God in de leegte 2

God in de leegte en God als leegte

 

Als God de schepper wordt genoemd, en dat is een theologische uitspraak, betekent dat niet direct dat wij als mens dan ook helder hebben dat God aan het begin staat van alles wat we kennen en wat we kunnen weten. Met andere woorden, God schepper noemen, houdt niet automatisch in dat de wereld die wij kennen dan ook zijn schepping is. Als de schepping getuigenis aflegt van God, zodat wij God schepper noemen, of omgekeerd, we noemen God schepper en alles wat er is, is dan zijn schepping, is een wijze van redeneren die bepaald wordt door een zekere logica: uit het een volgt het andere. De metafoor die hier ter sprake komt is die van het maken, het laten ontstaan, het creëren. Ik noem dat een metafoor omdat hiermee ingevuld wordt dat God een schepper, maker, een soort van kunstenaar is. Maar eigenlijk is elke toekenning aan God, elke beschrijving, er slechts een bij benadering, een wijze van spreken die géén recht doet aan de ‘volheid‘ en onbekendheid van God. Daarom ook faalt die toekenning, is deze omschrijving eigenlijk al een brug te ver. Zeker als hieraan consequenties worden gekoppeld door van mensen te vragen om deze ‘beperkte waarheid’ te onderschrijven, al is het in de vorm van een geloofsuitspraak. De entiteiten schepping en schepper zijn theologische abstracties. Ze kleuren tevens de afstand die er bestaat tussen God, schepsel, zijn schepping en onszelf. God blijft echter de onbekende partner, de onbekende in heel dit spreken. Bidden tot God kan misschien voor de gelovige zelf wel een deel van die afstand opheffen of overbruggen, maar dat blijft dan een individueel gebeuren dat collectief kan worden beleefd in een groep (een ‘wij’) maar dat de oneindigheid in de relatie God-mens niet echt opheft. De afstand blijft bestaan.

God is, op het eerste gezicht een bekende partner in het verbond als je naar de teksten luistert die deze relatie beschrijven in de talloze verhalen uit de bijbel. Strikt genomen echter onttrekt hij zich, laat hij zelfs geen zichtbaar en ervaarbaar spoor achter in onze werkelijkheid. Opvallend is de tegenstelling in het boek Psalmen uit de bijbel waar in psalm 22 gezongen wordt over Gods’ verlatenheid en waar in Psalm 23 God mijn herder wordt genoemd. Niets van God ervaren en God als herder ervaren zijn contradictorisch, a-logisch, en toch kunnen ze existentieel waar zijn. Deze tegenstelling past niet in het logische discours, noch in de rationele overwegingen die uit zijn op synthese en op harmonie. Ze blijven als tegenstelling, als concrete verwoorde ervaring tegenover elkaar staan, net als de bewering dat God alles in allen is en dat wij absoluut niets van God in ons leven ervaren.

Hoe krijg je deze tegenstelling bij elkaar gebracht? Niet dus. Ze mogen en ze kunnen naast elkaar blijven bestaan. God als volheid, als schepper van alles en God als leegte, in de leegte, absoluut on-ervaarbaar, beiden naast elkaar. Voor de gelovige die een vorm van zekerheid wil, die houvast wil, ook gelovig, is dit misschien teveel een onmogelijke salto. Springen in de ruimte zonder trapeze, zonder vangnet en toch de sprong wagen, dat is wat hier intellectueel wordt gevraagd.

Als wij het niets wegzetten, de leegte beschouwen als goddeloos, de volslagen afwezigheid van God, en de leegte gelijkstellen aan God, dan kunnen we dat niet meer rationeel beargumenteren, en toch is deze paradox waarschijnlijk vaak een gelovige werkelijkheid. Dan kijk ik niet alleen naar een bijbelse context (bijvoorbeeld Elia in de grot) maar ook naar het Taoïsme en het bespreken van Gods’aanwezigheid in de leegte van het niets. Hele religieuze tradities hebben over deze tegenspraken nagedacht.

