenlicht en
steendood

wij zijn gezichten
open en rood zijn wij
licht
zijn wij
open
wij zijn
ontplofbaar

ik weet niet wat
steen werd
ik weet wel wat
dood is

dood is ik word
ik word recht weer
ik word geroofd en ben weer
echt licht
lucebert
het licht is dichter dan
het lichte gezicht van de mens
met gespierde vlagen sluit
het de deuren van de huid
op wacht staat buiten de nacht

hol water fluit en lokt
in golven vervaard en hard
onder de straal aan zijn haard
de straal van’t gegrendeld gezicht
in zijn gegrendeld gezicht ligt de mens

een kamer voor de eenzaamheid
een voorhof voor de duisternis
daartussen trilt op elke drempel
de wimpel van de heugenis

lucebert
Vincent van Gogh
I.
Profeet van Paturâges en zuiderzonminnaar,
maar meer dan dit: diepbewogen dichter
die de zware dingen van buiten licht schiep,
herschiep als de kompleet blauwe lucht,  –
herder die het onvruchtbare gebeuren
van buiten, naar het grote centrum dreef, de oasis, de keuze
van frisheid… In ons zelve hebben wij de Jordaan;
allen die nog Godsvreemd en belâan
met de erfzonde zijn, –
de dubbele machteloosheid van het naar buiten kijken
en de loutering, dit is de permanente zege in ons:
patos en tragiek,
dit het innerlijke, daarom het heilige ‘veni, vidi, vici’, –
al die machteloze vreemdelingen van buiten,
al de gebeurtenissen
zullen wij godskinderen verfrissen
door het heiligmakende water van onze Jordaan.
Kunst is de alles overstelpende liefde
en de alomvattende.
Als de zoon van tobias die ter genezing van zijn vader
uittoog naar een ver land, en daar de vis
haalde met de kieuwen uit het water:
de ogen van zijn vader het licht schonk.

Kunst is de liefde in elke daad.
Kwintessens. En het volledige liefde zijn.
En dit is liefde als Vincent deed:
de talenten die hij kreeg, tot de waanzin, tot het leed
dat vreugde wordt, levend maken.

Niet het zijn of niet te zijn is de levensopgaaf,
maar het misterie van het zijn vult alles.
Het eigen zijn. Dat over alles te leggen.
Wordt eigen zijn van de omgeving.
Alles te vervormen, te martelen, te doden
tot schoonheid.
Je zelf dood rekenen voor de wet, om de wet van je zelf te
verbreden.
Abstraksie van je zelf, want deze kosmiese liefde vult gans je
zelf:
Bron van den aardbal.
Vincent. Zo is hij.
Hij is niets en hij is alles.
Als de priester: meester en dienaar.
En de wijn die eenvoudig perelt in de kelk
is plots onder de adem van liefde, bloed geworden.
Levende drank.
II
Meer dan uw werk. Dit is het grote,
het oneindige. Het venster
op de ganse wereld.
Ook alles wat in de verte schijnt
strekt zich daarbinnen deinend uit.
Een venster is alles.
De ganse wereld ligt binnen éeeen venster.
Men zal dan van uw werk houden,
wanneer het beurtelings met de geslachten
bloem, steen of eik zal geweest zijn.

Heel jong, –  nauwliks had ik je herkend, – heb ik gevraagd:
‘Vader, die kiezel is zo schoon,
hoor je zijn schoonheid onder de trage tred van mijn laarzen?
Maar zie deze ronde schijf in de zon.’

Door wouden gaan. Pijnboomnaalden vallen
als vingers van de bomen.
Vingers zijn verlangen van lange, lome
lust. In de boomgaard hangen kersen,
aan lange, stramme takken,
vruchten die zich saampersen
als kinderlippen. Niet tastbare gloed
waarin zij bloeden als een zinnelike boetedoening.

‘Maar alle schoonheid, mijn zoon, is in de brand
van je ogen. Ogen zijn steeds blauw als de zeestrandrand.
III
Leed als de golven van de oceaan
die baren witte blaân
van bloesems. Leed als van blaren aan
de bomen. Bomen die kruinen worden,
kruinen: der bergen wit gehelmde horden.

Het arme leed wanneer het wordt ontzaggelik
in het dragen aller leed,
wordt scheppend leven weer.
Wie al de noodbaren in zich stort,
tot een fontein van helder water wordt hij weer.
Wie leed als landen torst
draagt in zijn flank de vruchtbaarheid
van honderdduizend zielen.
IV
De stem van Vincent

Laat ons de blaren
van alle leed vergaren.
De aarde, ook vermoeid,
heeft nooit dode
blaren gedragen.
De aarde wondt
om, in de driedagestond,
te laten herrijzen
onder de loodzware kus van de liefde.

En is die kus weerom licht leed,
leed, dat alles is, – Ik ben Die is, –
o, laat deze zoen niet verloren gaan
want elke zoen is gloên van goed.

Nooit wassen dode vruchten
aan de bomen.
De pijnen snikken eeuwig
en laten hun lange tranen als vingers vallen.
Weet dit, mijn zoon: wanneer alle leed leven wordt,
houdt op het leven leed te zijn.
V
Kristus, Verlosser. Het Kruis
vergaarde al het leed.
Toen wierp hij weg het huis
van zijn leed.
Drie dagen en de schildwacht schrok.
De kunst is groot.
Een kruis van leed…
dan valt het huis
maar alles blijft.

En telkens woont
’t woord onder ons
dat ons beloont,
nieuw.
De weg van de Verlosser,
de weg van het leed:
een hoogvlakte van geluk.
Paul van Ostayen
Quatre Poèmes
translated from French by the author

1. Dieppe
again the last ebb
the dead shingle
the turning then the steps
toward the lighted town
2.
my way is in the sand flowing
between the shingle and the dune
the summer rain rains on my life
on me my life harrying fleeing
to its beginning to tis end

my peace is there in the receding mist
when I may cease from trreading these long shifting thresholds
and live the space of a door
that opens and shuts
3.
what would I do without this world faceless incurious
where to be lasts but an instant where ebery instant
spills in the void the ignorance of having been
without this wave where in the end
body and shadow together are engulfed
what would I do without this silence where the murmurs die
the pantings the frenzies toward succour towards love
without this sky that soars
above it’s ballast dust

what would I do what I did yesterday and the day before
peering out of my deadlight looking for another
wandering like me eddying far from all the living
in a convulsive space
among the voices voiceless
that throng my hiddenness
4.
I would like my love to die
and the rain to be falling on the graveyard
and on me walking the streets
mourning the first and last to love me

Samuel Beckett

ENIGE WOORDEN OVER DE ZIEL
Een ziel heb je nu en dan.
Niemand heeft haar ononderbroken
en voor altijd.

