gedichten rond de dood 1

stok 17

Alle gedichten op PDF: Rond rouw en verdriet 1 compl

Gedichten rond de dood gedichten rond de dood 1 –  uitgave Badhoevedorp 1995

Inhoud

  • Tot de doden
  • Weten (Stil aan je bed te staan)
  • Sterven is een manier van leven (Jetty Roels)
  • Ook met de kinderen
  • Mijn man
  • Ik hoop maar dat het waar is
  • De hoop die ons doet leven
  • God heeft u van mij afgeëist
  • Doen in dienst van het leven
  • Er zijn momenten in je leven
  • Dit wordt het laatste gedicht
  • Ik ben op reis…
  • Je bent niet dood (Nel Benschop)
  • Er groeit in mij een boom van grijs verdriet
  • Toen je het wist… (Nel Benschop)
  • Meer dan een moeder troost … (Nel Benschop)
  • De profundus (Nel Benschop)
  • Voor wie verdrietig is (Nel Benschop)
  • Jezus weende (Nel Benschop)
  • Zwart als git
  • Herinnering (Nel Benschop)
  • De dood (Nel Benschop)
  • Als God eerlijk zei (Nel Benschop)
  • Een boom in de wind (Nel Benschop)
  • De oude man (Nel Benschop)
  • Heer geef ons alstublieft (Nel Benschop)
  • De laatste vijand (Nel Benschop)
  • Portret (moeder) (Nel Benschop)
  • Donkere weg (bij de dood van een kind) (Nel Benschop)
  • Te laat (Nel Benschop)
  • Amen (Nel Benschop)

Tot de doden (Ed. Hoornik)

Wij kunnen u niet meer bereiken,
wij komen een zintuig tekort,
wij leggen ons neer bij de feiten
dat gij minder en minder wordt.

De enkele keren dat ge
in dromen ons nog verschijnt,
wordt gij al ijler en ijler
tot ge voor altijd verdwijnt.

Straten houden uw namen
voor heden en morgen in stand,
maar onze kinderen brengen
ze niet meer met u in verband.

Het land ligt nog net als het toen lag
van polder tot polder te kijk;
de mensen die er in wonen
blijven zichzelve gelijk.

Maar éénmaal per jaar is de stilte
tot de hemel toe van u vervuld
en belijden wij zonder woorden
onze dankbaarheid, onze schuld.
Weten (Stil aan je bed te staan)

Stil aan je bed te staan
en geen woord weten te zeggen
verlegen zijn met onze eigen kans, gezondheid,
geest en kracht
weten dat jij nog maar zo kort van het leven
mag getuigen
dat je je taak als mens bijna volwaardig hebt volbracht.

Stil aan je bed staan en zo veel gevoelens hebben
die niet naar buiten komen door een eenzaam
groot verdriet
tranen die onverwacht langs je wangen glijden
van machteloosheid, pijn, je vindt de juiste
woorden niet.

Stil naar je kijken en onze liefde voelen
je was zoveel voor ons en we hebben het nooit
hardop gezegd
de pijn die we elkaar onnodig soms wel eens bezorgen zijn we allang vergeten en ze zonder naklank weggelegd.

Stil aan je bed staan en alleen maar naar je kijken
verlegen zijn met eigen kans,
gezondheid, kracht en geest
weten dat jij straks niet meer in de volle zon zult zitten maar dat je ons leven zonder jou nooit zonnig
was geweest.

Sterven is een manier van leven (Jetty Roels)

Sterven is een manier van leven.
’t Is zich een laatste maal geven,
aan alles wat men bemint.
’t Is een laatste maal wenen,
om wat men droevig vindt.

Sterven is een manier van voelen.
’t Is het bevredigen van al het verlangen,
als de dood nader schrijdt,
en rond alles een nevel komt hangen,
dan schreidt men zonder spijt.
Leven is een manier van sterven.
’t Is een eindeloze wachten,
al die nachten,
dat de dood niet kwam,
dat ze niet nam.

