gedichten rond de dood 2

stok 18

 

Alle gedichten op PDF: Rond rouw en verdriet 1 compl

Gedichten rond de dood 2
uitgave Badhoevedorp 1997

Inhoud

  • Wij gaan ieder voor zich (Evenwicht) (H. Domin) 
  • De engelen hebben zich aan u gehecht (Hechting) (G. Achterberg) 
  • Wie zal onze dromen komen begrijpen? 
  • Overvloeiende gouaches leven (Het geschondene) 
  • Wij lopen op beton 
  • De grijze paden (Na die tijd) 
  • Een horizon waarachter niets en niemand (Zien en horen) 
  • Gegaan tot waar wij kunnen (Gebed aan de grens) (H. Stufkens) 
  • Oeroud is licht in je gezicht 
  • Zoek niet naar mijn graf
  • Een stille man die stiller werd (J.H. Leopold) 
  • Uw hand is op mijn schouder (In memoriam Matris) 
  • Te Middelharnis is een kind verdronken (Requiem) 
  • Vader, wij hebben nooit gesproken (Herinnering) 
  • De avond daalt (Voor een dode) 
  • De nachten waaien (Roep) (T. de Vries) 
  • Het was een koude, glinsterende nacht (Het gestorven meisje) 
  • Het was geen lentelied (P. Verbruggen) 
  • Laat mij alleen als de engel komt 
  • Wanneer ik in een stillen nacht (Uit de stilte) (L. de Bourbon) 
  • Ten overstaan van het einde (G.v.d. Graft) 
  • De woorden voeren ons verwonderd mee (Einde) (J. W. Schulte Nordholt) 
  • Laat ons de blaren (De stem van Vincent) (P. van Ostaijen) 
  • De dood is als een regenbui 
  • In de wand van dit gedicht (Swidbert) 
  • Bleek geworden is mijn levenslust (Avondtijd) (E. Lasker-Schüller) 
  • Zoveel soorten van verdriet (Sotto voce) ( M. Vasalis) 
  • Verdriet kit al mijn krachten samen (Steen) (M. Vasalis) 
  • Er zijn dingen, die alleen het oppervlak beroeren (Er zijn)(M. Vasalis)
  • ‘In de oudste lagen’ (M. Vasalis) 
  • Achtergelaten (H. Michaelis) 
  • Onder water grif ik je naam (H. Michaelis) 
  • Kokhalzend wakker worden (H. Michaelis) 
  • Als straks het rouwrumoer 
  • De dood heeft vele gezichten
  • Laten wij geen ogenblik bederven (Aan een vriend) (L. Vroman) 
  • Velen vinden troosten moeilijk (Troost) 
  • Hierna zal alles anders zijn (Alles zal anders zijn) 
  • Wachten moet ik in het donker (Als ik op de hoogte kom) 
  • Als je van me houdt 
  • Je liefde zal je dood overleven (Liefde overleeft de dood) 
  • De mensen van voorbij (A. Nahon) 
  • Ga niet naar anderen (Kwade dagen) (I. Gerhardt) 
  • Een vriend van mij (In alle stilte) (I. de Wijs) 
  • Er is nog zoveel niet gezegd (P. van Vliet) 
  • Ik weet dat je gestorven bent
  • Sinds je mij voor altijd (H. Michaelis) 
  • Iedere morgen word ik ontwetend wakker (H. Michaelis) 
  • Toen ik dacht dat je was weggegaan (H. Michaelis) 
  • Hoe kan ik ademen met je dood (H. Michaelis) 
  • Onzichtbaar kom je mij tegemoet (H. Michaelis) 
  • Langzaam beweeg ik mij voort (H. Michaelis) 
  • Jaren later op een heldere middag (H. Michaelis) 
  • Wonderlijk heimwee naar (H. Michaelis) 
  • Onzichtbaar maar des te meer voelbaar (M .v.d.Berg) 
  • Sluipend ongemerkt raakte jij uit onze tijd(M. v.d. Berg) 
  • AIs de donkere nacht 
  • Hoe lang is het al geleden (M.v.d.Berg) 
  • Bij wie kan ik schuilen
  • Niemand gaat echt dood 
  • Onzichtbaar voor anderen (M. v.d. Berg) 
  • Zo graag zou ik trots 
  • Nu we jou dit huis uit zullen dragen 
  • Het wordt nu vroeg donker (Allerzielen) 
  • Voor hen die ik liefheb 
  • De dood en het besef van de dood 
  • Zingen (H. Bouma) 
  • En als ik doodga treurt maar niet 
  • Mijn liefde zal blijven 
  • Uniek jouw oogopslag 
  • Moed houden, eenvoudig voortgaan als je kunt 
  • Huil niet aan mijn graf

Evenwicht (H. Domin)

Wij gaan
ieder voor zich
de smalle weg
over de hoofden der doden
bijna zonder angst
op de maat van ons hart
als waren wij veilig,
zolang de liefde
niet aflaat.

Zo gaan wij
tussen vlinders en vogels
in verbazingwekkend evenwicht
naar een morgen van boomtoppen
groen, goud en blauw
en naar het ontwaken
van beminde ogen.

Hechting (G. Achterberg)

De engelen hebben zich aan u gehecht
en gij zijt bijna onvindbaar meer.
De grote perspectieven van weleer
staan in mijn ogen, leeg en recht.

Blauwe zoeklichten van de ziel bij nacht
schuiven hun cirkel het geheugen door:
vleugels bewegen in het witte spoor;
overal is het vol van uw gezicht.
Wie zal

1.
Wie zal onze dromen komen begrijpen?

En wie zal verstaan: wij missen zijn stem
die hij nog niet had. Wij missen
de liefde die hij ons zou geven
en meer nog: onze liefde voor hem.

Hulpeloos vogeltje, nietige engel,
voor even maar van God gekomen.
Een naam, een kleine mensenzoon
en toen: herinnering, gestorven dromen

wie zal begrijpen; wie zal komen?

Elk woord nu
is het verkeerde.
En stilte verdragen wij niet.

Alles doet pijn
onze ogen; de huid van ons lichaam;
ons hart.
Wij hebben gehuild
en wij houden verdriet.

Elk woord is verkeerd;
het schiet tekort,
het komt van ver,
het treft ons pijnlijk:
het brengt ons terug bij het kind

hoe lief wij het hadden,
hoe vertrouwd het ons werd;
dag na dag, maand na maand.
En konden wij ’s nachts niet slapen,
dan waren wij samen met ons kind.

Elk woord nu is het verkeerde,
en stilte verdragen wij niet.

2.
Hoe leeg ook van vragen, hoe blind van tranen:
wij moeten verder door de dagen.
Wij hopen niet op troost maar op genade.

Er is gezegd, er staat geschreven
dat van Gods liefde niets ons scheiden kan,
ook niet dit mateloos verdriet.
De wegen van God ze zijn zo duister
en wij begrijpen ze niet.

3.
God die het leven draagt en elke dode,
en alles wat ons treft en pijnigt van de dood;

God, die ons tilde uit de slaap,
de doodse stilte van nog niet geboren zijn;

God, die het kleinst geborene
uit onze armen in Zijn handen nam;

Gedenk ons kind,
gedenk zijn naam en onze namen.