Dagen en dagen,
jaren en jaren
kunnen zonder haar voorbijgaan.

Soms verwijlt ze alleen in het vuur
en de vrees van de kinderjaren
wat langer bij ons.
Soms alleen in de verbazing
dat we oud zijn.

Zelden staat ze ons bij
tijdens slopende bezigheden
als meubels verplaatsen
en koffers tillen
of wegen afleggen in knellende schoenen.

Bij het invullen van formulieren
en het hakken van vlees
heeft ze doorgaans vrij.

Aan één op de duizend gesprekken
neemt ze deel,
maar zelfs dan doet ze niet echt mee,
want ze zwijgt liever.

Wanneer ons lichaam begint te lijden en lijden,
verlaat ze stilletjes haar post.

Ze is kieskeurig:
ziet ons liever niet in de massa,
onze strijd om hoe dan ook te winnen,
onze radde woordenvloed wekken haar afkeer.

Vreugde en verdriet
zijn voor haar geen verschillende gevoelens.
Alleen als deze zich verbinden,
is ze bij ons.

We kunnen op haar rekenen,
wanneer we nergens zeker van zijn,
maar alles willen weten.

Wat materiële zaken betreft,
houdt ze van klokken met een slinger
en van spiegels, die vlijtig hun werk doen,
zelfs als niemand kijkt.

Ze vertelt niet waar ze vandaan komt –
en wanneer ze weer van ons verdwijnt,
maar lijkt zulke vragen beslist te verwachten.

Het ziet ernaar uit,
dat net zoals wij haar
ook zij ons
ergens voor nodig heeft.
W. Szymborska

PSALM 10501
In u schuil ik. Rond mij zijn wolken en donkerheid. Hier valt al het bonzen dood,
de woorden van mijn achtervolgers klinken niet, hun wapens bereiken nooit de
kern. U geeft mijn ziel niet aan het dodenrijk. Dood of leven, het maakt voor u
niet uit. Angstig wentel ik mij rond in kamers die onbereikbaar zijn voor
mensenogen. Met draaiende gebaren paai ik de ruimte.
Laten mijn vijanden niet om mij juichen. Laat
ze niet denken dat ik vlucht voor mijn
verantwoordelijkheden. Een ronde plek, een
pan en zeven stokkende adems. De dood heeft een mond maar
spreekt niet. De dood heeft een oog maar ziet enkel
de loop. Hij heeft oren maar horen kan hij niet. De dood
heeft een neus maar ruikt alleen zichzelf.
Trek mij door uw gangen, god. Leer mij
wandelen op paden die bewegen. Leid mij
in uw waarheid en leer mij zweven. Want
deze weg moet ik gaan, langs deze ravijnen
loopt mij lot, op deze weg schuifelen mijn
ontaarde voeten. Afdrukken zijn er niet. Het gaapt, maar
ik heb geen tijd voor verveling of het pulken van eelt.
Eenzaam ben ik, de hele dag met mijzelf. Ik
wacht op de stortvloed die mij overmant, ik wacht
op de kracht van absolute stilte. Maak
mij kleiner, maai mij weg. Los mij op. Bevrijd
mij van plaats en tijd. Van eeuwigheid. Alleen in uw
gangen wil ik leven, alleen in uw ruimte bestaan. Ik
prijs u om het vergezicht. U bent zo licht.
Mijn ziel is ontkomen als een vogel uit de val van zijn
belagers. Hoog zweefde ik en zag dat een dochter werd
doorstoken, een andere dochter doodgeslagen, de zoon
aan de tafel vastgespijkerd. Waarom moet een man zien
hoe zijn vrouw wordt opengeritst en de tweeling in haar
buik er uit getrokken, doodgeschopt? Bestaat
er dan geen recht, geen levend water, geen geweten?
Eenzaam ben ik, de hele dag met mijzelf Ik
wacht op u, in u schuil ik. U prijs ik, in u is
licht, u lost mij op. Doe mij recht, voer
het geding dat ik aanspan. Spaar hen niet, mijn
achtervolgers. Maak ze groot en machtig, laat ze binnen in de
waan. Des te harder zal de klap zijn, des te schrijnender
hun nietigheid. Doe mij recht en
dood hen niet. Neem hun geliefden, de mannen en
vrouwen, de zonen en dochters, neem hun bezit, maar
spaar hun levens. Ze moeten zien. Toon
ze mij. Ik in u.
Nooit was ik zo volkomen.
Nooit zo loos.
Nooit zo ziel.
Waarom stoot u mij weg? Ziet u niet hoe goed het is
als wij samenwonen? Ik geef alles, ik geef mee, maar
uw antwoord is er niet. In de stilte waai
ik en geniet van kleur. Ik ledig de kelk, knijp
in mijn lijf. Ik voel niet, zwakte pakt me. Mijn
benauwdheid maakt mijn spreken stamelen. Ben
ik nog een mens?
Een echo is mijn antwoord: emen.
En ik schreeuw: bederf
En hoor: erf.
Ik roep: stik.
En hoor: ik.
Ik terg: niets.
En hoor: iets.
Is er niets meer heilig? Waarom
noemt u niet alles? Waarom laat u
ons bestaan? Ik ben een pootaardappel op
een gloeiende rots. Vol vertrouwen bouw ik
wortels, mijn loof opent zich naar zon. Mijn
lof verstikt in stof Mijn grijsgroene
bladeren spannen zich. Hoe
lang houd ik dit vol? Hoor
toch mijn smeken, hoor
mij zuchten in uw leegte, hoor
mijn vijanden aan de poort, hoor
hen aanleggen, ik ben de roos, ik
ben in de kern die zij raken willen. Maar
mij raakt u alleen.
U raken ze nooit. U
bent zo diep in mij. Zo
in de diepste leegte, zo
ver van hen. Uw lachen doet hen
kleuren, uw adem maakt hen
ademloos.
O, god, haast u.
Haast u om mij te redden.
Laat die mij haten zich branden
aan uw gloed, laat die mij
naar het leven staan terugdeinzen en
het zout zoeken in hun zakken. Laat
wie ‘haha’ roepen eeuwig lachen. Goed,
ik ben ellendig en arm, ik
ben nietig, minder dan een neet. Ik
ben het niet waard genoemd te worden, mijn
woord gaat ten onder in het uwe, mijn lichaam
siddert bij het noemen van uw naam. Toch bent u
mijn schuilplaats. In u woon ik. Om u bouw ik
mijn tempel. U bent groot door niet te zijn.
Nog zie ik de ontzielden uw woning
binnendringen. Ze hebben geen ontzag voor
de wonderschone trap, het houten bankje
op de veranda. Ze zien niet de sierlijk bewerkte
deur, de vensterbank met potten, de perfekte
deurknop. De dingen zijn daadloos, schoonheid
is een dood begrip, al het mooie is genade.
Ze treden binnen, zingen lofliederen, en maaien ondertussen
alles wat kracht draagt weg. Ze zoeken u. Maar u
kunnen ze niet raken, u bent zo diep, zo ver. Bij u
kunnen ze niet komen. Uw deuren zijn
zo klein. Maar mij vermoeden ze. En ze zien de mijnen. Ik
vlucht niet, mijn mond beweegt en mijn woorden stromen. Hoe
mooier ze zijn, hoe harder ze schreeuwen. Hoe dieper
de zin, hoe onzinniger hun nukken. Ze vernietigen alles wat
iemand lief kan zijn, de tempel wordt een martelkamer. Mijn
geliefden ontnemen ze het leven en ze slepen de ontzielde
lichamen naar buiten om ze daar te doorzeven met kogels die
geen doel meer raken. Er was niemand die begroef, ik
begroef alleen mijn hoofd. Ze deden alsof ik er niet was.
Waarom
zagen zij mij niet, waarom doden ze mij met hun stilte?
Hoelang nog, god? Hoe lang nog
laat gij hen begaan. Staat gij dit nog langer
toe? Werp u op moordlustigen, verbind u met uzelf, breng bij
elkaar wat niet bij elkaar mag komen. Spring in het vel, verdeel
de kracht die in u is en werp u op de moordende brigades, de
lieden zonder ziel, de onmensen die hun oog niet kunnen leggen
in een deurknop en een vensterbank. Verdelg de mensen die niet
stilstaan bij een ornament, bij een boom, bij een streep
in het gelaat. Doe het snel, wij zijn zo zwak. Help ons,
god. Met bewegende leegte, met negen slagen in het
niets. Laat u kennen, noem uw naam, verschroei
het bloed van hen die bloed doen vloeien. Druk
stom hen die aan stukken snijden. Wij kunnen dat
niet doen, aan ons is alles slap, zwakte pakte ons.
Mijn ziel is verzadigd van rampen, mijn
leven speelt zich af op de rand van het ravijn. Ik ben een
man geworden zonder kracht, een dode bijna, een man onder de
grond. In de diepste kuil hebt gij mij geworpen, zwaar rust
uw adem op mij. Mijn vrienden hebt gij weggejaagd. Ik
ben ingesloten, ontkomen kan ik niet. Waarom
verstoot gij mij?
Arm en ellendig, radeloos ben ik.
Uw leegte omsingelt mij, uw
brandende ogen maken mij as, uw
zware wateren omspoelen mij. Naar
lucht hap ik. Ik klop aan bij vrienden, maar
niemand doet open. Ik roep uw
naam, maar niemand antwoordt.
Gerechtigheid is het beton onder het niets. Een wreker
steekt in u, het scherm dat u wegtrekt het uiterste
gebaar. Alles klapt op elkaar. Een mes wordt in de
leegte gezet. U bent uw eigen rechter, niemand wordt
gespaard, zelfs die geloven maait u neer. Overal branden
braamstruiken. Overal offert u uw eigen
zoon. Wat om u is wordt weggevaagd. En ik? Ik
zeef mijn god en laat mij door hem zeven. Door
een onzichtbaar net word ik gedreven, door een
onzichtbaar leger word ik gedeeld. Ik span mij in om
heel te blijven, maar weet dat ik mij
delen moet, dat mijn ik een deken
is, een mantel die bedekt wat
onbedekt had moeten blijven.
Hoog huis, hoe bereik ik
u, hoe kan ik komen in de
diepte van uw oceaan? Ik
maak mij kleiner, ik
verdwijn bijna. Help mij
bij u uit te huilen. In u schuil
ik, uw huis is klein genoeg, uw mond
zo woordloos, zo zielbezeten. Ik
hecht niet langer aan het leven, maar
het hecht zich. Genadeloos.
IRUN SCHEIFES