Leven is een manier van voelen.
’t Is al de diepte ,al de pijn,
die men kan verwerven.
Moest ik nu sterven,
mijn laatste groot gevoel
zou vriendschap zijn.

Ook met de kinderen

Ook met de kinderen is het niet anders.
Als ze sterven houdt de dag niet in.
Geen grasspriet trilt om hun vervlogen leven.
Geen steen wordt minder steen om hun vergaan.
De tijd blijft op zijn laatste benen lopen
en dringt steeds dieper in de ruimte door.
Ook bloed wordt uit zijn kringloop weggestoten,
het absolute nulpunt tegemoet.

Ook met de kinderen is het niet anders.
Zij hebben iets van kleine sterren weg
die doven eer hun kracht zich kan ontsluiten
en ergens licht zaaien in het heelal.
Mijn man (Willem Wilmink)

Ik ben nooit meer
naar zijn graf gegaan
Is dat schande? Nee
Ik voel het anders aan.

Ik weet zeker
dat ik hem niet vind
op dat kerkhof daar,
in de koude wind.

Maar wel voel ik
zijn aanwezigheid
waar we samen waren
in die oude tijd.

Dikwijls is het
of hij naast me gaat.
Of ‘k hem spreken kan,
vragen kan om raad.

‘k Vind dat hij het
dichtste bij me is,
als ik troost behoef
in mijn droefenis.

Maar is een dag eens
mooi en goed geweest,
juist dan mis ik hem,
mis ik hem het meest.

Ik hoop maar dat het waar is (Frans Hoppenbrouwer)

Mijn oma is gestorven;
ze was al heel erg oud.
Ze hebben haar begraven
en het lijkt me erg koud
om daar te moeten liggen
onder zo’n grote steen.
Mijn oma is gestorven,
nou ben ik ècht alleen.

Ik kon fijn met haar praten,
ze had zoveel geduld.
Ze gaf, zoals zo vaak gebeurt,
me niet altijd de schuld.
Maar nou is ze begraven
en ik heb niemand meer.
Ik hoop maar dat het waar is,
dat van Onze Lieve Heer.

De hoop die ons doet leven

Wij bestaan niet
om zestig of tachtig jaar
hier te zwoegen
voor een betere wereld,
om daarna spoorloos
en naamloos te verdwijnen in de leegte.
Wij zijn bestemd voor
de levenschenkende ontmoeting met God
wij zijn op weg
naar een vaderhuis,
waar plaats is voor velen;
wij zijn aan het bouwen
aan een wereld
die onvergankelijk is;
wij zijn bestemd voor een rijk
dat voor ons bestemd is
vanaf de grondvesting
van de wereld.
Dat is de hoop
die ons doet leven.
Die hoop en dat geloof
roept ons hier tezamen:
De dood heeft niet
het laatste woord:
De liefde heeft
het laatste woord; de dood is een tunnel.
Er is een óverkant!

God heeft u van mij afgeëist (Willem de Mérode)

God heeft u van mij afgeëist,
en nu de tedere avond grijst,
buig ik, niet meer vermetel,
bij uwe lege zetel.

Hoe zal ik zeggen, ziek van leed:
‘Hij doe, al schijnt het nog zo wreed,
wat goed is in Zijn ogen,
Zijn recht is vol mededogen.’

O dit, dat Hij zijn kinderen slaat,
en plotseling in hun midden staat
om ’t liefste weg te rukken!

En duidelijk hoor ‘k mij gezegd:
‘Kind ik heb veilig weggelegd,
wat anders viel in stukken.’

