Boomgedicht

stok 09b

 

Alle gedichten op PDF: boomgedicht compleet

 

Boomgedicht

Plant een boom in de vruchtbare aarde van je bloed. Ook de ziel heeft schaduw nodig. “ zei hij.
“Welk aandeel aan verantwoordelijkheid heb ik tegenover anderen? – Dat deel dat een boom tegenover het bos zou kunnen hebben. We zijn geplant.”,  zei hij.
Edmond Jabès

Motto:

El día abre la mano
Tres nubes
Y estas pocas palabras

De dag opent zijn hand
Drie wolken
En deze paar woorden

O. Paz

Inhoud:
BOOMGEDICHT

• Motto: De dag opent zijn hand O. Paz
• Het mysterie der dingen F. Pessoa
• Spreken en zwijgen  Arno Nadel
• Aan een vroeggestorvene G. Trakl
• De Jood Simon Kronberg
• HET BERKJE Ad Booijen
• Onder de appelboom Rutger Kopland
• Aan een boom in het vondelpark M. Vasalis
• Diep van mijzelf  M. Vasalis
• IN EEN onbewaakt ogenblik Hanny Michaelis
• Voorzichtig beginnen Gabriël Smit
• Boom, langzaam uitspreken Gabriël Smit
• De handen van de bomen Gabriël Smit
• IN BEWEGING  Carl-Erik Geijerstam
• Twee fragmenten uit het werk van Armando:
• Landschap Paul Celan
• In het laatrood Paul Celan
• STEEDS DIT BEELD  Edmon Jabès
• ALS TUIN C.O. Jellema
• Beeldwoord C.O. Jellema
• Het licht Martinus Nijhoff
• Boom uit leed Tadeusz Rósewicz
• PRELUDIUM Tomas Tranströmer
• SAMENHANG Tomas Tranströmer
• MELANCOLIA J v.d. Waals
• UTOPIA Wyslawa Zsymborska
• Boombeschrijving Hans Andreus
• De boom als larix Hans Favery
• De bomen treuren na het onweer Hans Lodeizen
• God zat onder de appelboom Hans Lodeizen
• Als een boom Hans Lodeizen
• BUCHENWALD H.J. van Tienhoven
• KASTANJE H.J. van Tienhoven
• STAMBOOM H.J. van Tienhoven
• DE BOOM EN DE WOLKEN Tomas Tranströmer
• AANGEZICHT TOT AANGEZICHT Tomas Tranströmer
• APPELBOOMPJES – Vasalis
• AAN EEN BOOM IN HET VONDELPARK – Vasalis
• AAN EEN BOOM – Vasalis
• ACHTER EEN DIKKE BOOM – K. Ouwens
• Winterbomen – S. Plath
• Olm – S. Plath
• Een ranke loot – Armando
• ’s nachts. de bomen – Armando
• Ets – G. Achterberg
• Telex – G. Achterberg
• Cross-county – G. Achterberg
• Onder de bomen – H. Andreus
• Bomen- H. Andreus
• Boombeschrijving – H. Andreus
• Bos – H. Andreus
• Tussen bomen – H. Andreus
• De bossen in of Good old Darwin – H. Andreus
• Levensboom – H. Andreus
• DE BOOM – Klaus Rifbjerg
• BOMEN – Eugenio Montejo
• EEN BOOM OP DE HEUVEL – Ivon Tzanev
• OUDE BEGRAAFPLAATS IN HET BOS – Paal Helge Haugen
• DENNENBOSSEN – Jana Beranová
• DENNENBOS – H.H. ter Balkt
• GROTE BEUK – H.H. ter Balkt
• GEDULDIGE KASTANJE DRAAGT DE OORLOGSHEMEL – H.H. ter Balkt
• HET 93 en 14e VISIOEN VAN HADEWIJCH – H.H. ter Balkt
• ODE AAN DE LEILINDEN EN DE LINDEBOOM H.H. ter Balkt
• HYMNE AAN DE WALNOTENBOOM – H.H. ter Balkt
• …’s LIEDJE – J. v.d Waals
• DE BEUKEN – J. v.d Waals
• KASTANJES – J. v.d Waals
• DE PEREBOOM – J. v.d Waals
• HERFST – J. v.d Waals
• ROZENBOOMPJE – J. v.d Waals
• Vom Leben der Baumen – E. Jandl
• Boom water tuin A. Enquist
Het mysterie der dingen, waar is dat?
Waar is het, dat het zich niet laat zien
Althans om te tonen dat het mysterie is?
Wat weet de rivier hiervan en wat de boom?
En ik, die niet meer ben dan zij, wat weet ik ervan?
Telkens als ik naar de dingen kijk en denk aan wat de mensen ervan denken,
Lach ik zoals een koele bergbeek klatert over stenen.

Want de enige verborgen zin der dingen
Is dat ze geen enkele verborgen zin hebben.
Het is vreemder dan alles wat vreemd is,
Vreemder dan de dromen van alle dichters
En de gedachten van alle filosofen,
Dat de dingen werkelijk zijn wat ze lijken te zijn
En dat er niets te begrijpen valt.

Ja, dat hebben mijn zintuigen helemaal alleen geleerd:
De dingen hebben geen betekenis: ze bestaan.
De dingen zijn de enige verborgen zin der dingen.

F. Pessoa

Spreken en zwijgen
‘Boom – daad van warme gronden,
jouw stam verheft zich stijl,
lucht-splijtend, en is toch rond,
een teken Gods.
en boven jou de heilige bladerkroon,
uit de diepte opgehoopt.
Hij wiegt zachtjes als Gods droom,
ik sta voor je en peins, boom, boom, boom!
En ben in louter benauwenis, brand en snikken’.

Arno Nadel – vermoord in Auschwitz

Aan een vroeggestorvene

O, de zwarte engel die stil uit het binnenste van de boom trad,
Toen wij tere speelkameraden in de avond waren,
Bij de rand van de blauwige bron.
Rustig was onze tred, de ronde ogen in de bruine koelte van de herfst,
O, de purperen zoetheid der sterren.

Hij echter liep de stenen trappen van de monniksberg af,
Een blauwe glimlach op het gelaat en wonderlijk verpopt
In zijn stillere kindertijd, en stierf;
En in de tuin bleef het zilveren gelaat van de vriend achter,
Luisterend in het loof of in het oude gesteente.

Ziel zong de dood, de groene ontbinding van het vlees
En er was het ruisen van het bos,
De vurige klacht van het wild.
Steeds klonken uit schemerende torens de blauwe klokken van de avond.

Het ogenblik kwam dat hij de schaduwen zag in de purperen zon,
De schaduwen van het bederf in kale takken;
Avond, toen bij schemerende muur de merel zong,
De geest van de vroeggestorvene stil in de kamer verscheen.

O, het bloed dat uit de keel van de klinkende vloeit,
Blauwe bloem; o de vurige traan
De nacht in geweend.

Gouden wolk en tijd. In eenzame kamer
Vraag jij vaker de dode te gast,
Wandelt in innig gesprek onder olmen de groene rivier langs.

G. Trakl

De Jood
Uit alle wouden dezer wereld een boom
Draagt hij zijn kroon aardwaarts, als in een droom.
Het blad, de bloesem met het groen, de geurige wasem
In de aarde diep, weren zij licht en asem.
De wortel, machtig reikt tot in ’s hemels baldakijn
Gevoed in ’t paradfijs met Godes wijn.
Diep in de stam sijpelt hij tot de verstikten.
In ’t graf, groen, bloeien de verkwikten.

Simon Kronberg
HET BERKJE
In het grote stille woud
staat het kleine witte berkje
als een handenarbeidwerkje,
tussen bomen, zwaar en oud.
Zilver tussen brons en goud.