Zie met erbarmen, hoe wij kwamen
gedenk ons kind en onze namen.
Het geschondene

Overvloeiende gouaches leven
van de smalle grenzen
tot de dood.
Harde, scherpe randen
van een ongewenst bestaan
tussen zwarte, zware wanden.

Elders zijn de levenden
met de goden en hun liefde,
maar aanwezig niet.

Water roept de verre aarde,
roept vergeefs een mens, een hemel.

Dode moeder
kinderdood.
Wij lopen op beton

Wij lopen op beton
en bijna in de trage regelmaat
van voeten die op weg zijn naar een graf.
Gelukkig zijn het licht en ook de wereld
grijs als de steen van dit gebouw.

Nevel over de resten van wat eens polders waren.
Gehavend land van aarde, gras en onkruid.

Dit werd je wereld
maar was je wereld niet.
Het is hier vol van jou. Hier wil ik
thuis geweest zijn. Sporen van je vinden
zij zijn er niet meer om nog aan te raken.

Ik wil hier ziek zijn in een bed,
hier wil ik liggen, zoals jij.
En vloeken, huilen van verraad en dood

het is nog maar één voorjaar later.
Na die tijd

De grijze paden
onder mijn rond schedeldak
jij liep ze alle af:
niet voor altijd
ben ik daar allen gebleven.

Mijn ogen eens
zijn ze geweest verzadigd
van je gestalte, van
je armen als een wieg.

Mijn oren bleven nog lang wachten
op je stem,
die eens daarin gevallen was
als zachte balsem, als muziek.

En ergens buiten mij
beweeg je weer en leef je toch.
En in mij
huilt om jou wie ik eens was

De zachtste mens
die ik ooit ben geweest:
met jou.
Zien en horen

Een horizon
waarachter niets en niemand
kwijt zal raken of verloren
het oude landschap van je ziel,
bewaard in stille nevel:
het grasland en de sloten; de heuvels;
twijgjes aan oude bomen;
de lage zon, scherende over rivierenland.
Het oude hopen en het oud verlangen
dat je zult rusten, omdat beloofd is
dat je rusten mag.
Zie: alles is voor even haast volmaakt;
het scheiden en het afscheid zijn voorbij
en alle dingen liggen klaar.

Hij heeft gezegd:
ik wacht altijd totdat je komt.
Klein mensen kind, gezegende,
speel voor mijn Aangezicht.

Voorbij de wereld en de tijd
zal ik er zijn;
wees niet alleen,
blijf bij elkaar
totdat ik kom,
heeft Hij gezegd.
Gebed aan de Grens (H. Stufkens)

Gegaan tot waar wij kunnen
aan de grens van het Licht staan wij,
in wezen onbegrensd, in het gezicht van de dood.
En wij herinneren ons de oude woorden
dat leven verandert
maar niet wordt weggenomen,
dat niets en niemand verloren gaat.

Zielsverbonden zijn wij met jou
van wie wij hier afscheid nemen,
en die ons in leven en dood zo dierbaar
was en is en blijven zal.
Verbonden zijn wij ook met elkaar
en met alle levende wezens, klein en groot,
met vogels en vissen, velden en bossen,
met zon en maan, met het land vlak en golvend,
de onmetelijke diepzee,
met al wat is en verandert,
dag en nacht,
en eindeloos komt en gaat
verwacht, onverwacht,
gedragen, geboren, gewiegd in liefde.

Met heel ons hart vertrouwen we je lichaam toe
aan de tijd die alles heel maakt
en de goedheid van moeder aarde,
en we begeleiden je met
het onzegbare achter onze woorden,
de welsprekendheid van ons zwijgen,
de warmte van onze tranen,
de troostrijke kleuren van onze bloemen.

Hier, aan de grens van het Licht,
zeggen wij: vaarwel en tot ziens, reisgenoot,
nu geroepen te gaan langs andere wegen,
maar onafscheidelijk onze metgezel,
en op dezelfde tijdloze reis
geleid door dezelfde Geest.

En brengen wij ons in herinnering
dat wij niet voor niets leven,
en niet voor niets hier en nu
verzameld zijn, op deze plek.
Dat wij geroepen zijn, zolang het duurt,
om deze aarde bewoonbaar te maken en te bewonen,
om te leren liefhebben met hart en ziel en huid
en haar.

Bidden wij dat dit uur ons mag breken en helen,
verzachten, vermurwen, verbinden tot leven
met elkaar.
Oeroud is licht in je gezicht

Oeroud is licht in je gezicht
en alle pijn die je bevrijdde.

Ze noemen je ‘mahatma’: grote ziel.
Je keerde terug omdat

het paradijs je niet beviel
zolang je nog een mens zag lijden.

Je sterft als het moet opnieuw,
en draagt het licht

tot aan het eind der tijden
Zoek niet naar mijn graf,

Zoek niet naar mijn graf
vraag me niet wie ik ben
en of jij mij gekend hebt.
De idealen die ik had
blijven ook zonder mij bestaan.
Ik ben dood, maar leef voort
in de idealen die ik had.
En de anderen die blijven strijden
zullen nieuwe rozen doen bloeien.
Wanneer je daarover spreekt, spreek je over mij.

Zoek niet naar mijn graf,
want dat zul je niet vinden.
Mijn handen zijn nu de handen
van anderen die strijden.
Mijn stem roept in andere stemmen,
mijn droom leeft voort bij anderen.
En weet dat ik pas sterf
als jullie de moed opgeven.
Want ieder die in de strijd valt,
leeft voort in zijn vrienden.
Een stille man die stiller werd (J.H. Leopold)

Een stille man die stiller werd niets meer.
De rozen bloeiden schaarscher door zijn klagen,
De neevlen werden dichter in de dagen,
Herinneringen vond het pad niet van weleer.

Er was geen gaan, en nergens wederkeer.
Naar verre stilten gleed het laatste vragen.
Moe werden oogen die hun ster niet zagen.
Het moede hart werd moeder, en niets meer.

En toch had hij het leven groot bemind
En het bevolkt met overaardsche droomen,
Waarin hij mateloos zichzelve bood.

Werden zijn gaven nimmer aangenomen?
Hij hoorde het rukkend ruischen van den wind
En week binnen de hoede van den dood.
Uw hand is op mijn schouder

In memoriam Matris

Uw hand is op mijn schouder.
de nacht is lang, ik weet,
dat gij mij niet vergeet.
ik ben al jaren ouder.

het licht is hard, de wind
slaat achter mij alles dicht:
droomen, stilte, licht
en het schreien van een kind…

ik sta alleen, de nacht wordt kouder
nog dan mijn hart, mijn hand
alles in mij is lang verlamd

maar uw hand is op mijn schouder.
Te Middelharnis is een kind verdronken

Requiem

Te Middelharnis is een kind verdronken:
sober berichtje in het avond blad
onder een hooiberg, die had vlam gevat;
nevens een zolderschuit, die was gezonken.

Zes dagen heeft het in mij nageklonken.
Op het kantoor vroeg men; zeg, heb je wat?
Ik werkte door maar steeds weer hoorde ik dat:
te Middelharnis is een kind verdronken.

En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder
maar over het water komt zijn kleine stem.