Doen in dienst van het leven (Adri Bosch)

Dat buurten saai zijn, grauw en koud,
geen plekken waar je leuk kunt spelen,
en dat er iemand van je houdt
die tóch die plek met jou wil delen;
dat mensen, sterk en nog niet oud,
geen werk, geen baan meer kunnen krijgen
en dat ze vastbesloten zijn
zich tóch niet dood te laten zwijgen:
zou dat de triomf van het leven niet zijn?
Dat mensen ziek zijn, meer en meer,
geen kans om ooit nog te genezen,
en dat ze zeggen, tóch maar weer,
de dood kan niet het einde wezen;
dat duizend rampen dalen neer
en onze lieve aarde treffen
en dat er tóch weer mensen zijn
om hen die vielen op te heffen:
zou dat de triomf van het leven niet zijn?

Stil worden om jou te herinneren (M. v. d. Berg)

Stil word ik in mij zelf.
Jou wil ik voelen in mij.
Ik hoor nauwelijks het geschuifel
van de voeten.
Mensen zijn gekomen.
Van alle kanten.
Verbonden met jou waren ze.

Stiller word ik in mijzelf.
Verdoofd ben ik nog.
Niet te zeggen hoe ik mij voel.
Alles zo vreemd.
Ben ik dit wel zelf?
Zal het morgen niet gewoon een
andere dag zijn?
Alsof er niets gebeurde?

Zo anders stil word het in mij.
Jou herinner ik mij.
Jouw gezicht voor mij.
Je zou nog zo een woord kunnen spreken.

Zo anders stil word ik nu.
Jouw naam klinkt.
Een kaars wordt ontstoken.
Jij licht in mij.
Jij licht voor mij.
Jou wil ik mij te binnenbrengen.

Zo stil word ik nu…

Er zijn momenten in je leven

Er zijn momenten in je leven,
die wilt delen met anderen.
Momenten van vreugde, verdriet, zorgen en
momenten van gewone alledaagse dingen.

Elke dag honderden mensen,
die je tegen het lijf loopt,
maar slechts een paar ervan
noem je vrienden.

Honderden mensen, die je nodig hebt,
om te leven, te werken,
om voor te kunnen werken.

Vrienden die je nodig hebt,
om mee te kunnen praten, te lachen,
die jouw idealen hebben,
mensen om jouw leven mee te delen.

Maar dan merk je dat er één is,
die meer voor je is, dan een gewone vriend.
Dat er één is, die meer voor je betekent,
dan wie ook.

Het is een gevoel
dat je niet kunt omschrijven.

Je weet dat het iets te maken heeft
met fijn kunnen praten,
samen aan je idealen kunnen werken.

Het heeft iets te maken met
eerlijk tegenover elkaar staan,
elkaar vertrouwen.
Jezelf kunnen zijn,
maar je voelt dat het meer is dan dat.
Je kunt elkaars goede kanten waarderen
en elkaars fouten accepteren.
Jouw idealen worden jullie idealen.
Jouw zorgen worden jullie zorgen.
Jouw geluk wordt jullie geluk.
Jouw leven wordt jullie leven.

Je weet dat je niet meer alleen staat…

auteur onbekend

Dit wordt het laatste gedicht (H. Andreus)

Dit wordt het laatste gedicht wat ik schrijf,
nu het met mijn leven bijna is gedaan,
de scheppingsdrift me ook wat is vergaan
met letterlijk de kanker in mijn lijf,

en, Heer (ik spreek je toch maar weer zo aan,
ofschoon ik me nauwelijks daar iets bij voorstel,
maar ik praat liever tegen iemand aan dan
in de ruimte en zo is dit wel

de gemakkelijkste manier om wat te zeggen),
hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht
van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in

het onverhoeds onnoemelijke begint?
Of is het dat jij me er een onverdicht
woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt.

Ik ben op reis

Ik ben op reis, al weet ik niet waarheen
maar ergens stond geschreven
dat ik deze weg moest gaan
en al aarzel ik soms even langs die eindeloze baan
toch weet ik: iemand ging mij voor
en daarom ga ik door.