In de warmte van de zon,
in de koelte van de regen,
in de schaduw van verlegen
hoge bomen in de wind.
Als een vroeg verlaten kind.

Als het nachtblauw pakpapier
het bos tot in de verste takken
schier onmerkbaar in gaat pakken,
trilt het kleine berkje even,
zie je flauw zijn takken beven.

En het houdt de adem in.
Alle struiken, alle bomen
weten wat er dan gaat komen,
’t hele bos weet dan allang:
onze berk is stervensbang.

Het staat stokstijf in de nacht
wit en spichtig spook te wezen;
dodelijk bleek zichzelf te vrezen.
Angst en vrees hebben de macht.
Angst en vrees houden de wacht.

En de bomen in het rond
zouden ’t doodbevreesde berkje
in hun takken willen bergen.
Maar zij weten, dat hun troost
slechts de angst en vrees vergroot.

Vastgenageld aan de grond
zien de machteloze bomen
’t onafwendbare einde komen.
Angst roept angst op en weerkaatst
oorverdovend op het laatst.

Toen in een novembernacht
is de berk van angst gestorven.
Is het berkje doodgegaan.
En de bomen hieven zacht –
ruisende hun treurzang aan.

Ad Booijen

Onder de appelboom
Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar.
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en ver weg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij,
voor onze leeftijd.

Rutger Kopland

Aan een boom in het vondelpark
Er is een boom geveld met lange groene lokken.
Hij zuchtte ruisend als een kind
terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
met slepend haar en met de geur van jeugd
stromende uit zijn schone wonden,
het jonge hoofd nog ongeschonden,
de trotse romp nog onverslagen.

M. Vasalis

Diep van mijzelf
Diep van mijzelf en van mijn zang vervreemd
hoor ik in twijfel niets dan toon na toon,
ontken de wijs, de oude, diepbeminde melodie,
ontken ik al wat naar verbinding zweemt,
ontken ik in de grootste eenheid hoon.
Afzonderlijk, vervreemd, is alles wat ik zie.

Een boom bespiedde ik, haast de ganse dag,
het regende gestaag
en blad na blad neeg naar beneden als een druppel woog
en drupte en rees zacht omhoog…
Zo regende het van blad op blad,
zo regende het de ganse dag.

Het regende en ik neig en rijs
met kleine wanhoop in het grijs gemoed.
Ik ben zo ziek…
Waar bleef de hemelse muziek,
de eenheid in het aardse zingen.
Ik hoor alleen, dat alles lijdt,
ziek van de veelheid van de dingen,
van hun volstrekte eenzaamheid.

M. Vasalis

IN EEN onbewaakt ogenblik
hunkerend binnengeslopen
dwaal ik in je rond.

Een barbaars landschap
dragend de schaarse tekens
van je aanwezigheid:
de ontbladerende boom
die geen schaduw werpt,
het zwartgeblakerd struikgewas,
de verdroogde kreek
tussen de rotsen
en diep onder de grijze
dorstige aardkorst
het gesmoorde ruisen
van murmurend water
dat geen uitweg vindt.

Hanny Michaelis

Voorzichtig beginnen
Voorzichtig beginnen, aandachtig kijken,
pen opnemen, hand vastbesloten, overal
oor zijn, aan muren, ramen, tafelblad,
in mijn nek, mijn borst, ragdunne lijnen

spannen om alles op te vangen, te peilen,
weten: dit is niet een kamer in een huis dat
aan een weg in Laren staat, maar dit is al
wat is en in mij zichzelf wil begrijpen.

Wat ik hier zie en zeg roept om leven,
wil groeien als een boom aan een rivier,
een toren in een stad, een ontembaar teken,

wil zijn wat het is, wil met mij en allen
en alles wereld zijn, geluk nu en hier,
stem waarop alle stemmen invallen.

Gabriël Smit

Boom, langzaam uitspreken
Boom, -langzaam uitspreken, maar nog niets
in mijn dorre denkhoofd, achter mijn raamogen
nog geen reikende long van groen, geen stromen
van blad, geen geheim van licht vogelvertier.

Denken, denken, naar binnen kijken, uitzien
over herinnering, gierig op dromen,
de eerste keer volkomen willen terughoren
maar nergens antwoord, geen leven te zien.

Sla takken door mijn ogen, word knoppen
in mijn vingers, ga open, groei een bos
in mijn borst dat nooit zal verdorren,

een hemelzee levend groen voor al wie
sterft van overal steen, sla lover los
opdat ik kan geloven wat ik zie.

Gabriël Smit
De handen van de bomen
De handen van de bomen,
de stemmen hoger,
maar nog lang zal het duren.
voor ik voldoende weet;
er moet nog veel gebeuren
om mij heen.
De wereld moet steiler open.

Ik moet stenen breken
en turen naar openingen in
het water. Soms denk ik:
niet voor ik dood ben geweest en
teruggekeerd aan de tafel hier,
een Lazarus met opendichte ogen,
handen waaraan alles gebroken
is, een hart dat geen weerstand biedt.
Alles is ingehaald, eindig, bros,
uit een laatste ijlte
doorzichtig reiken
naar een voorlopig lot.

Stenen breken en voorover,
luisteren naar het hardste hart
van de stilte, geloven
dat levend spreken nooit ophoudt, dat
oneindig dieper een adem van taal
ontspringt binnen de blinkende kilte
van het kristal, geschitter,
opspringend vuur van ijs.

Verrukking voorbij
de uiterste grens, extase
van uw laatste woord – waar alles
gegrendeld schijnt blijft Gij
toespreken in oversneeuwde aarde,
fluistert voorjaar in aderen
van verholen vruchtbaarheid.

Mensen zijn
duizendmaal harder,
oneindig verder,
vrieskou binnen elkanders armen,
in winter van wanhoop verloren warmte,
ik doe wat ik kan,
ik ben bang.

Leg een lichthand over de liefste ogen,
zeg: jij, jij en: hier ben ik,
zeg: wacht, wees stil,
ik ben bezig te komen,
een mens blijft zijn huid,
zijn eigen huis,
besneeuwd is alles,
uit innigste hoogte vallen
vlokken van eeuwige eigenheid.

Ik doe wat ik kan, ik blijf
ademhalen,
wonen, slapen,
aan tafel zitten, eten, naar buiten kijken
over de polder waar vogels drijven
op bevroren licht,
een ijzig wiekende kring.

Vogels, vogels, -hoe alleen,
altijd wij samen, wij hebben
de zelfde hemel,
er komt leven
in.
Gabriël Smit

IN BEWEGING
Als je door een laan loopt waarlangs alle bomen diepgeworteld en sinds lang onbewegelijk staan, als je zo al dit stilstaande passeert, kun je plotseling een trilling bespeuren, een licht dansende beweging, komend uit de schors, uit haar stugge terughoudendheid. Het is alsof iedere boom een ongeziene kracht in zich bergt, een bedwongen explosie, de allerstilste en allerbeminnelijkst zintuigelijke –het zwevende begin van een beweging. Zoals je voet soms een paar lichte danspassen maakt, dan in een onbekend ritme raakt en nieuwe patronen laat ontstaan -in het onveranderlijke.
Carl-Erik Geijerstam

Twee fragmenten uit het werk van Armando

Deze boom is haast groter dan een wolk, de
Wolk is bleker dan de maan.

Hier wordt overnacht.

wil deze zuil tot boom vervormen,
laat dit woord tot storm verworden,
maar dit sombre oog verschralen tot de dood mij vinden wil;
het vreest een wetend leven.