Te Middelharnis denk ik, ‘k denk aan hem
en bed zijn hoofdje tusschen hart en schouder,
en zing voor hem dit lichte requiem…
Herinnering

Vader, wij hebben nooit gesproken
over het leven met elkaar,
gij had het uwe, ik het mijne
en beiden wisten wij, ’t is zwaar
te leven met een weerloos hart…
Zoo hadden bêi we ons toegesloten
en gingen zwijgend naast elkaar:
ik heb den weg niet kunnen vinden,
al lag uw hand steeds voor de mijne klaar.
En nu gij heengegaan zijt naar dat vreemde
en voor geen levende bereikbaar land,
nu breekt mijn vuist eerst hunkrend open
en zoekt vergeefs uw trouwe hand.
Voor een dode

De avond daalt;
er valt een vage schemer.
ik zoek de vrede dien de dag mij nam;
en onweerstaanbaar brengen mij mijn schreden
naar ’t stille kerkhof waar ik na uw sterven
berooid en eenzaam iedren avond kwam.

waarom? ik weet te goed dat ik u niet kan wekken
en dat gij daar zijt en ik hier en dat dit graf ons scheidt;
dat ik aan deze steen niets kan onttrekken
van uwen staat van ongenaakbaarheid

dooden zijn ver en koud en dichters eenzaam,
maar zij beluisteren elkanders lied; ik zing
en gij en ik worden opnieuw gemeenzaam;
zegen en vloek der verhoovaardiging.

schuw dus dit lied, vergeef het, blijf mij wachten;
bid voor mij al de dagen uwer eeuwigheid,
opdat mijn boot bij ’t zwichten mijner krachten
niet nog in ’t zicht der kust te pletter splijt.
Roep (T. de Vries)

De nachten waaien. Een vreemde regen
verschrikt mijn gedachten. Een vreemde regen
raast in den tijd. Ik denk aan U
Lichten spoken Ik hunker naar U
die zoo ver weg zijt… Ik zoek de sterren:
de nacht staat gesloten. En van verre
komen de winden, machtig en zwart,
en breken de rozen, die nog leven
Ik denk aan U en de regens beven
wild en stormachtig aan mijn hart.
De regens maken de wankele huizen
tot blinde vreezen, verstild in steen.
De nachten waaien, de winden ruischen.
Ik denk aan U, en ik lig alleen…
Ik lig alleen met een verzwegen
roep om U in de duisternis.
Altijd de wind. Altijd de regen.
Altijd de nacht en mijn hunkering.
Het gestorven meisje

Het was een koude, glinsterende nacht.
Wolken en duisternis, sneeuw en sterren
waren er, en wij hoorden verre
klokken. Haar einde werd verwacht.
Het venster was in de nacht een smal, veeg licht.
Zij was kleiner geworden, lieflijker dan ooit,
het blonde haar langs het voorhoofd geplooid,
en een glimlach over haar wit gezicht.
Zij was zoo ver van ons als sneeuw en sterren.
Voorbij het smalle, verlichte raam
staarden wij in het grondelooze verre.
Hier was haar lichaam, klein en zonder naam.
Het was geen lentelied (P. Verbruggen)

Het was geen lentelied
wat ik zoeven heb verzonnen.
Het licht is er niet
en om de hoge bomen
hangt dik getast de mist.
De merel hurkt in ’t hout
en tript en tinkt, maar mist
de blijdschap van een lied.
De winter hangt weer grijs en koud
boven het schraal gazon
en hard zijn alle wegen.
Het was geen lentelied
dat wij te horen kregen,
toch bleef er iets wat weet men niet
toch bleef iets achter van de zon.
Zo hangt een nevel rondom ons
een nevel tussen U en mij;
De winter laat niet los
toch voel ik U nabij.
Laat mij alleen als de engel komt

Laat mij alleen als de engel komt.
Gij noemt met een ondankbaar woord
stoel en tafel, water en brood,
en zoo zoudt gij de engel noemen de dood.

Laat mij als het nacht bij dage
en het dag bij nacht voor mij zal zijn;
en er komt bij tijden een vernietigende klaarte
die in mijn uitgebrande lichaam binnen schijnt.

als de engel mij verlaat
na dit bitterschóon bezoek:
noem niet met een ondankbaar woord
geest en lijf, gebeente en bloed.
In droom zult ge mij wedervinden,
schrikaanjagend in mijn gloed
– maar heet mij uw beminde.

Uit de stilte (L. de Bourbon)

Wanneer ik in een stillen nacht den berg beklim
alleen, zelfs zonder schaduw en blijf staan
dat ‘k ook den echo van mijn stem verlies en ik
een ding
word tussen aarde en hemel zonder naam.

Niets dan een bleke vlek in dezen nacht
waarop het licht van duizend sterren valt,
niets dan een mens die nog begeert en wacht
wien ondanks alles nog de aard’ bevalt.

Spreek dan tot mij vanuit Uw hemels rijk,
Laat er een kruis zijn dat mijn oog verblindt,
geef mij een enkel teken maar, een blijk
dat Gij mij duldt, en, als het kan, bemint.

Zo roep ik U, terwijl de stilte rond
mij op de loer ligt en mijn woorden hoort,
geen antwoord dan in ’t diepe dal een hond
door de eeuwge onrust in mijn slaap gestoord.

Gij zendt tot dezen mens geen teken meer,
want onze tijden zijn U vreemd en ver;
hier in den nacht voel ik opnieuw hoezeer
de aard’ verdwaalde van haar tweelingster.
Ten overstaan van het einde (G.v.d. Graft)

Ten overstaan van het einde
en met het oog op U
beleef ik de laatste termijn, de
stilte van het uur U.

Omdat ik niet meer kan leven
en nochtans leven moet,
heeft God mij met U verweven,
liefste en dit voorgoed.

En wil ik bij U verblijven,
liefste en dit voortaan,
Hij zal mij van U verdrijven
tot Hem vandaan.
Einde (J. W. Schulte Nordholt)

De woorden voeren ons verwonderd mee
als schepen naar een onbekende zee,
als waren wij als kinderen op reis
naar een in glans verscholen paradijs.
Ouderen wijzer wordend varen wij
de wereld en haar razernij voorbij,
naar een voltooiing, maar die is er niet,
niet binnen in ons, niet in het verschiet.
Ons wacht alleen maar de ontluistering,
de schemering, de godsverduistering,
wanneer een mens tot zweet en wonden wordt,
de mond verdroogt, het bloed wordt uitgestort,
de handen hulpeloos worden uitgestrekt
en door het duister worden toegedekt,
en in de hersens door een dichte mist
de laatste dromen worden uitgewist.
De stem van Vincent (P. van Ostaijen)

Laat ons de blaren
van alle leed vergaren.
De aarde, ook vermoeid,
heeft nooit dode
blaren gedragen.
De aarde wondt
om, in de driedagestond,
te laten herrijzen
onder de loodzware kus van liefde.

En is die kus weerom licht leed,
leed dat alles is, Ik ben Die is,
o, laat deze zoen niet verloren gaan
want elke zoen is gloeien van goed.