Ik heb geen geld, geen kaart en geen kompas
maar ik zie de tekens en die zeggen mij genoeg
en al geeft er niemand antwoord
op de dingen die ik vroeg, toch weet ik:
aan het eind vind ik gehoor
en daarom ga ik door.

auteur onbekend

Je bent niet dood (Nel Benschop)

Je bent niet dood.
De heer heeft je geroepen
bij Hem te wonen in zijn glanzend huis.
Je hoeft geen rust en vrede meer te zóeken
je hebt ze nu …, want je bent veilig thuis.
Je bent niet dood,
je mag voor eeuwig leven.
Je bent verlost van onvolkomenheid,
van pijn en verdriet.
God zal je geven
een onbegrensd geluk in onbegrensde tijd.
Je bent niet dood.
Maar ach, ik zal je missen,
zoals de mens de meest geliefde mist.
De jaren van geluk zijn nooit meer uit te wissen,
en ik geloof: God heeft zich niet vergist.

Er groeit in mij een boom van grijs verdriet (Nel Benschop)

Er groeit in mij een boom van grijs verdriet,
bloeiend met parelmoeren bloesems.
Geen vogel heeft er ooit zijn nest gebouwd,
geen dier komt rusten in zijn schaduw.
Mijn boom is stil.

Alleen de bloesems
laten hun tak geruisloos los
om traag, onmerkbaar neer te dalen:
een meer van onvergoten tranen
waarin mijn boom weerspiegeld staat,
eenzaam onder een bleke hemel.

Toen je het wist… (Nel Benschop)

Wat moet ik doen? Wat moet ik je nu zeggen?
Al wat ik zeggen kan klinkt zo goedkoop:
dat ik mijn gebeden voor Gods troon zal leggen,
dat je vertrouwen moet, op hoop zelfs tegen hoop?
Maar ’t is onmogelijk, dat ik me in kan denken
hoe jij je voelt, hoe jij je leven ziet;
onmogelijk, om woorden te bedenken
die kunnen helpen. Nee, ik kàn het niet.
Ik weet alleen dat jij de lijn moet grijpen
(en dat geldt net zo goed voor jou als voor mij)
die God je toegooit als de nood gaat nijpen.
Denk aan wat Jezus vóór zijn lijden zei:
“Uw hart zei niet ontroerd, wees niet verslagen,
Geloof in God, in Mij, die je bevrijdt.
Want wie zijn kruis achter Mij aan wil dragen
zal met Mij leven tot in eeuwigheid.”

Meer dan een moeder troost … (Nel Benschop)

Stil maar, Mijn kind Ik weet van je verdriet.
Huil nu maar uit; je hoeft niet flink te wezen.
Het zal wel duren, voor je wonden zijn genezen;
Ik weet het. Droeg Ik al de smart der wereld niet?

Stil maar, Mijn kind Ik weet wat je behoeft:
Woorden van troost, die om geen uitleg vragen,
een arm die steunt en die je last helpt dragen,
een hart dat meeschreit om wat jou bedroeft.

Stil maar, Mijn kind de nacht gaat weer voorbij;
Ik strooi het licht uit, waar je voeten lopen,
Ik doe de dichte deur weer voor je open,
Ik ben er altijd. Maar vertrouw op Mij.

Stil maar, Mijn kind Ik geef je troost en moed,
meer dan een moeder aan haar kind kan geven.
Je naam staat in Mijn handpalmen geschreven:
Ik schreef de letters met Mijn eigen bloed …

De profundus (Nel Benschop)

“God” zeg ik, en alleen maar: “God”.
Ik zeg het woord stil voor mij heen-
O God, wat voel ik mij alleen,
hoe komt mijn levensschip weer vlot?

“God” zeg ik, en dat kleine woord
is als een kreet om hulp, om kracht.
Ik heb zó lang op u gewacht,
maar hebt u wel mijn stem gehoord?

“God” zeg ik, en ik weet niet meer
wat ik u verder zeggen moet;
Uw naam is mijn gebed om moed,
maar ook mijn opstand, mijn verweer.