In de mystieke ervaringen van God en het goddelijke is de ervaring van leegte en de ervaring van volheid complementair aan elkaar en waarschuwen auteurs ook voor invullingen van God die  God geen recht doen. Zo Meister Eckhart die stelt:

“Ik heb wel eens gezegd dat er een kracht in de geest is, die als enige vrij is. Soms heb ik daarvan gesproken als een behoedster van de geest;  soms heb  ik daarvan gesproken als van een licht van de  geest;  soms heb  ik daarvan gesproken als van een vonkje. Nu echter zeg ik: het is noch dit noch dat [… ] Het is vrij van alle namen en van alle voorstellingsvormen volkomen ontdaan, geleegd en vrij, zoals God leeg en vrij is in zichzelf.”[i]

 

Dit besef van een leegte in God, God in de leegte, God als leegte, kan een uitgangspunt zijn voor een vorm van theologiseren die niet uit is op leerstellige zekerheden, maar die zich baseert op het principe van vrijheid, namelijk dat wij vrij zijn om over God te spreken zonder dat wij hem in uitspraken, begrippen, formules en geloofswaarheden willen vastleggen. Een spreken waarin de contradicties, de paradoxen, de aporieën naast elkaar kunnen blijven bestaan.  En naast elkaar mógen blijven bestaan. De vraag is in die zin van meer importantie dan het antwoord. De lege ruimte, het wit tussen de regels en de woorden is een uitnodiging om zich bewust te worden van de ontbrekende schakels en de noodzaak van de leegte tussen de dingen. God verschuilt zich als het ware in het wit tussen de regels. Marc Alain Ouaknin verwijst hiernaar ook met gevolgen voor de interpretatie van teksten:

 

“Op die manier opent het ‘wit’ van de tekst zich als een creatieve onbepaaldheid, ‘ontworpen om de verbeelding van de lezer uit te nodigen om actief tussen te komen. (… ) Door de leemte van het lege en het witte geeft de tekst aan zijn publiek de mogelijkheid om mee te werken. (…) Alleen de leegtes laten de lezer toe deel te nemen aan het samenstellen van de betekenis van een gebeurtenis, want elke nieuwe interpreteerder mag niet tevreden zijn met het antwoord of de betekenis die voor hem werden geformuleerd en algemeen lijken te gelden, en mag dus proberen een nieuw antwoord te geven op de vraag die de tekst met zich meebrengt of die hem werd overgeleverd. Deze beweging wordt mogelijk gemaakt door de open, onbepaalde structuur die telkens nieuwe interpretaties toelaat“[ii]

 

Het wit in de tekst, de witruimte is in wezen geen leegte, maar een vorm van potentie, een vorm van kracht die het onderscheid tussen de letters in stand houdt. Zoals een magneet een magneetveld schept, zo is het wit in de tekst het openhouden van betekenis, die pas kan ontstaan als de letters niet met elkaar samenvallen. Het wit is het ‘magnetisme’ in en van de tekst. Het wit maakt het commentaar van de lezer pas mogelijk, het geeft hem de ruimte om aantekeningen te maken naast de tekst. Het wit nodigt uit tot reflectie op het gelezene en maakt dit pas mogelijk. Als God ook in het bijbelse denken samenvalt met zijn Thora dan is het wit tussen de letters en de zinnen de mogelijkheid die God creëert om te lezen, te begrijpen en te becommentariëren. God als leegte in zijn eigen tekst. De woorden van de Thora omkransen de goddelijke leegte en komen daardoor tot spreken.

[i] Geciteerd in: Gerard Visser, Oosprong en vrijheid. Ik werd die ik was gebleven, Amsterdam 2015, (Sjibolet), p.

Oorspronkelijk: Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen II. Preken, Groningen 2001 (Historische uitgeverij),  p. 98 -99

[ii] Ouaknin, Marc-Alain, ¿, God en de kunst van het vissen, Tielt 2016 (Lannoo), p. 18-19

 

mist2

Advertenties

Auteur: john hacking

landscape-painter - University Chaplain Radboud University Nijmegen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s