Armando

Landschap
Jullie hoge populieren – mensen van deze aarde!
Jullie zwarte vijvers geluk – jullie spiegelen ze dood!

Ik zag je, zuster, staan in deze glans.

Paul Celan

In het laatrood
In het laatrood slapen de namen:
een
wekt je nacht
en voert hem, met witte staven langs-
tastend aan de zuidwand van het hart,
onder de dennen:
een, van menselijke gestalte,
schrijdt naar de pottenbakkerstad toe,
waar de regen zijn intrek neemt als vriend
van een uur van het meer.
In het blauw
spreekt zij een schaduwbelovend boomwoord,
en je lieve naam
rekent zijn letters daartoe.

Paul Celan

STEEDS DIT BEELD
Steeds dit beeld
van de hand en van het voorhoofd,
van het schrift, dat
aan het denken terugviel.

Als de vogel in het nest,
zo rust mijnhoofd in mijn hand.
Te prijzen bleef de boom,
als niet overal woestijn zou zijn.

Onsterfelijk voor de dood.
Het zand is ons
onzinnig erfdeel.

Kon toch deze hand,
waarin de geest zich vlijt,
vol zaad zijn.

Morgen is een andere termijn.

Wisten jullie, dat onze nagels
eens tranen waren?
We schrammen de muren met ons wenen,
dat zich heeft verhard als onze kinderlijke harten.

Iedere redding komt te laat,
als het bloed de wereld overstroomd heeft.
Ons resten slechts de armen,
om zwemmend de dood in te halen.

(Aan gene zijde van de zee, over de bergkammen
een piepkleine niet geïdentificeerde planeet,
handen verenigd, ronde handen overvol,
aan de zwaartekracht ontsnapt.)

Wanneer wij het geheugen terugontvangen –
zal dan de liefde eindelijk haar leeftijd kennen?

Geluk van een oud gedeeld geheim.
Aan het al klampt zich nog
de hoop van het eerste woord;
aan de hand het verfrommelde blad.
Tijd is er enkel voor het ontwaken.

Edmond Jabès

ALS TUIN
’t Moest zijn dat buiten wat je hand aanraakt 
van jou bezit nam als de reeds verwachte: 
je hebt grond om te planten los gemaakt, 
je legt jezelf weg plantend in de zachte 

gerede aarde; of je voelt hoe zwaar 
vruchten een ongestutte tak bevrachten 
en om jouw zorg wordt de boom eigenaar 
en drager van toekomstige gedachten: 

de tijd ging over in bestendigheid, 
wat groeit en bloeit bedacht en droomde jou, 
en wie jou overleed maakte niet uit: 

het grasveld werd je groen, en wit de geit, 
werd stem uit huis: kom handen wassen gauw, 
op tafel in de blauwe schaal vers fruit.
C.O. Jellema

Beeldwoord. Nu schrijf ik het. God. Stil.
Het zwijgen van de taal is luider dan
wat winterwind in kale bomen kan
veroorzaken: het minste takgetril
breekt wat beweging niet verlangt. De wil
om dit te lezen als symbool, daarvan
bevrijd te zijn, gedacht systeem, als plan –
beeld of bedoeling maakt toch geen verschil?

Beijzeling. Het licht, gefilterd in de
vitrages, tekent letterlijk de linde-
boomtoppen tussen hier en ginds. Daarin

grammatica en de syntaxis vinden.
In de slaap geeft hij het aan zijn beminden:
beelden. Wie waakt ontwaakt in woordbegin.
C.O. Jellema

Het licht
Het licht, Gods witte licht, breekt zich in kleuren:
Kleuren zijn daden van het licht dat breekt.
Het leven breekt zich in het bont gebeuren,
En mijn ziel breekt zich als ze woorden spreekt.

Slechts die zich sterven laat, kan ’t leven beuren:
O zie mijn bloed dat langs de spijkers leekt!
Mijn raam is open, open zijn mijn deuren –
Hier is mijn hart, hier is mijn lichaam: breekt!

De grond is zacht van lente. Door de boomen
Weeft zich een waas van groen, en menschen komen
Wandelen langs de vijvers in het gras –

Naakt aan een paal geslagen door de koorden,
Ziel, die zichzelve brak in liefde en woorden:
Dit zijn de daden waar ik mensch voor was.

Martinus Nijhoff

Boom uit leed
De hele dag groeit
De boom uit leed
De boom uit regen
Uit nevels woorden en zwijgen

In de stalen rib van de brug
Sloeg
De sneltrein in

In de nis die de ingenieur
De armen liet
Wacht ik op mijn vertrek

Mijn leed maakt zich los en valt
Een enkele traan lost
Deze wereld uit ijzer
Beton en goud op

Jij echter bent de kroon
Van de boom die groeit
In mij van vroeg
Tot laat.

Tadeusz Rósewicz

PRELUDIUM
Ontwaken is een parachutesprong uit de droom.
Vrij van de verstikkende maalstroom zinkt
de reiziger de groene gordel van de ochtend tegemoet.
De dingen laaien op. Hij bespeurt -vanuit de vibrerende positie
van de leeuwerik -de onderaards zwaaiende kroonkandelabers
van de immense boomwortelstelsels. Maar bovengronds
staat – in tropische overvloed -het groen
met geheven armen te luisteren naar
het ritme van een onzichtbaar pompgemaal; Hij
zinkt naar de zomer, wordt neergelaten
in zijn verblindende krater, in schachten
van vochtig groen gelaagde tijd,
trillend onder de zonneturbine. Dan wordt deze
loodrechte reis door het ogenblik beëindigd en spreiden
vleugels zich in de zweefstand van de visarend boven een
waterstroom uit.
De vogelvrije klank
van een hoorn uit de brons-periode
hangt boven het bodemloze.
In de eerste uren van de dag omvaamt het bewustzijn
de wereld zoals de hand een zonwarme steen vastgrijpt.
De reiziger staat onder de boom. Zal er zich,
na zijn val door de maalstroom van de dood,
boven zijn hoofd een groot licht ontvouwen?

Tomas Tranströmer

SAMENHANG
Zie de grauwe boom. De hemel is door
zijn vezels de aarde ingestroomd –
wanneer de aarde gedronken heeft rest
slechts een verschrompelde wolk. Ontvreemde ruimte
in het vlechtwerk van wortels gewrongen,
omgesponnen tot gebladerte. -Deze korte momenten
van vrijheid ontstijgen ons, wervelen
door het bloed der schikgodinnen en verder.

Tomas Tranströmer

MELANCOLIA
Toen ik door het maanlicht liep
En de paden meed,
Bang, dat ik den tuin, die sliep,
Wakkerschrikken deed
Door het ritselend gerucht
Van mijn kleed en voet-
De oude boomen! die een zucht
Wakkerschrikken doet.
Toen ik naar den vijver ging
Door het korte gras,
Naar den boom die overhing
In den vijverplas,
Waar het water inkt geleek,
En zoo roerloos sliep,
Of het oog in ’t duister keek
Van een peilloos diep,
Waar het windgefluister klonk
Door het popelblad…
Weet gij, wie op d’ elzentronk
Mij te wachten zat?
Vleermuisvleugelige vrouw,
Die mij ’t eeuwig jong,
’t Eeuwig oude lied van rouw
Vaak te voren zong,
Tot ik in den maneschijn
Zacht heb meegeschreid
Met het eeuwenoud refrein:
“Alles ijdelheid.”
Hebt ge hier op mij gewacht,
Denkend, dat ik sliep?
Hebt gij zóó aan mij gedacht,
Dat uw geest mij riep,
Dat ik staan kwam aan het raam
En onrustig werd
Door het roepen van mijn naam
Uit de lichte vert’?….
Toen ik u hier wachten vond
En met stillen schrik
In den peilloos diepen grond
Staarde van uw blik,
Toen ik zwijgend binnentrad
En in zwarte schauw
Uwer vleuglen nederzat,
Zwartgewiekte vrouw,
Heb ik, met uw hoofd gevleid,
Liefste aan mijn hart,
Zachtkens met u mee geschreid
Om der dingen ijdelheid
Om onze oude smart.
J v.d. Waals