“God” zeg ik, en alleen maar: “God”.
Tot eindelijk, in een zachte wind,
Uw antwoord komt: “Mijn kind, Mijn kind”,
en ik het uitsnik: “God, mijn God!”

Voor wie verdrietig is (Nel Benschop)

Mijn God, hoe kan een mens zó eenzaam zijn,
zo aan zijn eigen wanhoop vastgeketend,
zo zonder hoop of licht, en niets meer wetend
dan enkel dit: mijn hart doet pijn, doet pijn.

Mijn God, hoe kan een mens zo droevig zijn,
en zo vervuld van eindeloos verlangen
naar wie door niemand ooit is te vervangen,
die met ons ’t brood brak, met ons dronk de wijn.

Mijn God, wie lijdt dit lijden werk’lijk méé?
Wie kan er in dezelfde diepte dalen?
De duivel met gelijke munt betalen?
– Eer dat ik u vergeet, Gethsémané.-

Jezus weende (Nel Benschop)

Ik vind geen woorden om het je te zeggen
hoe wij hem zullen missen, allemaal.
Het diepst gevoel is moeilijk uit te leggen,
het hart spreekt een niet uit te spreken taal.
Dit sterven is zo moeilijk te verwerken,
zijn léven was ons allen zoveel waard.
Hij was een van die stille, geestlijksterken
die iedereen, alleen zichzelf niet spaart.
Ik vind geen woorden om je troost te brengen,
want hier zwijgt mijn verstand, mijn mond staat stil.
Wie kan zijn leven met één dag verlengen?
Het is precies zo lang als God het wil.
Ik weet het niet, ik kan de zin niet vinden
van wat God met dit sterven heeft bedoeld.
Maar Jezus weende, toen de vriend die Hij beminde
gestorven was. Hij weet, wat je nu voelt.

O nee, ik kan het je niet zeggen
waarom het lijkt, of God je niet verhoort;
Ik wil niet trachten, het je uit te leggen,
ik kan het niet: onmachtig is mijn woord.
Het is onmogelijk, je te verklaren
waarom de liefste mensen van ons gaan.
Je kunt je er wel blind op blijven staren,
maar raakt steeds verder van de Heer vandaan.
Ik weet het niet, waarom de mensen lijden,
waarom er zoveel pijn is en geweld,
waarom het je niet lukt, je te bevrijden
van wat je in een wurggreep houdt omkneld.
Ik heb geen ander antwoord op je vragen
dan dat je blindelings vertrouwen moet,
omdat de Heiland Zelf jouw last wil dragen.
Hij zorgt voor je, zoals een vader doet.
Misschien klinkt je dit alles afgesleten,
je zegt misschien: “Die troost is wel goedkoop”.
Maar als ik dit niet wist, dan zou ik niets meer
weten: In leven en dood is het mijn enige hoop.
Zwart als git

Zwart als git wordt het licht,
aardedonker de zon.

Loodzwaar hangen de wolken,
na regen klaart het niet op.

De huisbewaarder vlucht uit het huis
en onbeheerd blijft het achter.

Bomen van mannen
beven als riet.

De harde hand van de molenaarsvrouw
is moe van het malen.

Toonloos wordt een liedje gezongen,
ijl klinkt de stem van een vogel.

Iedere hoogte is me te hoog,
trappen te steil, woorden te veel,
ik durf de schrikwekkende
straten niet meer begaan.

Ach olijven, je smaakt me niet meer,
amandelbomen, bloei niet voor mij.

Ik streel je nog wel maar voel je niet meer,
zegt de ene mens tot de ander.

Weg weg naar je eeuwige huis,
roepen de doodgravers door de straten

voort, naar onze blijvende woning,
roepen de doden de levenden toe.

Het zilveren snoer wordt doorgeknipt,
de gouden lamp valt stuk op de vloer.

De kruik barst aan de boorden van de bron,
het scheprad schept geen water meer.

Stof wordt stof en leem wordt leem,
alles keert naar zijn oorsprong terug.