Nooit wassen dode vruchten
aan de bomen.
De pijnen snikken eeuwig
en laten hun lange tranen als vingers vallen.
Weet dit, mijn zoon: wanneer leed leven wordt
houdt op het leven leed te zijn.
De dood is als een regenbui

De dood is als een regenbui

plaatselijk

de hemel blauw
en hier en daar
een wolk witgrijs

een plas op straat
geeft stil getuigenis
is echo
van een voorbij moment

hij valt als regen tussen ons in
doet zo zijn krachtig werk

wij blijven
wachten
weten niet

ons verdriet
zwelt tot een stormvloed aan

beukt met slagen
tegen ons hart

geen deur sterk genoeg
geen ziel te zwaar

een windvlaag neemt ons allen mee
totdat de stilte daalt
In de wand van dit gedicht (Swidbert)

“Zingend en zonder herinnering
Ging ik uit het eerste land vandaan”.
Martinus Nijhoff

In de wand van dit gedicht
staat mijn skelet gebrand;
en mijn hersenen gegrift,
dood, maar in muziekschrift.

Hier ben ik,
als door sterren gezakt,
met wat de wind over mij waait;
dieren springen over mijn abstrakt.

dit is alles, en daarom alles
zonder meer;
langzaam wordt het mij verwant;
zie, ik schrijf nog gesteent neer,
maar het wordt mijn vaderland.

Ik weet niet beter
of met mijn haar groei ik vast
aan de wind, aether
van een lege engel.
ik weet niet beter
of ik kan niet vliegen.

dit doen de lijsters al,
achter het regenen
dat turquoise is
en van adem.

Ik heb zwijgen,
de vogels hebben bloeden,
de vogels hebben hijgen,
zij hebben grote golven.

ik heb zwijgen,
de stenen hebben kwetsuren,
de stenen teren op de dood
die in hen blijft duren.

ik heb hun denken,
hun diepst, hermetisch lood.

De stilte naar binnen
staan namen
in het steen

dieper nog dieper
roest een engel
die in het daglicht
niet scheen

verder is niemand gegaan

de stilte naar binnen
komt men laveloos
aan de achterkant
van het bestaan.

Diep in ons bloed
staat het skelet,
het broze, dat ons
bezet en stil maakt.

wij zijn over onszelf
met onze adem
van streek geraakt,
en buiten alle wanen.

diep in het niets
staan gigantische manen,
varens van donker
alleen wij zijn er iets.

Het is weer avond;
het is weer licht
in de vitrine van maan en zee;
de dieren die doorschemeren
door mijn denken zijn
op trek naar nieuw gebied.

de hemel is volstrekt;
ik droom in de dierenriem
van mijn gedachten, gewekt
door de bloedstorting
van een lied.

Was het licht maar van licht,
de vogel van vogel,
de hemel van hemel gemaakt,
en het steen van steen.

ik zou het een
na het ander gezicht,
mijn adem en ook de luchten
losweken van het gedicht.
Dit kan niet lang meer
duren:
wij huilen langs woorden
of bloeden er langs.

wij zijn kleine gestoorden
van nature;
de dingen staan buiten,
stil, op andere aren.

Dood is
een weg die ons afluistert,
waarlangs wij engelen aan ballonnen
oplaten

waar waaien zij heen?

zij komen neer achter ons denken,
tussen bewusteloos steen;
zie, achter in de gehoorgangen
van ons verlangen;
men ziet nog even zee.

Avondtijd (E. Lasker-Schüller)

Bleek geworden is mijn levenslust…
ik viel zo eenzaam op de aarde
van waar ik kwam, heeft nooit een mens geweten,
alleen jij, opdat ik verenigd eens met jou zal zijn.

Ik ben door inhammen ver omgeven,
en elk ding ervaar ik in het schuim.
De mens, die mij als vijand tegemoet treedt, vervalt!
En ik weet slechts van hem in dromen.

En zo beleef ik de schepping van deze wereld,
op aarde reeds ontkomen aan haar schaal.
En jij de ster die hoog uit de hemel valt
begraaft zich diep in het dal van mijn hart.

De avondtijd verdonkert sterk mijn bloed
dooradert vol kwellingen mijn vermoeide ziel.
Naakt stijgt ze weer uit de voorwereldlijke vloed
is angstig, dat ze lichamelijk hier op aarde zou
ontbreken.

En wat de dag nog voordat hij ontwaakt,
verzuimde morgenroodachtig te beleven,
reikt hem het dromende beeldenspel der nacht
in enkel kleurrijke weefsels.

Verre handen brengen mij naar huis
uit gele sikkels een vroom boeket.
De wijzer wandelt langzaam om het cijferblad
de zonnewijzer, die goud van mijn leven had.

Zij gloeit door het kloppen bewaakt
en luidt tussen nacht en middernacht…
Daar wij ons zagen in het raadselachtige uur
jouw mond bloeit duizendschoon op mijn mond.

Al mijn levenslust vervloeide
in het donkere gewaad met de avondtijd.
Ik zocht zonder ophouden een hemel waar…
Alleen in de openbaring is de weg tot hem niet ver.
Sotto voce (M. Vasalis)

Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo’n pijn,
maar het afgesneden zijn.

Nog is het mooi, ’t geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.

Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Steen (M. Vasalis)

Verdriet kit al mijn krachten samen,
zodat ik roerloos word als steen.
Mijn hele wezen wordt materie,
een ondoordringbaar star mysterie.
O sla de rots, opdat ik ween.
Er zijn (M. Vasalis)

Er zijn dingen, die alleen het oppervlak beroeren,
daaronder blijft de ziel gelijk en blinkt
zoals een vijver waarop blaadren varen,
of als een kinderoog onder verwaaide haren.
Men zingt en luistert hoe het klinkt.

Maar er zijn soorten van verdriet,
die iets veranderen aan het lied.
Men wordt bespannen met heel andre snaren
en wie het niet ervoer, die weet het niet.
O kindje met je zachte witte vingren
en met de blauwe aadren aan je kleine slaap,
die zich als heilige rivieren slingren.
Slaap mijn kindje, slaap.

‘In de oudste lagen’ (M. Vasalis)

In de oudste lagen van mijn ziel,
waar hij van stenen is gemaakt,
bloeit als een gaaf, ontkleurd fossiel
de stenen bloemen van uw gelaat.

Ik kan mij niet van uw bevrijden,
er bloeit niets in mijn steen dan gij.
De oude weelden zijn voorbij
maar niets kan mij meer van u scheiden.
Achtergelaten (H. Michaelis)

Achtergelaten
in een onbewoonbare wereld
rinkelend van kleuren
en geluiden
waar de dag te licht is
en geen nacht donker genoeg
om het verborgen tumult
te bedaren.

In alle straten, alle kamers
blijf ik je zoeken.
Tussen ontelbare mensen
vind ik je nergens.

Verlos mij
uit dit luchtledig.
Laat mij toe tot de aarde
die je bedekt.
Dicht bij je wil ik slapen
en tot stof vergaan
Onder water (H. Michaelis)

Onder water
grif ik je naam
in de granieten bedding
van mijn stroomgebied.

Tussen de wieren
van het verleden
flitsen pijlsnelle vissen
als mensen voorbij.

Alleen in de diepte
mag ik je voortaan ontmoeten:
mijn warme tegenstroom,
mijn lief.

Het staat vast
dat je dood bent.
Maar wat is dood?
Kokhalzend wakker worden (H. Michaelis)

Kokhalzend wakker worden
tussen de gestolde feiten
van gisteren en eergisteren.