De kruiken
Op de lange tafel van de tijd
drinken de kruiken Gods.
Ze drinken de ogen van de zienden leeg
en de ogen van de blinden,
de harten van heersende schaduwen,
de holle wang van de avond.
Zij zijn de geweldigste drinkers:
zij voeren het lege naar de mond als het volle
en schuimen niet over zoals jij of ik.
Paul Celan

Zo ben je dan geworden
zoals ik je nooit heb gekend:
je hart slaat overal
in een bronnenland,

waar geen mond drinkt en geen
gestalte de schaduwen omzoomt,
waar water kwelt voor de schijn
en schijn als water schuimt.

Je stijgt in alle bronnen,
je zweeft door elke schijn.
Je hebt een spel verzonnen,
dat wil vergeten zijn.
Paul Celan

Landschap
Jullie hoge populieren – mensen van deze aarde!
Jullie zwarte vijvers geluk – jullie spiegelen ze dood!

Ik zag je, zuster, staan in deze glans.
Paul Celan

In het laatrood
In het laatrood slapen de namen:
een
wekt je nacht
en voert hem, met witte staven langs –
tastend aan de zuidwand van het hart,
onder de dennen:
een, van menselijke gestalte,
schrijdt naar de pottenbakkerstad toe,
waar de regen zijn intrek neemt als vriend
van een uur van het meer.
In het blauw
spreekt zij een schaduwbelovend boomwoord,
en je lieve naam
rekent zijn letters daartoe.
Paul Celan
Ontbinding
Het donkert, en het lokt mij niet
Zelfs naar een lamp te tasten.
Waar het de dag te eindigen behaagd heeft,
aanvaard ik de avond.

En daarmee aanvaard ik dat opstaat
Een andere orde van wezens
En van dingen niet verbeeld.
Armen gekruist.

Ledig van wat wij beminden.
Is de hemel weidser. Bevolkte plaatsen
Doemen in de leegte op.
Woon ik in een ervan?

En ik onderscheid zelfs niet mijn huid
Van het toevloeiend duister.
Een unaniem eind concentreert zich
En toeft in de lucht. Aarzelend.

En deze agressieve geest
Die de dag met zich sleept,
Drukt nu niet meer. Zo vrede,
Verbrijzeld.

Zal zij duizend jaren duren, of
Doven met de kleuren van de haan?
Deze roos zij is definitief,
Al is zij schamel.

Fantasie, valse waanzinnige,
Alreeds veracht ik u. En ook u, woord.
Op de wereld, eeuwige doorreis,
Zwijgen wij.
En zonder ziel, lichaam, zijt ge zacht.
Carlos Drummond de Andrade  (vert. A. Willemsen)
De toebedeelde tijd
Een minuut, een minuut van hoop, niet meer,
En ’t einde komt. En reeds is elke zekerheid
In botten opgegaan. Slechts rest het teer
Besluit tussen de dood en onaandoenlijkheid.