De adem stroomt naar de ademzee,
tot Hem die leeft.

H. Oosterhuis

Herinnering (Nel Benschop)

Omkijken? Liever niet.
Want kijken, echt kijken doet pijn.
Je voelt weer hoe het was, de pijn, het gemis.

Omkijken? Liever niet.
En als het moet, dan maar gewapend als be
ton, met droge ogen.

Herinnering. Zonder tranen gaat het niet.
Maar door de tranen heen blijft liefde levend,
vind jij jezelf terug.

Herinnering.
Alleen wie om kan kijken, kan vooruit zien.
Wie tranen zaait, zal licht en toekomst oogsten.

De dood (Jochen Börner)

Deur,
door jou heen
kunnen wij de aren
naar de dorsvloer dragen,
onze hartsgedachten.

Naar ons toe vloeit
door jouw duisternis
licht,
dat ons gebiedt te leven,
ons land te bewerken.

Jij
spoort ons aan ongewapende
leerlingen van jou te worden,
leerlingen in
de werkplaats van de Verrezene.
Als God eerlijk zei (Nel Benschop)

Als God eerlijk zei:
Straks maak ik één van mijn laatste tochten
maar heden heb ik niets geen haast
Ik wring mij nog in allerlei bochten
maar moet ik gaan, ben ik toch verbaasd

Toch leef ik in mijn laatste dagen
Bijna gereed voor de laatste reis
en zal ik die sprong eens wagen
wordt ik weggelokt van ‘aardse paradijs

Het wordt ’n eindeloos gevecht
Ik schijn er soms aan te bezwijmen
en heb ik niet mijn eigen recht
om te weten…wat ligt er achter die horizontale lijnen

Want ik moet gaan, zoals zovelen
Wat geeft het of ik zeg, dat ik ’t haat
ik ben gedoemd dat lot met anderen te delen
en denk, mijn god, wat is dat voor verraad?

Hij is gestorven, omdat wij zouden leven
maar daar wij nog ten onder gaan
zou ik er alles voor willen geven
als God eerlijk zei…’ik maak’t ongedaan’

Een boom in de wind (Nel Benschop)

Laat mij, o God, een boom zijn in uw tuin:
de wortels in de aarde, maar de takken
omhoog, om zo de hemel vast te pakken,
en recht de stam, en bloemen in de kruin.

Laat mij een schaduw en een schuilplaats zijn,
en laat mij récht staan, als uw stormen loeien.
Laat, Heer, mij langzaam naar uw hemel groeien,
en laat mij wuiven in uw zonneschijn.

Ik bid U ook, Heer, dat Gij vruchten vindt
wanneer de tijd van oogsten is gekomen;
Uw levenssappen moeten door mij stromen
Laat mij een boom zijn, ruisend in uw wind!

De oude man (Nel Benschop)

Hij was een wijze oude man
en mild in spreken en in hand’len,
hij mocht, als Henoch, met God wand’len
totdat zijn Heer hem bij zich nam.

Hij was een man, die metterdaad
God wilde dienen in zijn leven;
hem werd de heerlijkheid gegeven
die voor Gods kind te wachten staat.

Daarom is er, naast het gemis
van hem, die nu werd weggenomen
die blijde zekerheid gekomen
dat hij in ’t Rijk van Vrede is.

Heer geef ons alstublieft (Nel Benschop)

Heer geef ons alstublieft een beetje licht,
Want donker is de nacht en loodzwaar zijn gewicht
hij, die wij liefhadden, sloot zijn ogen dicht.

Heer, wij zouden willen vluchten uit het hier en nu,
want alles lijkt zo zinloos, klinkt zo cru
en wie wij liefhadden is voorgoed bij U.

Zegt U nu: Zet je voeten in mijn spoor,
Ik zal jullie ondersteunen, vecht toch door,
want wie je liefhad ging je enkel voor….