Opstaan, het licht trotseren.
Onder het oorverdovend
carillon van herinneringen
optornen tegen een geheugen
dat geen duimbreed wijkt.

Lachen, praten, overmoedig
denken dat het zo wel gaat.
Merken dat men zich vergist
ook hierin. Heel het treiterend bedrijf
van deze dag en alle volgende
in vier woorden samengebald:
iemand is niet gekomen.
Als straks het rouwrumoer

Als straks het rouwrumoer
rondom jou is verstomd
de stoet voorbij is
de schuifelende voeten

voel ik dat er een diepe stilte komt
en in die stilte zal ik je opnieuw ontmoeten

en telkens weer zal ik je tegenkomen

we zeggen veel te gauw:
het is voorbij

hij heeft alleen je lichaam weggenomen
niet wie je was en ook niet wat je zei

ik zal nog altijd grapjes met je maken
we zullen samen door het
stille landschap gaan

nu je mijn handen niet meer aan kunt raken
raak je mijn hart nog duidelijker aan.
De dood heeft vele gezichten.

Dood heeft vele gezichten.
Een voor hem die sterft
en een voor elk van hen
die achterblijven.

Er is een milde dood
die barmhartig is en goed.
Er is een harde, wrede dood,
die leegte achterlaat
en pijn en tranen.

Maar altijd is de dood
barmhartig, mild of wreed
voor hem die sterft
en voor elk van hen
die achterblijven
’n breekpunt,
’n keerpunt soms.
Aan een vriend (L. Vroman)

Ach, laten wij geen ogenblik bederven
voor wie van ons het eerst zal moeten sterven,
en laten wij ook nimmer praten
van alles wat wij huichelden en haatten.
Zolang een vlerkgespreide leeuwerik blijft zingen
vergeeft God ons al wat wij beginnen,
zolang wij kersebomen zacht in bloei zien staan
dan hebben we nog niemand kwaad gedaan.
Ach, laten wij het leed dat mens ons deed, vergeten,
God zal het allemaal wel weten,
en laten wij geen ogenblik bederven
voor wie van ons het eerst zal moeten sterven.
Velen vinden troosten moeilijk

Velen vinden troosten moeilijk.
Ze denken vaak dat ze veel moeten doen
om te troosten, veel zeggen,
de ander er overheen beuren.

Echte troost is eenvoudig:
enkel een hand, enkel een gebaar,
een enkel woord misschien.

Iemand bij wie je jezelf mag zijn;
iemand die bij je blijft.

Iemand die er voor jou wil zijn
zoals je nu bent.
Hierna zal alles anders zijn

Hierna zal alles anders zijn,
nu jij voorgoed bent heengegaan.
Maar altijd zul jij bij mij blijven,
hoog zal je naam geschreven staan.

Hoog in mijn leven, diep in mijn dromen,
in wolken die je Naam uitschrijven,
in zonlicht dat men stralenbaan
jouw schaduw schildert tussen bomen.

Maar ook zal alles anders zijn
als ik voorgoed ben heengegaan
en winden onze Namen noemen:
dan zal ik je zoenen, zal ik je zoenen.
Als ik op de hooge kom

Wachten moet ik in het donker
licht verwachten van omhoog
met een God verbonden leven
die nog nooit een mens bedroog
zal ik wachten
zal ik hopen
zal ik weggaan?
‘mens waar ben je’
zal ik horen
tot ik op de hoogte kom.
Vragen moet ik om een teken
dat mijn leven gaande houdt
afzien van de dag van morgen
lachen om mijn zelfbehoud
zal ik vragen
zal ik wachten
zal ik hopen
zal ik weggaan?
‘mens waar ben je’
zal ik horen
tot ik op de hoogte kom.

Geven moet ik heel mijn leven
zelfs wat mij het liefste is
trouw zijn aan de stem van binnen
mij verliezen in gemis
zal ik geven
zal ik vragen
zal ik wachten
zal ik hopen
zal ik weggaan?
‘mens hier ben ik’
zal ik horen
als ik op de hoogte kom.

Op de hoogte zal ik komen
tot het einde zal ik gaan
waar ik dood, tot mens geboren
oog in oog met God zal staan
zal ik komen
zal ik geven
zal ik vragen
zal ik wachten
zal ik weggaan?
‘mens hier ben ik’
zal ik horen
als ik op de hoogte kom.

Als je van me houdt

Als je van me houdt, huil niet.
Als je het ondoorgrondelijke mysterie van de hemel
waar ik me bevind zou kennen,
zou je nooit om me huilen.
We hielden voor eeuwig van elkaar in het leven,
maar alles was toen vluchtig en beperkt.
Denk aan deze prachtige plek waar er geen dood is
en waar ik vlak bij de onuitputtelijke bron
van geluk en liefde ben.
Als je echt van me houdt, huil dan niet meer om mij.
In ben in vrede.
Liefde overleeft de dood

Je liefde zal je dood overleven
Ze blijft onder de mensen aanwezig
ook als je al lang gestorven bent.
Jijzelf wordt in je sterven
opgenomen in het geheim van Gods liefde.

Gelovig sterven is afscheid nemen
van de tijd, niet van het leven.
Gelovig sterven is het ene mysterie
verlaten om het andere in te gaan.
’t Is op het woord van Jezus
de hoop verwisselen voor zekerheid
dat God liefde is.
De mensen van voorbij (A. Nahon)

De mensen van voorbij,
ze blijven met ons leven.
De mensen van voorbij,
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemen, geuren, in een lied,
dat opklinkt uit verdriet.

De mensen van voorbij,
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij,
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen;
daar waar géén pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij!
Kwade dagen (I. Gerhardt)

Ga niet naar anderen als dát leed u slaat
dat de mens kromt, of als een wig hem splijt:
ga niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt,
die harde kern waarmee ge het bestaat.
En houdt uw huis in stand, gelijk altijd.

Ga niet naar anderen: hun blik verraadt
weigering te beseffen wat er is.
Straks woelt hun onrust om in uw gemis.
Mijd hun bedisselen, hun ergernis
dat ge u blijkbaar niet gezeggenlaat.

Zoek het bij een goede vriend, u toegewijd
een die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt
maar u verdraagt met uw beschreid gelaat.
Die, zelf zwijgzaam, u kent voor wie gij zijt,
en merkt dat het, nog bevend, bergop gaat.
In alle stilte (I. de Wijs)

Een vriend van mij, een vriend van mij had kanker
Maar goeie vrienden laat je niet alleen
Al wist ik dikwijls niet wat ik moest zeggen
Ik ging er elke week toch even heen

In feite zou ik gister weer gegaan zijn
Dat hoefde niet meer, zei het ochtendblad
‘Gestorven: onze zoon en broer en zwager…
In stilte gecremeerd’ en dat was dat

‘In stilte’ jee, waarom in ‘alle stilte’?
Het was zijn ‘laatste wens’, dat stond erbij
Ik snap ’t niet, dat zou hij mij niet aandoen
Dat is gewoon gelogen volgens mij

Ik ga niet in een hoekje zitten huilen
Ik scheur ook het behang niet van de wand
Maar toch: waarom is sterven en begraven
Verbannen naar een hoekje van de krant?