UTOPIA
Het eiland waar alles wordt opgehelderd.
Hier kan men op vaste bewijsgrond staan.
Er zijn geen andere wegen dan de toegangsweg.
De struiken buigen door van alle antwoorden.
Hier groeit de boom van het Juiste Vermoeden
met eeuwig ontwarde takken.
De verblindend simpele boom van het Begrijpen
bij de bron die Ah Dus Zo Zit Het heet.
Hoe dieper her bos in, des te breder
het Dal der Vanzelfsprekendheden.
Rijzen er twijfels, dan verjaagt de wind ze.
De Echo neemt ongeroepen het woord
en verheldert graag de geheirnen van de werelden.
Rechts de grot waar de Betekenis ligt.
Links het  meer van de Diepe Overtuiging.
De Waarheid maakt zich los van de bodem en drijft zachtjes omhoog.
Boven het dal torent de Onwankelbare Zekerheid op.
Vanaf haar top strekt zich het Wezen der Dingen uit.
Ondanks al deze verlokkingen is her eilland onbewoond
en de vage voetsporen die je op de kusten ziet
wijzen zonder uitzondering in de richting van de zee.
Alsof men hiervandaan alleen vertrekt
en onherroepelijk in het diepste onderzinkt.
In een leven dat niet te doorgronden is.
Wyslawa Zsymborska

Boombeschrijving
Bomen zijn werkelijk. 
Hun bladeren praten werkelijk 
met woorden veelzeggend en letterloos.
Hun toppen zingen. 
Hun stammen zwijgen 
hoorbaar.
Hun wortels houden 
van de aarde.
Bij een boom 
staande moet ik wel 
ademen als een boom.
Naar een boom 
ziende zie ik 
hemel en aarde in elkanders 
armen.
Want een boom, 
een boom is een bruiloft.
Hans Andreus
SNEEUW
In deze sneeuw ben ik een tekening. 
Een plaat, waarop ik langzaam levend ben. 
Er is geen onderscheid tussen de boom en mij 
dan dat ik hier en daar bewegend ben. 

Verzonken in het eindeloze wit, 
dat om mij ligt geopend, ben ik dit. 
Bevangen door dezelfde zuiverheid, 
waar in de verte ook een kraai op zit.
Gerrit Achterberg

De overlevende
Wanneer mijn vader sterft, laat mij dan staan 
Vereenzaamd als een treurboom in ’n plantsoen 
Gesmukt met ’t teerste, avondlijkste groen, 
Bijna bebloesemd, sneeuwwit aangedaan. 

Bijna een bruid, boven de sponde waar 
Sinds kort mijn moeder ook een toevlucht vond; 
En ruischende hernieuw ik ’t oud verbond 
Met mijn diepst neergebogen treurgebaar. 

Zoo, treurend, zou ik willen sterven ook. 
Maar hoe te sterven, zoo ver boven hen? 
Erbarm u mijner, treurboom die ik ben, 
Gedoemd te bloeien onder de stadsrook, 

In ’t tweeslachtig plantsoen, geen stad, geen land, 
Dalend als sneeuw en stijgend als de bruid 
Boven mijn vaders doode handen uit 
In deze aarzellichte tusschenstand. 

Simon Vestdijk
Afgunst
Een boom kiest zorgvuldig zijn plaats 
om daar nooit meer weg te gaan. 
Met niets dan zonlicht en lucht 
versterken zijn wortels hun greep
op de wereld en neemt in zijn kruin 
het overzicht toe. Zonder beschutting 
wordt het leven in alle seizoenen pas 
echt getrotseerd. Dat op zijn stam 

onze hand zich soms neervlijt in een 
groet of is het een slinkse poging 
om van zoveel standvastigheid 
toch iets te ontvreemden?
Marc Tritsman
De boom als larix
is eerst spar uit de Do-
nauschule, voor hij zich
herinnert als de larix
die zijn boom blijft.

Nog vrijwel niets
heeft mijn vers

van wat zich doorbreekt

in het steigerend paard,
in de drie boeken,
in het doodshoofd
en in sommige andere
etsen van zijn hand.

Hans Favery

De bomen treuren na het onweer
En zinnelijk staan ze in de hemel
Die als het toneel is voor een tragedie:
Vol vreugde, praal en statigheid.

De wereld is als een park
De ark van Noach druipt van regen
En een eenzaam insekt kruipt
Met slappe vleugels tegen de ruit.

Hans Lodeizen

God zat onder de appelboom
Een mandje met lunch naast hem
Hij tastte naar de fles en dronk
En de engelen zongen: Halleluja.

Daarna floot hij en likte
Zijn vingers af en veegde
Zijn lippen schoon met een
Servet dat aan de boom hing.

Maar een stem zei: Pas op
God, dat gaat maar niet zó;
De mensen rotten als appels
En jij bent verantwoordelijk.

Of God het gehoord had of niet
Hij stak een cigaret op na
Zijn lunch, trok zijn schoenen
Uit en keek naar de boomgaard.

Hans Lodeizen

Als een boom
Die bloeit en overwintert
Als een lamp
Die uitgaat en aangaat
Zo gaat mijn liefde
Maar waarheen
Weten de jaargetijden…

Hans Lodeizen

BUCHENWALD
Tussen de bomen van vroeger
waar het lichtwater kon worden
klinken de stappen gedempter
achter de trom van het bloed.
Hoor de verdronkenen zingen
ongerept en beveiligd
tegen de dwang van het lichaam
boven de boomtoppen uit:

Moeders, laat ons nog eenmaal
over uw lichaam de nacht zien
met de verdonkerde manen
van uw gespleten borst.
Kamperfoelie van geuren
breekt wat vergeten werd open
onder de hemelen van een .
stilte die niemand schaadt.
Want de mei is gekomen
over de vogels de kleinen
over de snelle vossen
over de wijngaard des bloeds.

Draagt ons vergeten en vruchten,
moeders, de kinderen die wij
langzaam en onbeholpen
uit de klei der verwachting
hebben gekneed naar ons eigen
evenbeeld: God.

H.J. van Tienhoven

KASTANJE
De levenbrengende, de fakkeldrager,
’t veelhandig loofhout dat zijn licht ontstak,
de kaarsen brandend en van was bedropen,
de ziekenzaal verlichtend met één tak,

slaat in dit dodenrijk een bres van voorjaar,
een vlam die schrijnen kan maar niet verwondt;
totdat de bloesems vallen, nauwlijks hoorbaar,
één voor één, als wasdroppels op de grond.

Uit alle bedden zien de stenen ogen,
gestold reeds tot een onbewogen schrik,
de doodsengel, dienstvaardig en gebogen,
geluidloos bezig met veger en blik.

Zijn handen tasten naar dood vruchtbegin.
Hij snuit de kaarsen. -Schemering valt in.

H.J. van Tienhoven

STAMBOOM
De spechten die mijn stam te vinden weten
mogen er aankloppen om gulonthaal
en uit mijn lijfsvoorraden wormen eten
zonder te weten dat ik zon vertaal,

blad na blad vullend met geheimschrift, vlammen,
brandend op mijn bloedeigen stam geënt,
zolang de zomeravond wachten kan en
stil wordt van aandacht naar mij toegewend.