De tijd vermoeit, dus een minuut, niet meer,
En nimmer overwint liefdes scherpzinnigheid
Deze doren, deze naald die, fijne speer,
Ons op ’t onmetelijke strand in stukken splijt.

Nog slechts één minuut, en die komt laat.
Nog slechts van jou iets, die onbuigzaam bent,
Terwijl, lafaard, ik door mijzelf mij duwen laat.

Een minuut, en ’t eind is daar. Klok ongeremd,
Vaag zichtbaar visioen in troebel zwerk,
Zij een minuut genoeg, mij en mijn werk.
Carlos Drummond de Andrade  (vert. A. Willemsen)

Sonnet van de verloren hoop
Ik heb de tram gemist en de hoop.
Bleek keer ik terug naar huis.
De straat is nutteloos, geen auto
Zou over mijn lichaam rijden.

Ik loop de trage helling op
Waarlangs de wegen samenvloeien.
En alle leiden zij naar het
Begin van drama en van flora.

Ik weet niet of dit lijden is
Of iemand die – en waarom niet? –
Zich in de smalle nacht vermaakt

Met een onmogelijke fluit.
Intussen het lang geleden
Dat wij ja! riepen tegen de eeuwige.
Carlos Drummond de Andrade  (vert. A. Willemsen)

Droefheid in de hemel
Ook in de hemel is een melancholisch uur.
Moeilijk moment, waarin twijfel de zielen doordringt.
Waarom heb ik de wereld gemaakt? vraagt God zich af
En antwoordt zich: Ik weet het niet.

De engelen kijken hem verwijtend aan,
En veren vallen.

Alle hypothesen: genade, eeuwigheid, liefde
Vallen, zijn veren.

Nog een veer, de hemel valt uiteen.
Zo zachtjes, geen geraas verraadt
Het moment tussen alles en niets,
Ofwel, de droefheid Gods.
Carlos Drummond de Andrade  (vert. A. Willemsen)

Hoe weinig ik van nut ben,
Ik hef mijn vinger en laat
Niet de kleinste streep achter
In de lucht.

De tijd doet mijn gezicht vervagen,
Ze is reeds begonnen.
Achter mijn voetstappen in het stof
Wast de regen de straten blank
Als een huisvrouw.

Ik was hier.
Ik ga voorbij
Zonder spoor.
De olmen langs de weg
Wenken me toe hoe ik nader,
Groen blauw gouden groet,
En vergeten mij,
Voordat ik voorbij ben.

Ik ga voorbij –
Maar misschien laat ik achter
De zachte klank van mijn stem,
Mijn lachen en mijn tranen
En ook de groet van de bomen in de avond
Op een stukje papier.
En in het voorbijgaan
Helemaal zonder bedoeling,
Steek ik de een of andere
Lantaarn aan
In de harten aan de rand van de weg.

Hilde Domin

Voorbijtrekkend landschap
Men zou moeten kunnen weggaan
En toch zijn als een boom:
Alsof de wortel in de bodem bleef
Als trok het landschap voorbij en wij stonden vast.
Men moet de adem inhouden,
Tot de wind nalaat
En de vreemde lucht om ons heen begint te draaien,
Tot het spel van licht en schaduw,
Van groen en blauw,
De oude vormen toont,
En wij thuis zijn,
Waar dat ook is,
En kunnen neerzitten en aanleunen.

Hilde Domin

Ghi smaect mi suete
Ghi smaect mi suete boven honechraten.
Ende boven alle suetecheit van maten.
Altoes blijft in mi hongher ende begheeren,
Want ic en kan u niet verteeren.
Etdti mi, ochte etic u, dats mi onkond,
Want beide dunct mi in minen grond.
Ghi eischt mi ‚‚n met u te sine
Ende dat gheeft mi grooete pine,
Want ic en wille mine ufeninghe niet laten
Ende in uwen arme slapen.
Ic moet u danken, lof ende eere gheven,
Want dat es mijn eewegh leven.
Ongheduer vendic in mi;
Ic en can gheweten wat dat si.
Mochtic eenegheit met gode verkrighen
Ende altoes in mijn werken bliven,
Soe soudic al mijnre klaghen swighen.
God die alle nooet bekint,
Hi doe met mi al dat hi wilt.
Ic gheve mi te-male in sijn ghewoud.
Soe blivic in allen dooeghene stout.

Jan van Ruusbroeck

Armando De veldtocht Gedichten

Misschien de steen,
De bodem van de binnenplaats:
Het gebouw, het terrein.
Meestal met de stem bekeken:
De tred van de steen.
Lopend
De gedachte betasten.
Hoe ik het weet, hoe ik het nooit
Te weten kom.
Het is grijs, het wordt vierkant:
Dit denkbeeld.
Stokstijf wachten op de storm.
De tong,
De listen van de wang,
De oogholte,
De mond een hok.
Nu.
Een beval van enige lengte.
Het teken wil bewegen.

De vuist
Sluipt naar links,
De huid wijkt naar rechts:
Ademloos uit lijfsbehoud.

Wapenfeit. Vluchtpoging.
We gaan het zeggen,
Zei hij.
Dezelfde berg.
Als ik het zeg, zei hij,
Gaan we klimmen,
Ik wil het mijne, ik wil
De treden van de hemel.
Een land, een land,
Achttien dagen onbegaanbaar.

De trilling. Twaalf eeuwen.
De jammerklachten werden weggehoond,
Het handgebaar verboden.

Een voetstuk,
Straatgewoel, het stramme spel.
Over de leeftijdsgrens en de ommekeer,
De geur van het geschut,
Over de buit en
Het gekletter der woorden.

De kokende rug der kudden.

Terloops
Gesproken over het schootsveld,
Over mijn aandeel in de vervoering.
De voorhoede,
Waaiend langs de grens.

Geen onbezonnen vraag, geen
Samenspraak.

Ze vallen bedachtzaam aan.

’s Nachts. De bomen.
Het zoeken van de storm.
De plechtige arm op jacht.
Het vaandel woedend opzij.

Het wapen hijgend naar voren.

Het rolde voorbij,
Op hoge wielen rakelings voorbij:
Een giftig harnas.

Gepantserd dansend.

Vuur, riep hij, vuur.
Het rolde voorbij, het verdween.

Waar ze,
Naast de haveloze boom,
Met z’n allen haastig graven,
Weerloos tegen de schedel.

Wat blijft: armen en benen in marmer.

Wat begaanbaar was: de stapels takken.

Wat overzichtelijk was:
Het woeste weefsel van de bossen.

Klanken,
die de vader voorzichtig beschreef.