Ik heb een advertentie laten zetten
Je wilt toch wat, als afscheid, als besluit
‘Dag Jaap, ik zal je heel erg missen, Ivo’
Maar Jezus… wat zag dat er lullig uit!

Als ik ooit doodga, kom dan allemaal maar
En hou je flink of snotter, alles mag
Vooruit, laat ’t maar druk zijn en luidruchtig
Ik zorg wel voor de stilte op die dag
Er is nog zoveel niet gezegd (P. van Vliet)

Er is zoveel nog niet gezegd
er is nog zoveel doodgezwegen
door jullie en door mij.

Zoveel waarheid nog ontdoken
zoveel nog niet uitgesproken
en het heeft zo voor de hand gelegen
bij jullie en bij mij.

Opgekropt, weggestopt,
stil gesust, zoet gekust,
afgeschoven, weggewoven,
wel gedacht, niet verteld,
afgewacht? uitgesteld,
doorgeschoven, weggewoven,
door jullie en door mij.

Er is zoveel nog niet gezegd,
er is zoveel nog doodgezwegen,
zoveel grond nog niet ontgonnen,
zoveel planten niet begonnen,
vragen die geen antwoord kregen
van jullie en van mij.
Ik weet dat je gestorven bent.

Ik weet dat je gestorven bent.
Je handen hebben de mijne
en de dingen om je heen losgelaten.
Je kijkt niet Meer door het raam
naar het weer van vandaag.
Je luistert niet langer als er ergens een deur
opengaat
en je zegt niet meer: Kom binnen.
Je zegt de woorden niet meer die je
met jouw ogen en jouw stem
vroeger altijd zei.
Het is stil geworden om je heen

Maar toch hoor ik je nog spreken
en zie ik met gesloten ogen wat je deed,
toen je nog gaande en staande was.

Nee, je zou pas echt dood zijn
ik zou pas echt dood zijn
als ik je kon vergeten
en als je weggewist uit mijn geheugen
me niet meer bij zou staan
met raad en daad
zoals toen.

Maar dat doe je dus nog
als ik over jou verhalen vertel:
hoe je het leven en de mensen zag
en wat je doen zou als je voor vragen stond
waar ik voor kom te staan.

Nee, alles is nog niet voorbij,
je leeft nog in mijn verhalen over jou.
Mijn handen kunnen je niet meer vasthouden
maar wel mijn woorden en de ogen van mijn hart.
En daar zul je leven tot eens alles is volbracht
ln een nleuwe hemel en een nieuwe aarde.
Sinds je mij voor altijd (H. Michaelis)

SINDS je mij voor altijd
bent binnengegaan,
ben ik tot de rand
van je vervuld.

Dwars door de rukwinden
van het verdriet
voel ik je onder mijn huid
bewegen, warm en goed
als vroeger
toen wij overnachten
binnen de omheining van
elkanders armen.,

Wat doet het er dan toe
dat de wereld leeg
en winters is geworden
nu mijn ogen
je nooit meer zullen zien
en ik mijn hoofd niet langer in je schoot kan
leggen?
Iedere morgen word ik onwetend waker (H. Michaelis)

IEDERE morgen
word ik onwetend wakker.
Gloednieuwe wolken drijven
het raam voorbij.
Veelbelovend glimlacht
de dag: alles
is mogelijk.

Maar iedere avond
gaat in rook en vlammen
de wereld onder.
Het langst rekt de stad
haar held bestaan,
vuurspuwend van leven
tegen de inktzware achtergrond
van je dood.
Toen ik dacht dat je was weggegaan (H. Michaelis)

TOEN ik dacht
dat je was weggegaan
en mij zonder leeftocht
alleen had gelaten
in een verdroogde steppe,
heb ik mij vergist.

Nu weet ik dat je mij
hebt uitgekozen
om je voorgoed te herbergen
veilig besloten in
mijn duisternis

Wanneer ik mij aandachtig
over mezelf heenbuig,
ontmoet ik je oogopslag
helder en diep als water
en je glimlach overrompelt mij
met de ernstige vreugde
van vroeger.

Dat is genoeg
voor een heel leven.

Hoe kan ik ademen met je dood (H. Michaelis)

HOE KAN ik ademen
met je dood als een brok
in mijn keel?
Hoe kan ik lachen
nu het onherroepelijke vonnis
mijn mond verzegeld heeft?

In een houten kist
gaat de toekomst
tot ontbinding over.
Ik voel hoe ik langzaam
maar zeker bevries.

Toch blijf ik ademen.
Toch lach ik, oudergewoonte.
En dat is misschien
het ergste van alles.

Onzichtbaar kom je mij tegemoet (H. Michaelis)

ONZICHTBAAR
kom je mij tegemoet
op mijn moeizame tocht
door het maanlandschap
van de tijd.

Onhoorbaar
dringt je stem door
tot mijn geheimste
luisterpost.

Jij die al mijn wegen kent,
die mij ontcijferd en gelezen hebt,
blijf bij mij
onzichtbaar, onhoorbaar
en leid mij over de drempel
van de dood.
Langzaam beweeg ik mij voort (H. Michaelis)

LANGZAAM beweeg ik mij voort
door windstille vlakten.
Er is niets meer te vrezen,
niets te verwachten.

Voetstappen blijven
zwakke geluiden in de mist.
Onbekende stemmen
dringen vaag tot mij door.
Waarom zou ik antwoorden?

Blindelings levend
in het verlengde van je dood
verwijder ik mij onmerkbaar
van je graf, op weg
naar het mijne.

Jaren later op een heldere middag (H. Michaelis)

JAREN later
op een heldere middag
vol nuchtere geluiden
en bezigheden in een huis
dat je nooit heeft gekend,
herinner ik mij plotseling
hoe zacht je ogen werden
als je me aankeek.

En even verschijn je mij
ten voeten uit, onverwacht
overgekomen uit het tijdloze.
Zo zacht zijn je ogen
dat ze mij verzoenen
met je weggaan, sneller
en onverwachter dan je komst.
Wonderlijk heimwee naar (H. Michaelis)

WONDERLIJK heimwee
naar de onnozelste dingen.

Driftige voetstappen op de trap.
Een gestalte in tegenlicht
Ogen versluierd door de rook
van een haastig opgestoken sigaret,
Een hand op het stuur van de auto
waar nu een vreemde in rijdt,
misschien wel door hetzelfde landschap
als wij vroeger.

Lieve herinneringen.
Lieve dode.
In deze dagen… (M. v.d. Berg)

Onzichtbaar
maar des te meer voelbaar
is in deze dagen
ons gemis.

Dat maakt deze dagen
donkerder en langer
dan de nacht.

In ons huis
branden we een lichtje
bij Wilriekes foto.

Ze is nooit
uit onze gedachten.
Spreken over haar
geeft troost.

Jullie aandacht,
het noemen van haar naam.
Jullie delen van
herinneringen.

Het soms stilzijn met ons
doet goed en geeft licht
in onze nacht

Jullie aandacht is als een zachte hand
op onze schouder.
Een zachte hand van de Eeuwige

Sluipend ongemerkt raakte jij uit onze tijd
(M. v.d. Berg)

Sluipend ongemerkt
raakte jij uit onze tijd.
Je ging in je eigen tijd leven.
Je trok je niet zoveel meer aan
van onze gewoontes.
Je ging je eigen gang.
Jij doorbrak steeds meer
onze gang van zaken.