Niets gaat er straks teloor in ’t grote vallen,
niets wordt gewonnen dan die laatste zon.
Eet, spechten, eet. – Nog deze winter zullen
doden ontberen wat uit mij begon.

H.J. van Tienhoven

DE BOOM EN DE WOLKEN
Eboom in regen rond,
snelt ons voorbij in het neerstromend grijs.
Hij heeft een opdracht. Hij onttrekt leven aan regen
zoals een merel in een boomgaard.

Als de regen ophoudt blijft de boom staan.
In heldere nachten is hij te zien, recht en stil,
net als wij wachtend op het ogenblik
waarop sneeuwvlokken uiteenvallen in de ruimte.

Tomas Tranströmer

AANGEZICHT TOT AANGEZICHT
In februari stond het leven stil.
Vogels vlogen onwillig en de geest
schampte tegen het landschap zoals een boot
tegen de steiger waaraan hij ligt afgemeerd.

De bomen stonden met hun ruggen naar hier.
Sneeuwdiepte werd door dood riet gemeten.
Voetsporen verouderden buiten in de korst.
Onder een zeildoek kwijnde de taal.

Op een dag verscheen er iets voor het raam.
Het werk stokte, ik keek op.
De kleuren stonden in brand. Alles draaide zich om.
De grond en ik sprongen elkaar tegemoet.

Tomas Tranströmer

APPELBOOMPJES
Op een recht, zwart kousebeen,
dunne rokjes opgeheven,
dansend in de vroege regen
en de tuin voor zich alleen,

staan twee jonge appelbomen,
’t witte bloed omhooggestegen,
vlinderhoofden wijd omgeven
door hun allereerste dromen.

Met hun smalle voet in ’t gras,
ingetogener en lomer
staan zij later in de zomer
na te peinzen hoe het was.

Voller wordend met de dagen,
vastgegroeid in ’t ogenblik,
bestemd, mijn zustertjes, -als ik –
te worden, rijpen en vrucht te dragen.
Vasalis

AAN EEN BOOM IN HET VONDELPARK
Er is een boom geveld met lange groene lokken.
Hij zuchtte ruisend als een kind
terwijl hij viel. nog vol van zomerwind.
Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

0, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
met slepend haar en met de geur van jeugd
stromende uit zijn schone wonden,
het jonge hoofd nog ongeschonden,
de trotse romp nog onverslagen.
Vasalis

AAN EEN BOOM
Soms kijk je door je smalle ogen
zo zomers of je door de blaadren kijkt.
twee smalle stukjes blauw. het lijkt
door ochtendnevellicht bevlogen.
Beweeg maar niet. Want wie kan het verdragen
wanneer een boom zijn wortelen verlaat
en dansen gaat~
Ik niet. En toch. je bent gemaakt om te bewegen.
in lange lijnen als een langzame muziek.
en dan weer stil te staan. omhoog. een slanke basiliek.
Daar kan ik beter tegen.
Ik ben vanavond in de tuin gegaan.
De bloemen waren alle wit. de maan
had haar ontroerd. Ik heb een boom omhelsd.
Hij was niet groot. zijn bast was hard.
m.aar .k voelde duidelijk het kloppen van een hart;
ik denk dat het alleen het mijne was.
Ik stond in het onzichtbare. natte en zware gras
en voelde me in .t paradijs gedreven.
Wie kan daar leven?

Vasalis

ACHTER EEN DIKKE BOOM
Het was acht uur.
Ik ging van huis en begaf mij buiten het dorp.
Het was koud. Een scherpe wind deed mijn
ogen tranen.
De grond waarop ik liep was hard als steen.
Ik volgde een bochtig pad.
Toen ik moe werd, ontkleedde ik mij
achter een dikke boom.
Maar ik bleef alleen, dat maakte
mij radeloos.
Want in mijn oor lag nog haar stem
en ik zag haar voor me, al hield ik de
ogen gesloten.

K. Ouwens

Winterbomen
Bij dageraad lost het blauwe op van uitvloeiende inkten.
Op hun vloeiblok van mist lijken de bomen
een botanische tekening –
Herinneringen groeien aan, jaarring op jaarring,
een reeks bruiloften.

Niets afwetend van miskramen en geroddel,
waarachtiger dan vrouwen,
schieten zij zo moeiteloos in het zaad!
Rukwinden zonder voetspoor proeven zij,
diep verzonken in geschiedenis –

Een en al vleugels, van een andere wereld.
Daarin zijn zij gelijk aan Leda’s.
O moeder van bladeren en zachtheid
wie zijn deze piëta’s?
Schaduwen van ringduiven zingen, maar verzachten niets.

Sylvia Plath

Olm
Voor Ruth Fainlight
Ik ken de bodem, zegt ze. Ik ken hem met mijn grote penwortel:
daarvoor ben jij zo bevreesd.
Ik vrees hem niet: ik ken hem maar al te goed.

Is het de zee die je in mij hoort,
al haar misnoegdheid?
Of de stem van het niets, die jouw waanzin was?

Liefde is een schaduw.
Al lig je nog zo om haar te roepen
luister: dit zijn haar hoeven: ze is er vandoor, als een paard.

Zo zal ik de hele nacht galopperen, onstuimig,
tot je hoofd een steen is, je hoofdkussen een kleine zode,
vol echo’s, echo’s.

Of zal ik het geluid van vergiften voor je meebrengen?
Dit is nu de regen, deze diepe stilte.
En dit zijn oogst: tinwit, als arsenicum.

Ik heb de gruwel van zonsondergangen doorstaan.
Verschroeid tot de wortel
staan mijn rode vezels in brand, een hand van draden.

Nu spat ik in stukken uiteen die als knuppels in het rond vliegen.
Zo’n vernielzuchtige wind
duldt geen inmenging: ik moet krijsen.

Ook de maan is genadeloos: ze wil me meeslepen,
wreed en onvruchtbaar als zij is.
Haar uitstraling verwondt me. Of misschien heb ik haar gevangen.

Ik laat haar los. Ik laat haar los
verminderd en vlak, als na radicale chirurgie.
Hoe bezeten en begaafd word ik van je kwade dromen.

Ik word bewoond door een schreeuw.
’s Nachts vliegt hij uit
op zoek, met zijn haken, naar iets om lief te hebben.

Ik ben doodsbang voor dat donkere ding
dat in mij slaapt;
de hele dag voel ik zijn zachte, vederachtige kronkelingen, zijn
boosaardigheid.

Wolken trekken voorbij en drijven uiteen.
Zijn dat de gezichten van de liefde, die bleke vervluchtigingen?
Jaag ik mijn hart daarvoor op?

Ik ben niet in staat tot meer kennis.
Wat is dit, dit gezicht
zo moorddadig in zijn wurggreep van takken?

Zijn slangenzuur kust.
Het versteent de wil. Dit zijn de afgezonderde, tergend trage gebreken
die doden, die doden, die doden.

Sylvia Plath

een ranke loot, zoon van een boom, die naast hem leeft,
dezelfde worden zij, de handen ineen, één vrucht-
zoet stamelt het water, de laarzen waden naar de oever en
verdwijnen.
dag in dag uit de grazende dieren hoedend, zingend.
hij is gezegend, geuren van vroeger vermoedend.

Armando

’s nachts. de bomen.
het zoeken van de storm.
de plechtige arm op jacht.
het vaandel woedend opzij.

het wapen hijgend naar voren.