Ver weg, een land op stelten.

Hij vertelde
Hoe de wond de knie genas, hoe
Het hoofd verschoven werd.

Elders:
De afdruk van een wespennest.
Een been en meer dan zeven rompen als
Bemanning,
Ze vergelen in de sneeuw.

Onbesuisde kledingstukken:
Een voorval.
Deze boom is haast groter dan een wolk, de
Wolk is bleker dan de maan.

Hier wordt overnacht.

Morgen, als het vriest, wordt de groep
verwoest:
een tafereel, een tafereel.

Nee, de meeste stenen zijn verdwaald.
Ze zijn opgetild en weggesmeten.
Daarom zijn ze hees en achterdochtig.

Ze hebben geen spijt, ze werden opgeleid.
Daarom kunnen ze spreken en wenen.

Struikelend viel de soldaat in slaap.
Bij bezeerde zich en bevroor.

Straks:
De groep die volgens zeggen de hemel bedwelmt,
Vanuit de maanstand de hebzucht bekijkt.

Ze branden, hoe ze bijgelovig branden,
Opgestapeld overeind.

De tempel zwaait.

Hoe ze bewogen, hoe ze
Hopelijk omhoog bewegen.

Ja, de groep rekt zich uit,
Een tongval op de landweg wordt
Plotseling groen.

Het begon,
Daar denk ik aan.

Het eindigt.
Vaarwel, onhoorbare voorouders.
Hoe onvoorzichtig dit meer,
Het water dat de takken wurgt.
Hoe onvoorzichtig dit dwaallicht.

Hoe vochtig het struikgewas:
Een handgemeen, een handgemeen.

Zichtbaar:
De handen van de stam.

Hoorbaar:
Het gonzende zand.

Herkenbaar:
Verminkt achtergelaten.

De witte ingang, de deur brak,
Niemand sprak,
De looppas, de vraag waar het was.

Het was waar ik wil: een dode jas.

Nam z´n armen nooit omhoog,
z´n mond niet meer opzij,
sloot z´n hoofd,
stak z´n handen in de stam.

Dat de vader notabene aan de deur,
Aan de deur,
Te horen kreeg dat hij sterven moest.
zelf.
Nooit te weten kwam of hij werkelijk wilde of
Dat het door de vijand vriendelijk verzocht werd.

Vroeg hij nog iets?

Nee, korte metten alsjeblieft.
Daar stonden ze, hij werd meteen gemeten.

Toen ze klaar waren greep ie de spiegel
En nam wraak, het evenbeeld was
Niet te spreken.

Kwam ie terug? Nee.

Dacht ik dat
Het verstand de smalste weg,
De gladde toekomst uit gevangenschap
Was.

Hij wil het daglicht zien: de betekenis.

Dacht dat het verstand
De platte kant van de aandacht was,
Dat het zich zou verzetten tegen
Het getij of tegen de avondstemming.

Er
Was sprake van de terugkeer,
Van de angstige ontvangst.

Hoe verongelijkt hij deed.

Er was sprake
Van letsel in de levensloop.

Dacht je dat. Dat wij nooit met tegenzin,
Dat wij slechts gehoorzaam waren, dat wij zelden
Iets te weten kwamen.

Werkelijk?

Of dacht je dat wij eensgezind, dat wij ooit
Berouw hadden.
Nee?
En of wij nooit in uniform het een en ander zagen,
Dat niet of nauwelijks door ons veroorzaakt was.
Daarom heb ik nooit geaarzeld.

Bewierookt immers.

Zelfs als je bevelen kreeg dan moesten we, als je
Bevelen kreeg dan wou je.

Hoe of het werd?
Nou, we hebben geholpen, dat zie ik.

Dat niemand enige aandacht, ja haast lachend,
Geen moment gezwegen heeft, dat
Niemand tijd heeft om te weten
Wat er gaande was, dat ook wij
Niet keken.
Liever geen berouw.

Wat moest ik,
We hadden immers bekend,
Doen.

Gewone dromen
Het examen waar allen maar jij alleen weet dat
en moet het nog doen allang voor geslaagd zijn –

Om een lezing te houden de zaal binnengaan
maar de tekst ben je kwijt en zelf in je hemd –

Je komt in dat huis waar de toekomst op slot ging
bij vreemden te gast en je plek is daar weer niet –

Jij of die ander die elders met anderen
het betere leeft wat geen naam heeft en beeld blijft –

Spijts het gedachten verplaatsende landschap (Toscane)
waar ben je de noodzaak Spinoza te lezen wie ben je –

Wordt de dolende geest van de doden niet dringend
gestoord door dat draadloze praten van ons in de ether –

In zelfkennis houdt zich de godheid verborgen
of heeft een vlinder nog weet van zijn rups?

C.O. Jellema:

De laatste bevindingen
Er waren zoals we dachten te weten
twee werelden – de echte en die andere
dit onderscheid is onlangs bij nader onderzoek
een overbodige illusie gebleken:
deskundigen hebben in menselijke hersenen gezocht
en geen verschillen gehoord of gezien
integendeel, wat zij vonden
was met geen pen te beschrijven,
zo ongelooflijk eenvoudig zo mooi
zij noteerden:
‘De nacht viel in de ramen van ons instituut,
maanlicht streek over de jonge borsten
van onze v rouw elijke proef pers oon

en ja, de door haar hersencellen aangedreven
apparaten
zuchtten en in onze microscopen zagen we
in haar moleculen melkwegen van verlangen.
Wij zoeken nog koortsachtig naar formules.’

Rutger Kopland

Die Wirklichkeit
Die Wirklichkeit
Die ich durch die schmutzige Fensterscheibe
Im Wartesaal
Betrachtete

Sah ich
Auge in Auge

Schwach
Wandte ich mich um
Von meiner Schwäche

Wandte mich um
Von den Täuschungen
In den Sand
Meiner Worte
Zeichnete jemand das Zeichen
Des Fisches
Und ging

Tadeusz Rózewicz

Het water
Vooraf bestaat het water.
Achteraf bestaat het water;
het duurt, het duurt voort.

– Het water van het meer?
– Het water van de rivier?
– Het water van de zee?

Nooit water op water.
Nooit water voor water;
water echter, waar geen water meer is;
water echter in de dode herinnering van het water.

Leven in de levende dood
tussen de herinnering aan het water en het
vergeten ervan,
tussen
de dorst en de dorst.

Het water treedt binnen:
ceremonieel.
Het water grijpt om zich heen,
het vloeit:
vruchtbaarheid.
Steeds water voor water.
Steeds water op water.
Overvloed.

– de woestijn was mijn land.
De woestijn is mijn weg,
mijn dwalen.