Sluipend ongemerkt
raakte jij uit onze tijd.
Je ging weer op zoek
naar waar je vandaan kwam.
Je vergat gewoon even
dat je gehuwd was
en kinderen had.
Je zocht je eigen kindertijd weer op.
Je was boos
als wij dat niet begrepen.

Sluipend en ongemerkt
raakte jij uit onze tijd.
Je liet ons leven
in twee tijden tegelijk:
die van jou
en die van ons.

Zo waren wij
soms meer verward dan jij.
We keken elkaar aan
en vroegen ons af:
hoe kon dit toch?
In ons hart voelden we ons
in de steek gelaten.
Jij liet ons zomaar zitten
in onze tijd
met de handen in het haar

Soms, als er niets wordt gezegd,
jij even rust vindt
op je eindeloze dwaalwegen,
dan even ontmoeten onze handen
en onze ogen elkaar:
alles lijkt vergeten,
de pijn en de onrust,
onze ontmoeting is vrede.
De tijd staat even stil.

AIs de donkere nacht

AIs de donkere nacht
van ’t verdriet om ’t verlies
je overvalt
als ’n overval,

als je in je levensboot
alleen verder moet
beroofd van wie jouw liefste
en warmste licht was,
dan word je zoeker
naar licht en troost,
tastend als ’n blinde,
beroofd van licht.

Als je liefste licht sterft,
sterf je mee
en word je ondergedompeld
in ’t donkere water
van ’t verdriet.

Als die dingen gebeuren,
ontsteek dan dit licht,
omdat ons beloofd is
dat de nacht zal overgaan
in troostend ochtendlicht.
De stilte komt de trap af (M. v.d. Berg)

Hoe lang is het al geleden
dat jij de trap afkwam,
gewoon om de nieuwe dag te beginnen,
koffie te zetten
en naar je werk te gaan, onbezorgd.

Hoe lang is het al geleden
dat jij de trap opkwam,
gewoon om de dag te besluiten,
tanden te poetsen,
en je lichaam neer te leggen wel te rusten.

Toen kwam de tijd
dat het steeds drukker werd
op de trap.
Vreemden kwamen,
vreemden gingen.
Velen kwamen de trap op
en gingen de trap af,
jij betrad de trap niet meer.

Nu komt alleen nog de stilte
van de trap af:
Soms denk ik dat het nu lang
genoeg heeft geduurd,
dat je wel weer gewoon de trap
af kunt komen,
om de dag te beginnen.
Dan voel ik nog steeds meer
dat alleen nog de stilte van de trap afkomt.
Voor wie niet verder kon leven

Bij wie kan ik schuilen
in dit uur
in deze vreemde dagen,
de dood om mij heen,
nog zo onverwacht toch
na alles.

Bij wie kan ik huilen
in deze dagen
bij dit afscheid
van jou,
die als levensdood
geen plek meer vond
om te schuilen.

Jij verlangde zo naar een plaats
om te schuilen.
Nergens kon jij die vinden.
Jij huilde van binnen
al jouw jonge jaren
totdat je nog slechts naar
de dood kon verlangen.

Jij ging stil van ons weg,
eenzaam en zonder gerucht,
in de vroege ochtend.
Jij kon niet meer opstaan.
Jij ging een ander licht
tegemoet,
vriendelijk en veilig
om bij te schuilen.

Mag dat Licht jou groeten
en omarmen,
een schuilplaats voor jou zijn.
Niemand gaat echt dood

Niemand gaat echt dood
Iedereen leeft voort
In andermans denken, doen en voelen
En als je goed geleefd hebt
Dan leef je na de dood
Meer dan ooit tevoren.

Barensweeën (M. v.d. Berg)

Onzichtbaar voor anderen
maar des te meer voelbaar
voor ons, voor mij,
gaat ons kind
met ons mee
op de levensweg.

Ons kind
dat ons leven veranderde
bij de geboorte,
maar nog meer
voor altijd ons leven veranderde,
toen de dood ons
van het kostbaarste beroofde.

Onzichtbaar voor anderen,
maar des te meer voelbaar
voor ons, voor mij,
is ons kind
afwezigaanwezig
bij ons, bij mij
als een wond
die schreiend schrijnt.

Weer zijn er
de barensweeën
om opnieuw geboren
te worden uit de pijn
van ons verdriet:
vaak onzichtbaar
maar des te meer
voelbaar.

Zo graag zou ik trots

Zo graag zou ik trots op
je willen kunnen zijn:
’n trotse vader
Zo graag zou ik willen zien
hoe je als ’n jonge boom
openbloeit en omhoogschiet.

Zo graag zou ik willen zien
hoe je ’n lust voor het oog
wordt in ’t landschap van de mensen

Zo graag zou ik met je willen praten,
horen wat jij vindt van de dingen
van vandaag.

Zo weinig mensen begrijpen
dat ik je niet minder
maar steeds meer mist

Sinds die dag dat je niet
terugkeerde.

Nu we jou dit huis uit zullen dragen

Nu we jou dit huis
uit zullen dragen:
uit huis waar je zo graag was,
uit huis dat je tot een thuis maakte,
‘je aardse paradijs’,

dit huis zo mooi gelegen,
‘altijd wat te zien’
‘altijd wat te doen’,

dit huis waar je je kinderen ontving
en je kleinkinderen, je broers en zwagers
en ieder die maar aankwam,

dit huis waar je je deur openhield,
dit huis waar je je laatste jaren
deelde met de liefste mens van jouw leven,

dit huis waar je van elke dag
een feestdag maakte en je laatste verjaardag
het laatste hoogtepunt was

nu we jou dit huis uitdragen,
beseffen we nog maar half,
hoe dit huis voor altijd anders
zal zijn: leger en stiller.

Nu we jou dit huis uitdragen
groeten we je
In de verwachting van een nieuw
thuiskomen voor jou.

Allerzielen

Het wordt nu vroeg donker, zegt mijn groenteboer.
Er zijn steeds meer kaarsen in de winkels, merk ik.
De eerste herfstwind heeft al veel gekaald.
Vandaag is het nog een zachte dag, 2 november.

Velen bezoeken het graf, niet vindend wat ze zoeken.
Anderen dwalen in huis, want de as werd verstrooid.
Sommigen nemen een hark mee en nieuwe bloemen.
De dierbare plek krijgt zo veel mogelijk zorg.

Het is druk en stil in de dorpskerk die avond.
Ieder is gekomen met de naam in het hart van
zijn dierbare.
Namen geschreven in de palm van Gods hand,
zegt de priester.
Hij zegt zijn tedere woorden duidelijk en rustig.

Zesentwintig namen worden dit jaar genoemd.
Zesentwintig kaarsjes worden ontstoken aan het Licht.
Soms wordt het diep stil, houdt elk gehoest op.
De namen worden genoemd van wie nog zo jong waren.

Het meest luister je naar je eigen naam.
Het meest kijk je naar dat éne kaarsje voor haar,
voor hem wiens naam blijft geschreven in jouw hart.
Stil keren we in het donker terug naar onze huizen.