Armando

ETS
De bomen waren tot een staalgravure
gebeten tijdens mijn afwezigheid.
Toen ik terugkwam stonden zij de tijd
tegen te houden en verscherpt te duren,

in droge naald gezet voor de azuren
avond, aftekenend hun takken wijd.
Daaronder lag het huis in veiligheid
en kon ik doorgaan met dezelfde uren

aan u besteed; zij bleven uitgespaard.
Ik had alleen de plaat binnen te treden ;
de voordeur achter mij op slot te doen.

De kamers hielden u bijeenvergaard.
Er hing een geur lavendel, onversneden.
Een grijze braam besloeg de ruit als toen.

G. Achterberg

TELEX
Bomen die buiten zijn, een nacht vol blad
dat aan elkander grenst, houden u bij.
Gij kunt zo ver niet gaan of aan weerszij
verzellen u de stammen langs het pad.

En in de steden doen de huizen dat ;
nemen u over van de laatste rij.
Water en wolk geleiden enerlei.
Al wat natuur is heeft u ingevat.

Wij volgen u over het wereldrond.
Ik krijg bericht uit onbekende streken,
dat daar van uw voorbijgaan is gebleken.

Het was te merken aan de morgenstond,
stiller dan ooit. Een bovengrondse lijn
doet van uw gangen op de hoogte zijn.

G. Achterberg

CROSS-COUNTRY
Dwalend onweidelijk door bos en beemd,
kruiselings op de aangegeven paden,
kom ik u in de hemelsbreedte nader ,
maar blijf u telkens een armlengte vreemd.

Boomstammen blijken dan zo dicht vereend,
dat ze een muur vormen. Gij slaat het gade
tussen de cryptogamen en nachtschade,
hebbend een handgebaar, om mij te raden
de laatste stap te zetten, onversteend,
alsof het aan een sprookje werd ontleend.

Gij staat onder een hoog beschermheerschap.
De dennenaalden dempen ’t houtgeknap.
Ik hoor u heengaan, bijna voor de grap.

Meidoorn en kamperfoelie geuren zoet
bij drinkplaatsen, of ik uw mond ontmoet .

Aan gene zijde van het avondlicht
tuurt om een hoek een stuk van uw gezicht.
Het is wassende maan boven het Sticht.

Er staat een pyramide opgericht
aan deze zijde, in zijn doodgewicht.
En onbezoldigd gaan de bossen dicht.

G. Achterberg

Onder de bomen

In het trillende
net van de zon twee of drie
bloedige veren.

H. Andreus

Bomen

Een boomtocht zo licht
in de wind of de wortels
verzetten geen stap.

De koele wind en het zachte spreken der bomen
en de losgebroken augustusmuziek der vogels
en de rivier die blikkert een magnifiek magnesiumlicht
en de zon die beurtelings charlie parker en bach heet
strek je armen gebogen liefste
ik wil gaan boogschieten met
lange gonzende woorden
ik heb een duizendmaal mooier vrijheidsbeeld gemaakt
ik heb je borsten nog nooit zo hoog gezien
kinderen kunnen glijbaan spelen langs je heupen
ik wil boldriehoeksmeting leggen langs je enkels
en ik kijk naar je door verrekijkers andersom
je loopt zo langzaam naakt door de verten
je bent een glasscherf zonlicht
je bent een vogel tussen hoog gras
je bent een kleine kobold met wuivende handen

ik kijk naar je met mijn eigen ogen
en ik leg je neer op het bed van mijn woorden
wij zijn de ruiters te paard van de zon
wij zijn de slaven der slavenhalers
ik was van zeewater en van nachtwind
ik ben met brandwonden overdekt
wij leven in mistige huizen
van stukkende sterren en van
de keistenen der liefde
en van de witte wijn van het lichaam

wij zijn het reisverhaal
van ons zwerven zonder landkaart
wij schrijven dreigbrieven naar de avond
en wij ontvoeren de nacht

wij knielen voor onze monden wij bidden  ave mariaas
der liefde

wij smeken de ander in leven te zijn wij vragen de val-
ken der valkenjacht

wij zijn kerkklokken

hoor je de stilte der zon liefste
hoor je de stilte der zon
hoor je de stilte der zon liefste
hoor je de stilte der zon

H. Andreus

Boombeschrijving
Bomen zijn werkelijk.
Hun bladeren praten werkelijk
met woorden veelzeggend en letterloos.
Hun toppen zingen.
Hun stammen zwijgen
hoorbaar.
Hun wortels houden
van de aarde.
Bij een boom
staande moet ik wel
ademen als een boom.
Naar een boom
ziende zie ik
hemel en aarde in elkanders
armen.
Want een boom,
een boom is een bruiloft.

H. Andreus

Bos
Zacht knetterend
als voetzoekers van kobolden
gaan de bladeren af,
waarin een dikke vogel
zich baadt en zich schudt, zich schudt.

En mij verbijstert het groen firmament;
mij onthullen
de dunne met boomtakken en varens
getekende vleugels van een onvoorstelbaar
grote groene slapende vleermuis.
In zulk een waas gevangen
wie zegt mij waar ik ben?
Wanneer ik even niet oplet, pikt
een krassende kraai naar mijn ogen.

H. Andreus

Tussen bomen
groen water van bladeren aan bomen;
iedere gedachte wordt een zeilvaart;
de stormen buigen zich onder de boeg.

Iedere gedachte steekt zich in de veren,
legt zich te slapen in een merelschedel,
te lui voor de vleugels die hij eindelijk heeft.

Niets is nodig te zeggen:
de heldere hemel misprijst de raspende
medeklinkers van ook de mooiste monoloog.

H. Andreus

De bossen in of Good old Darwin
Je kunt het zien
met verlangzaamde blik:
woedend hout,
de gevechten om licht.
Schuil onder het lover
van een overwinnaar,
dikke killer
van zijn broeders,
valt het toch moeilijk
te geloven
in die ruisende kalmte,
groene wijsheid.

H. Andreus

Levensboom

Ik heb geen wortels
dan in het licht.
Van mijn donkere jonge jaren
de bezoeker incognito,
parelgrijze vader,
hij werd een doodgetrapte
stem: Sjema Israël…

En laf bemoederd ben ik
door twintig gekruisigde eeuwen.

Maar ik ben m’n eigen
levensboom: de bladeren

raken de aarde en ik
wortel in het licht.

H. Andreus

DE BOOM
Is een gedicht als een boom
dan is het mooi.
Is hij mooi dan is een boom
als een gedicht.
Rustig met wortels
sterk en toch
gedragen door de wind
altijd beweeglijk
zijn eigen vorm tekenend.
Naast de boom
staat het gedicht in de aarde geplant
groeit vol vertroosting om laag
en streeft naar de hemel.
Op vaste grond en zwevend
uit stof zijt gij gekomen
tot stof zult gij wederkeren
uit stof zult gij herrijzen.

Klaus Rifbjerg

BOMEN
Bomen spreken weinig, naar men weet.
Ze slijten heel hun leven mediterend
en hun takken bewegend.
Het volstaat om hen in de herfst te bekijken
als ze samenkomen in de parken,
alleen de alleroudsten converseren,
zij die de wolken en de vogels verdelen,
maar hun stem gaat verloren tussen de bladeren
en zeer weinig bereikt ons, bijna niets.
Het is moeilijk een kort boek te vullen
met gedachten van bomen.
Alles aan hen is vaag, fragmentarisch.
Vandaag bijvoorbeeld, bij het horen van de kreet
van een zwarte koevogel reeds op weg naar huis,
slotkreet van wie geen volgende zomer meer wacht,
begreep ik dat in zijn stem een boom sprak,
een van zovele,
maar ik weet niet wat te doen met die kreet,
ik weet niet hoe hem op te tekenen.