Steeds tussen twee horizons;
tussen de horizon en
het roepen van de horizon.
Hiernamaalsgrens.

Het zand glinstert als water
in onstilbare dorst.

Kwelling, door de nacht tot rust gebracht.

Onze stappen besprenkelen de dorst.
Afwezigheid.

– Het water van het meer?
– Het water van de rivier?
– Het water van de zee?

Spoedig komt de regen,
om de ziel van de doden te wassen.

Laat de afgebrande schaduwen voorbij,
de morgenstonden met de geofferde bomen.
Walm. Walm.

(Schreeuw eens als vruchten,
als bloesem,
als bladeren
en hun lange uitgestrekte armen.)

Elke arm zijn horizon.
Elke bloesem, elke vrucht
haar jaargetijde.
Het blad zijn neiging.

De hemel kijkt neer op de aarde.
Schrijven wil zeggen, de woorden uitlopen laten,
om de bodem te bevloeien.
Elke zin bestaat uit regen
en uit licht.

Ik schrijf de woestijn.
Zo sterk is het licht,
dat de regen zich vervluchtigd heeft.

Er blijft alleen het zand,
waar ik wandel.

Edmond Jabès
uit: Das gedächtnis und die Hand
Münster 1992

IN MEI

Toen ik bij dageraad door het woud wandelde,
in mei, vroeg ik me af waar jullie waren,
zielen van de doden. Waar zijn jullie, jonge
vermisten, waar zijn jullie,
de volledig veranderden?
In het bos heerste grote stilte,
en ik hoorde de groene bladeren dromen,
ik hoorde de droom van de schors waaruit boten,
schepen en zeilen zullen ontstaan.
Dan, langzaam, begonnen de vogels te herleven,
distelvinken, lijsters, merels, verborgen
op balkons van takken, elk in een andere taal,
elk met een andere stem, niets vragend,
zonder bitterheid of spijt.
En ik besefte dat jullie zang zijn,
onvatbaar als muziek, onbegrijpelijk
als muzieknoten, ver verwijderd van ons
zoals wij van onszelf.

Adam Zagajewski

DE STILTE
Er komt een moment waarop je merkt
dat de stilte helemaal niet opgezocht hoeft te worden,
dat ze er allang was
vlakbij,
ja, dat wij haar met ons meedroegen
in het zachtmoedig bezig zijn van ons lichaam,
in zijn geduldige reis door de tijd.
De stilte hoeft nooit zelf te reizen,
zij valt altijd samen met haar doel
en haar wachttijden kan niemand meten.
*
De stilte bestiert de geluiden
houdt ze in bewaring,
zorgt voor hen gedurende hun korte leven
en laat hen nooit in de steek.
Zelfs de meest ingetogen geluiden,
die zich niet opdringen
en nauwelijks weet hebben van zichzelf;
krijgen in de stilte de hun toegemeten tijd
zoals het zachte krabben van nagels over de vloer
toen de hond zijn poten al dromend bewoog
of het geritsel uit de mierenhoop
toen de grote trek begon in de zonnewarmte
van een ochtend in april.
Geduldig te zijn als de steen
in zijn afwachting van het mos,
diens traag tastende wortels
die in alle rust
hun houvast zoeken –
te weten dat iets je zoekt
en op je wacht
daarbinnen in de stilte,
dat je tenslotte wellicht
voor een soort ontmoeting zult staan,
voor een tastend begin.

Carl-Erik af Geijerstam

Journey of the Magi

‘A cold coming we had of it,
Just the worst time of the year
For a journey, and such a long journey:
The ways deep and the weather sharp,
The very dead ofwinter.’
And the camels galled, sore-footed, refractory,
Lying down in the melting snow.
There were times we regretted
The summer palaces on slopes, the terraces,
And the silken girls bringing sherbet.
Then the camel men cursing and grumbling
And running away, and wanting their Iiquor and women,
And the night-fires going out, and the Iack of shelters,
And the cities hostile and the towns unfriendly
And the villages dirty and charging high prices :
A hard time we had of it.
At the end we preferred to travel aII night,
Sleeping in snatches,
With the voices singing in our ears, saying
That this was all folly.

Then at dawn we came down to a temperate valley,
Wet, below the snow Iine, smelling ofvegetation,
With a running stream and a water-mill beating the
darkness,
And three trees on the Iow sky.
And an oId white horse galloped away in the meadow.
Then we came to a tavern with vine-leaves over the lintel,
Six hands at an open door dicing for pieces of silver,
And feet kicking the empty wine-skins.
But there was no information, so we continued
And arrived at evening, not a moment too soon
Finding the place ; it was (you may say) satisfactory.

All this was a long time ago, I remember,
And I would do it again, but set down
This set down
This: were we led all that way for .
Birth or Death? There was a Birth, certainly,
We had evidence and no doubt. I had seen birth and death,
But had thought they were diff.erent; this Birth was
Hard and bitter agony for us, Iike Death, our death.
We returne to our places, these Kingdoms,
But no longer at ease here, in the old dispensation,
With an alien people clutching their gods.
I should be glad of another death.

A Song for Simeon
Lord, the Roman hyacinths are blooming in bowls and
The winter sun creeps by the snow hills;
The stubborn season had made stand.
My life is light, waiting for the death wind,
Like a feather on the back of my hand.
Dust in sunlight and memory in corners
Wait for the wind that chills towards the dead land.
Grant us thy peace.
I have walked many years in this city,
Kept faith and fast, provided for the poor,
Have given and taken honour and ease.
There went never any rejected from my door.
Who shall remember my house, where shall live my children’s children .
When the time of sorrow is come?
They will take to the goat’s path, and the fox’s home,
Fleeing from the foreign faces and the foreign swords.
Before the time of cords and scourges and lamentation
Grant us thy peace.
Before the stations of the mountain of desolation,
Before the certain hour of maternal sorrow,
Now at this birth season of decease,
Let the Infant, the still unspeaking and unspoken Word,
Grant Israel’s consolation
To one who has eighty years and no to-morrow.
According to thy word.
They shall praise Thee and suffer in every generation
With glory and derision,
Light upon light, mounting the saints’ stair.
Not for me the martyrdom, the ecstasy of thought and prayer,
Not for me the ultimate vision.
Grant me thy peace.
(And a sword shall pierce thy heart,
Thine also).
I am tired with my own life and the lives of those after me,
I am dying in my own death and the deaths of those after me.
Let thy servant depart,
Having seen thy salvation.

T.S.Eliot

De reiskameraad
Op een onaards uur vertrokken,
wars van alles, zonder reisplan,
elke overlegging mijdend
en mij weidend in mijn vrijheid
bij het dansen van de draden,
weet ik feestelijk in mijn jaszak
het kompas, dat onder Arkel
ik als kind eens op een morgen
heb gevonden in de wegberm.