De laatste vijand (Nel Benschop)

Mijn God, waarom laat Gij juist díe mens sterven
die nog zoveel voor U had willen doen?
Waarom laat Gij uw mes geen dor hout kerven
in plaats van hout dat levend is en groen?
Waarom laat Gij uw naam vervloeken en bevlekken
en smoort de stem, die U bezingen zou?
Waarom moest d’aarde juist dàt lichaam dekken
dat nog zo veel voor U verrichten wou?
Waarom dooft Gij de vlam die helder brandde
en spaart het licht, dat nauwelijks schijnsel geeft?
Waarom verlamt Gij krachtigsterke handen
en spaart de slappe hand, die beeft?
Waarom mijn God? Ik kan geen antwoord vinden,
Uw raadselen zijn mij te hoog, te diep….
of weent Gij met ons, als met uw beminden
bij ’t graf van Lazarus, uw vriend, die sliep?

Portret (moeder) (Nel Benschop)

Grijsblauwe ogen: zomerlucht met regenwolken;
de mond vol wilskracht, toch gevoelig, zacht;
de houding luist’rend, of ze op iets wacht,
en handen die de ernst, het doorzetten vertolken.

Scherp in haar oordeel: woorden die als dolken
toestoten, waar ze ongerechtigheid vermoedt,
scherp onderscheidend tussen kwaad en goed,
bruisend van energie, als water bruist in kolken.

Wonderlijk mengelmoes van zachtheid, hard
heid, kracht,
altijd een ander beter dan zichzelf achtend,
altijd bereid tot geven, maar ook veel verwachtend
van liefde, sympathie. De moeder die haar zonen,
haar man, haar vrienden, metterdaad wil tonen
hoe overleg en wijsheid sterker is dan macht.

Donkere weg (bij de dood van een kind) (Nel Benschop)

Kind, ga met God het smalle, donk’re pad
waarop wij je niet kunnen vergezellen;
wij kunnen je alleen steeds weer vertellen
hoe wij je altijd hebben liefgehad.

Kind, strek je zwakke handen naar God uit:
wij zijn onmachtig om je vast te houden,
want om je heen is reeds de stervenskoude,
is reeds het stilvallen van elk geluid.

Kind, weet dat ons gebed steeds om je is;
maar innerlijk zijn wij uiteengereten;
want eindeloos verdrietig is het weten
dat soms de grootste liefde macht’loos is….

Te laat (Nel Benschop)

Ik heb je vaak alleen gelaten
wanneer ik je niet troosten kon;
ik heb zo dikwijls zitten praten
wanneer ik beter zwijgen kon;
ik heb je niet de steun gegeven
die je van mij verwachten kon;
ik leefde zó mijn eigen leven
dat ik je zelfs vergeten kon.
En nu God je heeft weggenomen
omdat Hij je gebruiken kon,
nu wilde ik, dat je wéér kon komen,
dat ik je nog eens zeggen kon
hoe schuldig ik me soms kan voelen
omdat ik niet deed wat ik kon,
omdat ik niet, naar Gods bedoelen
wat van Zijn vreugd verspreiden kon.
Maar wat voorbij is, kan ik niet ontlopen,
hoe vurig ik ook wou, dat ’t kòn;
en daarom blijf ik hierop hopen:
dat Christus deed, wat ik niet kon.

Amen (Nel Benschop)

Nu allen maar: ‘Amen’ zeggen,
al is ’t met gebroken stem;
dan je hand in Gods hand leggen
en op weg gaan, achter Hem.

Nu alleen maar blijven hopen
in het voetspoor van je Heer;
blijven strijden, blijven hopen,
wachtend op zijn wederkeer.

Nu alleen zijn woord vertrouwen:
‘Altijd zal Ik met je zijn;’
Als een kind je handen vouwen,
Zijn getuige willen zijn.

Al je twijfel af te leggen
en alleen maar: ‘Amen’ zeggen.

cropped-dscn5358.jpg

Advertenties

1 thought on “gedichten rond de dood 1”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s