Eugenio Montejo

EEN BOOM OP DE HEUVEL
laat ik nooit vergeten, dat er
een boom op de heuvel staat-
ergens, ver weg,
waar dan ook – een boom zonder naam,
bevriend met de komende avonden.
Een boom op de heuvel.
Die zal me eraan herinneren
hoe wakkere ogen zwerven in het gras,
hoe in de diepten van de dakloze nacht
de stemmen van de krekels aanzwellen.
Een boom op de heuvel.
Dat hij van me zal houden
en me nooit zal vergeten.
Hij is naamloos, ik zal hem
geduld en groene stilte noemen.
Een boom-zulk een ranke
belichaming van mijn gedachte! –
staat op de heuvel, verenigd met de wol ken,
luisterend naar de duistere sprookjes,
die de wind hem toefluistert.

Ivon Tzanev

OUDE BEGRAAFPLAATS IN HET BOS
wij speelden vaak op de overgroeide begraafplaats
waar we met rust werden gelaten; tweehonderd jaar
geleden dat dode mensen er kwamen liggen
heide en wilgen verspreid over muurtjes en graven
neergelaten lichamen in hulsels van dennenhout en handgesmede spijkers
omgevormd tot minder dan lucht: kleine verzakkingen in openlucht
af en toe voetbalden wij er, stelden doelpalen op
het was er oneffen, het ging niet zomaar-
maar op een of andere manier lukte het steeds

we waren niet talrijk, we hadden geen regels
dat was ook het beste, allen tegen allen
ik zie de bal nog naar het doel rollen: bump bump bump
wij liepen erachter, over de kuilen
een sprongetje maar, en we waren er

Paal Helge Haugen

DENNENBOSSEN
Ik verloste hem van de grote plant
die in zijn kamer niet meer paste.
De wereld om de kleine man
werd almaar kleiner.
Zijn vrouw kon hier niet aarden,
ze droomde van verre dennenbossen
en veranderde in een vogel
die door het raam wegvloog.
Haar lichaam brachten ze terug,
met de schrik van geknakte knieën
en zweetdruppels als ongepaste
tranen op hun voorhoofd.
Achter de glazen ruit het bed
en op het kussen een gezicht
dat het leven opheft.
In zijn handpalmen schepte hij het.
Hij hief het gezicht naar zijn lippen
zoals je water uit de bron schept.

Jana Beranová

DENNENBOS
Het uithangbord van ons gilde
is de onbeschilderde denappel, ei

van de dennen. Ongeverfde negorijen
doemen op waar de denappel uithangt.

’t Plaveisel zand, de rede sagen.
Het zand knerst waar de dennen waaien.

H.H. ter Balkt

GROTE BEUK
Hij is het zwijgen rechtop de hemel in;
de wind, de hitte en regen hieuwen zijn stam
en takken, zijn wortels als houten fonteinen
wellend uit de bronnen. Alle seizoenen

krijgen kwartier, hij is het opgetaste
korte en lange jaar, in de zomer fluistert
nog de witte sneeuwjacht in zijn blad en bronzen
herfst omarmt stormend zijn schors in dé meimaand.

Toen de bleke, felle bliksems kwamen die hun
harpoenen plantten in jouw hart en vier takken
woedend versplinterden, sapstromen dempten

die opstijgen wilden na de winter, wachtte,
grote beuk, achter je de kuil (doodkalm kraken
slaapt in het veld) slechts voor jou daar gegraven.

H.H. ter Balkt

GEDULDIGE KASTANJE DRAAGT DE OORLOGSHEMEL
Tju…, floot de goudvink bij ’t zilverschoon,
ik herinner mij, maan en zon in de lucht, en
de hemel met bruine manen, de kastanje ruiste
als beekgolfjes, en verder zo stil. Of ze al

opstegen, de glinsterende vleugels met ’t luik,
en of het marcheren al begon, het is onbekend.
Stof wolkte op, naar zijn roeping, en schrik
viel neer, op de ogen, de gezichten, de zuilen.

Ommuurd met herfst, de ruimte onder het paard
goedig stilstaand boven het kind dat rondkroop
bij zijn hoeven, in dat huis met Bles als dak.

je verroerde je niet maar kon niet beschermen
tegen hoefslagen van paarden die later kwamen,
en hemel en aarde braken met zware hoefslagen.

H.H. ter Balkt

HET NEGENDE EN VEERTIENDE VISIOEN VAN HADEWIJCH
Uit een boom met zijn wortels naar boven
gekeerd, zijn onderste takken betekenden
hoop en geloof, vloog zij naar het kruis
van bergkristal, een immense vlakte daar-

achter, en de schijf vóor de vlakte. Toen
– dagen of jaren later -zag ze de draagster
van de lantaarn gevuld met dagen. En zag
zij, Hadewijch, de draagster van de dagen:

hoog boven de borden ‘Overstekend wild’
kermde piepend de Spoetnik I, rondtollend
kunstmaantje om de schijf. Nacht in ’t zwart

onder en boven de stevige bossen,
wortels kronkelend onder onze stappen, blad
stoof rond de rode, lantaarndragende herfst.

H.H. ter Balkt

ODE AAN DE LEILINDEN EN DE LINDEBOOM
Toen de mars van de aarde nog reusachtig was
en graan uitdeelde bij de vleet, haver en rogge,
hazelaar, haagbeuk en eik, aan de hoge hemel,
hoger dan nu, hielden de leilinden, leek het,
bos en veld bijeen, het huis en de wijde hazelaar

en het pad van het stookhok langs de kersenboom
naar de houten deur. Een lichtgroene fontein
was het lover van de linde die alleen stond,
dichtbij het hek. De leilinden waren toverrijk
als de bronzen gesp uit de mars: de rennende

vos op de gesp die zijn lange tong uitstak tegen
de bijlen. De leilinden stonden fijn geknoopt als
tapijten aan de nachthemel, de heldere sterren
schenen op hun blad en op de solitaire linde
waardoorheen de meikevers in hun botsautootjes

snorden en tikten. Het was toen nog alle jaren
mei en onder de linde klonken de stemmen op
van die er nog waren, als een vos met zijn tong
uit de bek haastte het pad zich van de deur
naar het stookhok. Rook wandelde, de grote mars

wentelde rond, de leilinden ruisten op avonden
dat de meelbestoven en vosrode meikevers vlogen
en niets verder was van de leilinden dan schrik-
verbijstering, dan de verre zang van de wegen.
Lichte schaduwen alsof de tover al bijna verging-

H.H. ter Balkt

HYMNE AAN DE WALNOTENBOOM
Blijf af van de vruchten van de walnotenboom,
schud niet aan zijn takken en zijn stam,
wie zich de vruchten toeëigent, wie beslag legt,
liefdeloos, die zal het niet goed gaan.
Wie de walnotenboom pijnigt, zalomvallen.
Lang leve de walnotenboom, moge hij leven in vreugde.
Hij is de eenhuizige rijkdragende-
Hem kwaad berokkenen is er niet bij.
Het zegel beschermt hem. Het onverzwakte schild houdt stand.

Niemand steelt van de walnotenboom.
Die het wel doen die zullen zeker inslapen.
Negen kruiden beschermen de walnotenboom.
fladder weg, ruisende spoken.
fladder weg, dertien plagen en pijnen.
Es Yggdrasil moet wel een walnotenboom zijn.
Helder zijn in voorjaar en zomer de bladeren.
Blijf met je licht.

H.H. ter Balkt

…’s LIEDJE
Liefelijk ruischt door de toppen der boomen
De voorjaarswind.
Zou die wind van mijn lieveling komen,
Die mij bemint?
Neen, dan zou ik zijn stem verstaan.
Zou die wind naar mijn lieveling gaan?
Zeg hem, o winden, dat ik hem groet,
Zeg dat hij weldra weerkomen moet.