Dat mijn trots was, dat het nog is,
dat ik Boreas gedoopt heb.
Waaraan nooit iets gemankeerd heeft.
Of ik zuidwaarts ga of zigzag,
onomkoopbaar, onverbiddelijk
richt zich de magneetnaald noordwaarts.
Eindelijk reizen wij weer samen;
twee die bij elkander horen,
twee die aan elkaar gewaagd zijn.

I. Gerhardt

GROSS SIND DIE WÜSTEN, UND ALLES IST WÜSTE
Gross sind die Wüsten, und alles ist Wüste.
Ein paar Tonnen Steine und Ziegel daruber können doch nicht den Boden verdecken, den Boden, der alles ist.
Gross sind die Wüsten und die Seelen verlassen und gross –
verlassen, weil nichts sie durchzieht als sie selber,
gross, weil man alles von ihnen aus sieht, und alles ist tot.

Gross sind die Wüsten, meine Seele! Gross sind die Wüsten.

Ich hab’ keinen Fahrschein fur dieses Leben gekauft,
ich hab’ die Tür zum Gefühl verfehlt,
allen Willen, alle Gelegenheiten verpasst.
Heute, kurz vor der Reise, bleibt mir nur noch,
mit offenem Koffer, der auf das lange verschobene Packen wartet,
mit den Hemden, die nicht hineinpassen, auf dem Stuhle sitzend,
Heute bleibt mir (ausser der Unbequmlichkeit, so zu sitzen) nur eines:
Zu wissen:
Gross sind die Wüsten, und alles ist Wüste.
Gross ist das Leben; dass Leben vorhanden ist, lohnt nicht.

Ich packe den Koffer besser, wenn nur die Augen ans Packen denken
als wenn die kunstlichen Hände packen (ich glaube, ich drucke mich richtig aus).
Ich zünde die Zigarette an, um die Reise aufzuschieben, um alle Reisen aufzuschieben, um das gesamte Weltall aufzuschieben.
Komm morgen wieder, Wirklichkeit! Für heute reicht es, ihr Herren!
Vertag dich, allmächtige Gegenwart! Besser nicht sein als so sein.

Kauft dem Kinde, aus dem aus Versehen mein Ich entstand , Schokolade
und nehmt das Warenschild weg, denn morgen ist das Unendliche.

Aber ich muss den Koffer packen, ich muss unbedingt den Koffer packen, den Koffer Ich kann nicht die Hemden in der Hypothese mitnehmen
und den Koffer in der Vernunft.
Gewiss, mein Leben lang hab’ ich den Koffer packen mussen.
Aber mein Leben lang musste ich auch auf der Ecke mit den gestapelten Hemden sitzen, wie ein Stier, der nicht zum Apis gedieh, mein Schicksal käuend.

Ich muss den Seins-Koffer packen.
Ich muss existieren, indem ich Koffer packe.
Die Zigarettenasche fällt auf das oberste Hemd des Stapels.
Ich schaue zur Seite und stelle fest, dass ich schlafe.
Ich weiss nur, dass ich den Koffer zu packen habe,
und dass die Wüsten gross sind und alles Wüste,
und denke an irgendein Gleichnis daruber, aber ich habe es schon vergessen.

Aufeinmal erhebe ich mich – wie alle Cäsaren.
Ich werde endgültig Koffer packen.
Zum Teufel! Ich muss ihn packen schliessen;
muss sehen, wie man ihn fortträgt,
muss unabhangig von ihm existieren.

Gross sind die Wüsten und alles ist Wüste;
Irrtum naturlich vorbehalten.
Arme menschliche Seele, deren Oase nur in der benachbarten Wüste!

Besser noch Koffer packen.
Ende.

Alvaros de Campos

Si desde que nací cuanto he pensado,
Cuanto he solicitado y pretendido,
Ha sido vanidad y sombre ha sido,
De locas esperanzas engañado,

Si no tengo de todo lo pasado
Presente más que el tiempo que el perdido,
Vanamente he cansodo mi sentido
Y torres en el viento fabricado.

Cuán engañada el alma presumía
Que su capacidad pudiera hartarse
Con lo que el bien mortal le pormetía :

Era su esfea Dios para quietarse,
Y como fuera dél lo pretendía,
No pudo hasta tenerle sosegarse.

Lope de Vega (1562-1635)

Waar al wat ik gedacht heb in mijn leven,
Al wat ik heb gewild en nagestreefd,
Slechts luchtkastelen opgeleverd heeft,
Door ijdele verwachting ingegeven,

En waar van alles wat ik heb beleefd
Alleen de tijd die weg is is gebleven,
Blijkt iedere gedachte om het even,
En waan wat mij voor ogen heeft gezweefd.

De dwaze ziel die zich door aardse pracht
En sterfelijke schoonheid liet verblinden
En daar voldoening in te vinden dacht,

Versmacht naar God, en wat zij verder in de
Ontreddering ook naar een rustpunt tracht,
Zij zal haar rust tot zij Hem heeft niet vinden.

Vert.: J.P.Rawie

Sterren plukken
Sterren plukken, frambozen ’s nachts van een struik
uit het donker, het fluweel, de tijd van de eenling.
Zachtheid ademen, warmte omhullen
met barmhartige eenzaamheid, die van geraas verlaten,
spreekt door stilte, rijpend met een geheim,
verder gaan, als op poezevoeten
onsterfelijk gemak kennen, gestolen uit de levensbron
een goddelijk ijzeren rantsoen wordt hier niet uitgedeeld
tussen bestaan en bestaan, tussen niets en niets.
Opgerold liggen op de grond, aarde ruiken,
die goeie broodkorst. Groeien en groeien,
een embryo in de schoot van het grote erbarmen.
Amir Gilboa

Ik ben
Mijn lied zocht verbeten naar draden in het woud,
verborgen vezels, kostbare was,
snoeide takken en liet de eenzaamheid
geuren met lippen van hout.

Elk wezen had ik lief, elke druppel
purper of metaal, water en aren,
de dikke lagen, door ruimte en drijfzand bewaakt,
drong ik binnen
en als een dode zong ik met gebroken mond
in de druiven van de aarde.
Klei, slijk, wijn, alles overdekte me,
ik werd gek toen ik de heupen aanraakte
van de huid, haar bloem brandde
als vuur in mijn keel,
mijn zinnen dwaalden in de steen
en haalden gesloten littekens weer open.
Alles werd tederheid en bronnen.
er restte enkel nog nachtmuziek.