Allerzielen, zielsgenoten samen, ieder ook alleen.
Allerzielen, gedenken mag, gedenken moet,
gedenken is leven.
Streep geen namen door in de verhalen,
in het gedenken.
Lever niemand uit aan de dood
van het niet meer noemen.

Geschreven in ons hart, in de palm van Gods hand…
de kern van een mens, haar diepste bezieling,
zijn goddelijk licht dat blijft en ons verlicht,
als de avonden vroeg en donker worden,
de winter nadert.
Voor hen die ik liefheb

Voor hen die ik liefheb, en zij die mij liefhebben:
als ik ben gegaan, laat me los, laat me gaan.
Ik heb zoveel dingen te doen en te zien;
bind jezelf niet aan mij vast met tranen:
wees verheugd over zoveel goede jaren.

Ik gaf je mijn liefde; je kunt slechts gissen
hoeveel je mij gaf in vreugde.
Ik dank je voor de liefde die wij aan elkaar
hebben getoond
maar nu is het tijd dat ik alleen verder reis.

Wees een tijd verdrietig om mij, want verdriet hoort erbij,
maar laat dan je verdriet omhelsd worden door troost.
Het is slechts een tijd dat we moeten scheiden;
daarom zegen de herinneringen in je hart.

Ik zal niet ver zijn, het leven gaat verder;
en als je mij nodig hebt, roep me en ik kom.
En hoewel je me niet kunt zien of aanraken
ik ben dicht bij je
en als je luistert met je hart
zul je horen
al mijn liefde om je heen, zacht en helder.

En als je moet gaan, deze weg, alleen,
ik zal je begroeten met een glimlach
en een ‘welkom thuis’.

De dood en het besef van de dood

De dood en het besef van de dood
kan rustgevend en vredebrengend zijn.
Dat klinkt wellicht wat vreemd
in de oren van de mensen
die zich zelfs in hun vrije tijd laten opjagen:
‘Ik moet nog zoveel’, ‘Ik wil nog zoveel’,
‘ik moet er niet aan denken dat ik op een dag
al deze dingen niet meer zou kunnen doen’.

De dood, en het besef van dood
kan rustgevend en vredebrengend zijn.
De dood is angstaanjagend
voor mensen die uiterlijke schoonheid,
lichamelijke gezondheid en materiële rijkdom
als belangrijkste idealen in hun leven zien.
Nogal wiedes, de dood zegt hun
hoe relatief, hoe beperkt hun idealen zijn.

De dood, en het besef van dood
kan rustgevend en vredebrengend zijn.
Hoe vaak hoor je niet mensen zeggen
die met de dood in aanraking zijn geweest:
‘Ik heb geleerd om meer te genieten
van de kleine dingen in mijn leven’.
En: ‘Ik maak me geen zorgen meer
of ik mijn werk wel of niet af krijg’.

De dood, en het besef van dood
kan rustgevend en vredebrengend zijn.
Het klinkt misschien vreemd,
maar het lijkt wel of je het meeste leert
van de dingen waarvoor je het meest bang bent.

Zingen (H. Bouma)

Zingen
van liefde zingen

tegen beter weten in

tegen de klippen op
de onverbiddelijke
klippen van de dood

tegen de lippen op
de bevroren lippen
van je eigen wanhoop

zingen
van liefde zingen
een gat in de nacht

zingen
tot wonder boven wonder
de werkelijkheid wijkt

en alles en alles
weer opnieuw begint

En als ik doodga treurt maar niet

En als ik doodga treurt maar niet
Ik ben niet echt weg moet je weten
Het is de heimwee die ik achterliet
Dood ben ik pas als jij mij bent vergeten

“Als een bloem zo is het leven
het begin is teer en klein
De een die bloeit uitbundig
de ander geurt heel fijn.

Sommige bloemen blijven lang
weer anderen blijven even
Vraag niet bij welke groep je hoort
dat is het geheim van het leven.”

Er is een wereld van mensen,
zo vol macht en zo dicht.
Er is een wereld van sterren,
zo zacht en zo licht.
Vind je rust in jouw wereld
eindeloos, onwezenlijk, veilig.

Mijn liefde zal blijven

Mijn lichaam deed pijn,
niets kan me meer deren.
Mijn lichaam ging dood,
maar zelf leef ik verder.
Voor altijd met jou verbonden.

Leef maar, LEEF maar,
bewaar mijn gedachten,
de goede herinneringen,
ons vallen en opstaan.

Het mooiste
wat je mij mee kunt geven
is jouw groeien en bloeien
en intens leven.
Mijn liefde zal blijven,
mijn liefde de zal stromen
en alles zal goedkomen.
Alles komt goed.

Uniek

Uniek jouw oogopslag
de manier waarop je
met ons sprak
over jouw heengaan.
Uniek zoals je
met ons omging
de manier waarop
Je liep, stond en zat.
Uniek jij,
hoe kun je dan weg zijn
voorgoed onvindbaar?
We begrijpen het niet, neen
We willen er niet aan.
Uniek jij
enig, onvervangbaar.
Daarom blijft er iets van jou ons bij
en ben jij niet weg, jij
want: uniek jij, voor ons
en zeker voor God
bij wie je
voorgoed geborgen bent.

Moed houden, eenvoudig voortgaan

Moed houden,
eenvoudig voortgaan als je kunt.
De weg gaan zoals die komt met zijn voor en tegen.
Je ogen die een lamp zijn van je ziel
en die meer zeggen dan je mond verwerken kan.
Doen wat voor de hand ligt,
antwoorden geven als die er zijn
met een lach, maar ernstig gemeend.
Praten me je allerliefsten
of zwijgen als het mysterie te groot is.
En intussen niet teveel omzien,
want de weg van het leven gaat soms dwars door je hart.

Moed houden,
eenvoudig voortgaan als je kunt.
En als je niet kunt
wachten en uitrusten bij wie je zorgen deelt
of bij een vriend/vriendin, als die er is,
zomaar een gesprek, eerlijk en vertrouwd.
En als die er niet is
toch wachten…
Dan maar alleen…
Wachten tot het weer gaat, straks…

Huil niet aan mijn graf
“Mijn hart brak. Een uitspraak van Da Free John bleef maar door me heen gaan: ‘Beoefen de wond van de liefde… beoefen de wond van de liefde.’ Echte liefde doet pijn; echte liefde maakt je totaal kwetsbaar en open; echte liefde zal je ver voorbij jezelf brengen; en daarom zal echte liefde je vernietigen.
Ik moest steeds denken, als liefde je niet verbrijzelt, ken je geen liefde. We hadden beiden de wond van de liefde beoefend, en ik was verbrijzeld. Als ik er op terug kijk, komt het me voor dat we op dat eenvoudige en direkte moment beiden zijn gestorven.”

Huil niet aan mijn graf;
Daar ben ik niet. Ik slaap niet.
Ik ben duizend winden die waaien;
Ik ben de diamanten schitteringen op sneeuw.
Ik ben het zonlicht op rijp graan;
Ik ben de zachte regen in de herfst.
Als je wakker wordt in de stilte van de ochtend,
Ben ik de zwerm van vogels
Die in een vlaag opstijgen.
Ik ben de zachte ster die s nachts schijnt.
Huil niet aan mijn graf,
Daar ben ik niet…

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s