Rusteloos stroomen de ruischende beken
Naar beneê.
Zouden ze mij van mijn lieveling spreken
Over de zee?
Neen, dan zou ik de woorden verstaan.
Zouden ze nu naar mijn lieveling gaan?
Zoeken ze hem op den oceaan?
Als ge, o stroomen, mijn liefste ontmoet,
Breng hem mijn groet;
Zeg, dat mijn hart zoo verlangen doet!
Zeg, dat hij wederkomen moet.

Zwijgend drijven de wolken en snellen
Mij voorbij.
Hebben die wolken mij niets te vertellen?
Geen tijding voor mij?
Zoek hem, o wolken en stroomen en wind,
Tot ge hem dood of levend vindt.
Maar als zijn hart mij niet langer bemint
Breng hem dan enkel mijn afscheidsgroet,
Zeg hem: het ga u op aarde goed;
Zeg, dat hij nimmer weerkomen moet.

J. v.d Waals

DE BEUKEN
Ik keek naar het huis, naar het oude huis,
Dat stil in het licht lag te droomen,
Ik hoorde het fluisterend bladergeruisch
Der oude beukeboomen,
Die bevend wakker staan geschrikt
En nieuwen jammer vreezen…
Ik heb de boomen toegeknikt,
Ze met een glimlach toegeknikt,
Opdat ze niet bang zouden wezen.

J. v.d Waals

KASTANJES
Het is een heldere dag in Mei,
De wind waait lustig, de zon schijnt blij
Op bloeiende paarse seringen,
En gouden regens in gelen tooi
En alles is zoo mooi, zoo mooi!
En alle vogels zingen!

En zie hoe blauw de hemel blauwt
Boven de weiden geel als goud,
De zonnige, bloeiende landen,
En zie de kastanjeboomen daar staan!
Daar groeien witte kaarsjes aan,
Wat zullen die kaarsjes aardig staan
Wanneer ze van avond branden!

J. v.d Waals

DE PEREBOOM
Langzaam op het schelpenwegje
Bij het geurend rozenhegje
Van haar kleinen bloemenhof
Wandelt Aagje, die wat luiert,
En ze plukt, terwijl ze kuiert,
Hier en daar een bloempje af.

Peinst en toeft en glimlacht, even
Luisterend het hoofd geheven,
Of ze hoorde naar een tred Bloost en zucht en gaat zich bukken,
Om een onkruidje uit te rukken
Uit het bloeiend rozenbed.

En dan draagt ze in haar mandje
Dit zoo ongewenschte plantje
Of een schadelijk insect,
Of een wormpje, of een slekje,
Buiten het getralied hekje,
Waar haar tuintje niet meer strekt.

En, terwijl ze daar zoo drentelt,
Komt een blaadje neergewenteld
Uit den lagen perelaar
Voor de voeten van Agaat je,
Die het langgesteelde blaadje
Vallen ziet, en kijkt er naar.

Komt ze weer den boom genaderd,
Valt er weer zulk groen gebladert
Voor de voeten van Agaat,
Die zich thans toch gaat verbazen,
Dat zoo zonder windeblazen
Hij zijn blaadjes vallen laat.

Is de herfst alreê gekomen?
Valt het zomerblad der boomen
Gaaf en groen en onverdord,
Waar gewoonlijk toch het loover
Hangen blijft den zomer over
Tot het welhaast winter wordt?

Is het soms een booze ziekte,
Die den boom zijn groengewiekte,
Stille vlinderkens ontrukt?
Houdt zich iemand soms verstoken
In dien boom, die weggedoken
Tusschen ’t groen, de blaadjes plukt? …

Langs het geurend rozenhaagje,
Op het schelpenpad loopt Aagje,
Met een lachje om den mond,
Naar de bladerkens te kijken,
Die al draaiend nederstrijken
Voor haar voeten, op den grond.

J. v.d Waals

HERFST
Vreemd, dat boom en tak zoo stil staan
In het gouden licht vandaag,
Dat de bladertjes zoo stil gaan,
’t Een na ’t ander, naar omlaag.

Dat het zonlicht zoo voorzichtig
Door de ijlheid straalt van ’t lof,
En het groene blad doorzichtig
En veel eed’ler maakt van stof,

Dat het windje in de twijgen
Zoo behoedzaam gaat te werk
En alleen wat blaadjes zijgen
Doet op ’t pad en ’t bloemenperk,

Zonder ’t wazig diep te raken
Waar de groene schemer blauwt-
Of den goudglans schuw te maken
In het ijlbebladerd hout,

Of te roeren aan den vijver,
Waar zeer statiglijk en traag
Twee voorname zwanen drijven
Met hun spiegelbeeld omlaag,

En wat late najaarsrozen,
Als bewasemd amethyst,
Al den weemoed van hun broze
Schoonheid heffen in den mist.

J. v.d Waals

ROZENBOOMPJE
Als de zon des avonds daalt
Staat mijn rozenboom vol rozen,
Nog in ’t avondlicht te blozen-
Dat zijn kruintje overstraalt.

’t Boompje bloost en bloeit en blinkt
In het midden van mijn gaarde,
Waar rondom de duisterende aarde
Reeds in schemering verzinkt.

’s Avonds in mijn rozenhof
Blijft het avondlicht gevangen
In de duizend roosjes hangen,
Roodend roos en rozelof.

J. v.d Waals

vom leben der bäume
auch die harten schwarzen 
knospen, auch die säumigen 
knospen öffnet das licht.
auch die schönen weißen 
blüten, auch die duftenden 
blüten zerstreut der wind.
auch die schönen grünen 
blätter, auch die sonnigen 
blätter zerreibt der wind.
auch die alten großen 
bäume, auch die beständigen 
bäume bricht die zeit.
E. Jandl

TUIN, WATER, TUIN

[I]

Toch is hij gekomen. De bomen
heffen weer stom hun armen,

paddestoelen liggen als schuim
op het gras. Ik lach erom.

Ijzig vocht kruipt in de kamers.
Hij scharrelt in de tuin, fluit

een lied tussen zijn tanden,
het weerklinkt als in een kerk.

Hij prent zich de lege gevel in,
hij leunt tegen de schuur. Hij

steekt nog eens op en wacht.

[II]
Het is de zadelmaker. Het zou
reistijd zijn. Lucht van leer

en looizuur. Laat hem binnen,
maak een buiging. De haagbeuken

zijn verschrikkelijk, ze prikken
de zachte wind met hun takken.

Spreeuwen verhullen een ondraaglijk
uitzicht, kijk maar niet om.

Met snavels en slagpennen tikken zij
op de wijs van de hamer, het stroeve

fluiten van de kromme naald.

[III]
Huis en schuur in de rug
houden, naar het water.

Jaagpad en zomerdijk geuren
niet meer. Het water schuurt

bij de stuw; zoals inkt, een ei
verdikt in de stolling, zoals

bloed in een ader, zo klemt
de rivier zich aan koude vast.

Knisperend schurken de schollen
tegen elkaar, de wondranden

groeien ineen. Het sluit zich.

[IV]
Er huilt een hond in ver
bos, dwars door hoofdschudden

en schouderophalen. Je moet
op handen en knieën, eindelijk

komt uit je keel een honds
schreeuwen, je bent vertrokken

zonder besluit zonder plan.
Men gaat scheep omdat de zee

daar ligt, men opent de poort
naar de tuin willoos,

omwille van de deurklink.

Anna Enquist

DSCN7739

Advertenties

One thought on “Boomgedicht”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s