Ik hield niet van de dode goedheid in de straten.
Ik moest niets weten van haar stinkende water,
ik raakte haar besmette zee niet aan.
Ik groef het goede uit als een metaal, ik wroette
dieper dan de bijtende ogen
en tussen de littekens groeide
mijn hart dat op zwaarden geboren werd.
Ik ging mijn vijanden niet zoeken op het plein,
ik lag niet op de loer met gemaskerde hand,
ik groeide enkel mee met mijn wortels
en de bodem uitgestrekt onder mijn masten
ontcijferde de slapende aardwormen.

Ik schrijf voor het volk, ook al kan het
mijn poëzie niet lezen met zijn boerenogen.
Eens komt de dag dat een regel, de melodie
die mijn leven veranderde, ook hun oor bereikt,
dan zal de boer de ogen opslaan,
de mijnwerker zal glimlachend stenen houwen,
de arbeider veegt zijn voorhoofd af,
de visser zal beter zien hoe de vis schittert
die trillend in zijn handen brandt,
de schone, pas gewassen monteur die nog
geurt naar zeep zal mijn gedichten bekijken
en misschien zeggen ze dan: ‘Hij was een kameraad’.
Dat volstaat, ik wens geen andere kroon.
Ik wil dat bij de uitgang van mijnen en fabrieken
mijn poëzie aan de aarde kleeft,
aan de lucht, aan de overwinning
van de mishandelde mens.

Steeds weer ben ik herboren uit de diepten
van verwoeste sterren, ik nam de draad weer op
van de eeuwigheid die ik met eigen handen bevolkte,
en nu ga ik sterven, zonder meer, met aarde
op mijn lichaam, voorbestemd aarde te zijn.
Ik heb geen stukje hemel gekocht
van de priesters. Ik heb ook de duisternis niet aanvaard
die de metafysicus uitvond
voor de zorgeloze rijken.
In de dood wil ik bij de armen zijn
die geen tijd hadden erover na te denken,
terwijl ze geslagen werden door hen die
de hemel bezitten. netjes verdeeld en geordend.
Ik laat de arbeiders uit de kopermijnen,
de delvers naar steenkool en salpeter,
mijn huis bij de zee is van Isla Negra.
Ik wil dat het een rustplaats wordt
voor de mishandelde zonen
van mijn vaderland, geveld door bijlen en verraders.
in hun heilig bloed gesmoord,
verteerd in vulkanische lompen.
Bij de zuivere liefde die heerste in mijn gebied
wil ik dat de vermoeiden rusten,
de donkeren mogen zich om mijn tafel scharen,
de gewonden mogen slapen in mijn bed.
Broeder, dit is mijn huis, betreed de wereld
van zeebloemen en besterde steen
die ik schiep, vechtend in mijn armoede.
Hier in mijn raam ontstond de klank
als in een groeiende kinkhoren,
later kreeg die klank vastere vorm
in mijn verwarde aardrijkskunde.
Jij komt uit gloeiende gangen.
uit tunnels gebeten door de haat,
doorheen de zwavelsprong van de wind:
hier vind je de vrede die ik voor jou bewaarde.
P. Neruda

Silentium

Ze rust nog in de moederschoot,
Ze is muziek en woordenreeksen,
En dus de kern, niet te verbreken,
Van al hetgeen God leven bood.

Zeeboezem, kalme ademingen,
Krankzinnig helder is dit uur,
En in een vat van zwart-azuur
Deint schuim, bleekwit zoals seringen.

Dat van mijn lippen komen zal
Wat in oerstilte lag verzonken,
Wat altijd zuiver heeft geklonken,
Zoals een noot van puur kristal!

Tracht, Afrodite, schuim te blijven,
Weerkeer naar de muziek, o woord,
En hart, laat harten ongestoord
Die één zijn met de bron van leven!

Ossip Mandelstam – vertaling Peter Zeeman

Silentium

Zij is nog ongeboren.
Zij is muziek, maar ook het woord
en daarom de band, niet te verbreken,
van al wat leeft.

Kalm ademen de borsten van de zee
maar vol licht, als waanzinnig, is de dag
en bleek seringenschuim
deint in het zwart-azuren vat.

Mogen mijn lippen ooit
oer-zwijgen vinden
zoals een toon: helder kristal
en vanaf zijn geboorte zuiver!

Blijf zeeschuim, Aphrodite!
Woord, keer terug tot de muziek
en hart, heb beschroomdheid voor een mede-hart,
één met het grondbeginsel van het leven!

Ossip Mandelstam – vertaling Kees Verheul

DE LEGE BOOT

Hij die mensen regeert
leeft in verwarring;
hij die door anderen geregeerd wordt
leeft in smart.
Daarom wenste Tau
noch de anderen te beïnvloeden
noch door hen beïnvloed te worden.

De manier om uit de verwarring
te komen en je te bevrijden
van smart is te leven met Tau
in het land van de Grote Leegte.

Als een mens zijn eigen skiff roeit
en zijn boot bij het oversteken
van de rivier omslaat,
dan wordt hij niet kwaad,
al is hij een driftig man.
Maar als hij nog een ander in de boot ziet
dan zal hij hem toeschreeuwen
dat hij beter moet sturen.
Als deze schreeuw niet gehoord wordt,
schreeuwt hij nog eens
en dan begint hij zelfs te vloeken.
En alleen maar omdat er nog iemand
in de boot zit.
Als de boot leeg was geweest
was hij niet uitgevallen
of gaan schreeuwen.

Als je eigen boot leeg is
bij het oversteken
van de rivier van de wereld,
dan zal niemand tegen je ingaan;
niemand zal je willen kwetsen.

Een rechte boom
wordt het eerste omgehakt.
Een bron van helder water
staat het eerst van alle droog.
Wanneer je wijsheid wilt vergaren
en je schaamt over je domheid,
als je je karakter wilt verbeteren
en anderen verlichten,
dan zal een licht je gaan omstralen,
alsof je zon en maan had ingeslikt –
voor rampen zul je niet uit de weg gaan.

Een wijs man heeft eens gezegd:
‘Hij die tevreden is over zichzelf
heeft een waardeloos werk verricht.
Succes is het begin van mislukking.
Roem is het begin van schande.’

Wie kan zichzelf
zonder succes denken, zonder roem,
en de laagste plaats innemen
tussen de mensen?
Hij zal zijn als Tau, onzichtbaar.
Hij zal als het Leven zelf zijn
en geen naam hebben en geen thuis.
Simpel zal hij zijn, zonder
enige onderscheiding en voor velen
zal hij zijn als een dwaas.
Zijn voetstappen laten geen sporen na.
Macht heeft hij niet.
Hij bereikt niets; hij heeft
geen enkele reputatie.
Aangezien hij niemand oordeelt,
wordt hij door niemand geoordeeld.
Zo vaart de volmaakte mens:
zijn boot is leeg.

Tswang

stok 15

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s