Titel, opstapjes…

 

Titel, opstap naar verkenning en naar inhoud

 

De titel van een boek, de ondertiteling, of het opschrift boven een hoofdstuk – zij vormen een soort van leidraad, een handleiding in het klein om een weg te gaan. Ze kondigen aan wat gaat komen, wat je als lezer kunt verwachten. Ze zijn richtingwijzer, soms in de zandvlakte van een woestijn. Zonder routeaanduiding is de weg soms moeilijk te vinden. De titel tast als het ware vooruit. Dat betekent dat de titel niet definitief de weg uitzet. Het is en blijft een tasten met hoeveel stelligheid een titel ook geponeerd kan worden. In elke titel schuilt als het ware ook een zekere ironie omdat hij nooit waar kan maken wat er wordt beweerd. Zo luidt een van mijn essays ‘God in de kosmos’. Dat is misschien op het eerste gezicht niet ironisch maar als je de titel bloedserieus neemt kom je van een koude kermis thuis. De ironie schuilt net in het feit dat het een ‘bij wijze van zeggen, bij wijze van spreken’ is omdat het nogal logisch is, (in mijn ogen), dat ik over God niet zo heel veel kan zeggen. Wie zou ik zijn, als mens, als beperkt wezen, om hier grote uitspraken over te doen. De titel is voor mij niet alleen een ironische en lichtelijk uitdagende wijze van spreken maar ook een oproep om er maar eens goed voor te gaan zitten en te kijken wat komt. Zo van ‘we zullen zien’ of ‘we zullen horen’. De Franse rabbijn en filosoof Marc Alain Ouaknin is dol op vreemde en onverwachte titels. Ze vormen voor hem aanleiding om een weg te bewandelen waarin deze titels langzaam worden verkend. Zo ontvangen ze inhoud en verdieping. Zo schrijft hij in zijn boek ¿ God en de kunst van het vissen:

 

“God en de kunst van het vissen is niet de titel, maar wel de ondertitel van dit boek. De titel, waar je onopgemerkt aan voorbij kunt gaan, is het ‘vraagteken’. Een teken dat, net als de Godsnaam, wel zichtbaar is maar niet uitgesproken wordt en dat herinnert aan de rondingen bij het wiegend wandelen van de geliefde, zo mooi bezongen in het Hooglied:

 

‘Hoe welgevormd zijn je voeten in je sandalen, prinses!

De ronding van je heupen is als een halssnoer

gemaakt door een kunstenaar.’

 

Ik houd van verrassende, vrijpostige titels, die je binnenleiden in de paradox en het onverwachte. Daarna praat ik er met anderen over om hun reacties te zien, de voorkeur van de ene of de andere, om te wennen aan een klank. Ik vind de juiste woorden of ontdek ze tijdens het lezen of gewoon op straat of in de metro, zoals dit prachtige zinnetje: ‘Is het niet eerder de tuin die zachtjes de kat oversteekt?’ Of ook: ‘Geluk zou geen geluk zijn zonder een geit die viool speelt…’ (Met dank aan Chagall via Julia Roberts.)

 

De titel is bij mij een ongevaarlijke obsessie…

Eerder een spel. Een manier om in woorden te treden, zoals je zegt dat je in relatie treedt, met de wereld die ons omringt…”

Uit: Ouaknin, Marc-Alain, ¿ God en de kunst van het vissen, Tielt 2016 (Lannoo)

 

 

Zo denken en zo schrijven geeft veel creatieve en geestelijke ruimte. Niets ligt echt vast. En je hoeft jezelf ook niet vast te leggen. Niets zo erg als de bittere ernst, de fanatieke overtuiging dat jouw woorden de waarheid en niets dan de waarheid bevatten alsof er geen meerduidigheid bestaat en alsof niet elk woord ook verwijst naar een ander woord dat de betekenis wijder, dieper en veelzijdiger maakt.

Natuurlijk geeft deze vorm van omgaan met teksten, met begrippen en met titels ook onzekerheid als je graag bouwt op vaste fundamenten. Maar de taal is een wankel-vast fundament. De draagkracht is altijd relatief. Het is altijd beiden tegelijk. Ware dit niet zo, dan zou alles vast staan, onwankelbaar of alles zou relatief zijn, zonder houvast. Zowel het een als het ander is een illusie. Een fictie. Een mogelijkheid die niet in onze realiteit als zodanig voorkomt en als wij dat wel willen realiseren in ons denken en spreken verkrachten we ook onze realiteit. Dan treedt een soort van blindheid op waarmee we ons zelf vleugellam en afhankelijk maken. Ons spreken wordt dan een valbijl. Onze woorden een zwaard waarmee we onszelf ombrengen. Of het spreken is een zware last, want alles staat vast, het is zo en niet anders, of ons spreken is een en al vluchtigheid want niets staat vast en alles verdwijnt net zo snel als het is uitgesproken. Als mensen zitten we hier tussen in. We zijn tussenwezens. Tussen leven en dood, tussen dood en leven, en tussen vluchtigheid en vastheid, tussen absolute waarheid en fictieve illusie. Natuurlijk, we zouden meer willen, meer houvast, meer zekerheid, minder illusie, minder vluchtigheid. Maar zoals Abel, letterlijk een ‘zuchtje’ die gedood wordt door zijn broer Kain, zo zijn ook wij soms vluchtig als de wind. En toch bouwen we huizen, paleizen, kastelen met onze taal, met onze woorden. Er komt iets uit onze handen dat ons vaak overleeft. Wij leven voort in ons nageslacht, in de boeken, teksten die wij schrijven. Niet voor eeuwig. Eeuwig hoeft ook niet. Dat is veel en veel te lang. Dat is een illusoire hoop om te denken dat iets eeuwig zou kunnen bestaan. Het is een fictie, een gedachtesprong die zo abstract is dat wij helemaal niet weten wat we zeggen want eeuwigheid als het duren van de tijd die nooit ophoudt, kunnen we ons helemaal niet echt voorstellen. Misschien nog wel een beetje voorstellen, maar beleven, ervaren, dat zit er niet in. Eeuwigheid zou hoogstens de opeenstapeling van momenten kunnen zijn waarin we een klein stukje eeuwigheid ervaren in het hier en nu. “Ewigkeit im Augenblick” zo noemde de Duitse filosoof Franz Rosenzweig dit. In het moment is iets van God, iets van eeuwigheid, iets van zekerheid ervaarbaar. Maar zou gauw je gaat generaliseren gaat het verloren, raak je het kwijt en wordt het een leugen.

 

Dat is wat taal kan doen, een titel je kan geven: een moment van eeuwigheid in het hier en nu. Ervaren dat je hier en nu leeft en dat je hier en nu geraakt kunt worden en geraakt wordt. Dat is het dan, dat is genoeg (tenminste in mijn ogen). Meer vastigheid heb je eigenlijk niet echt nodig (in mijn ogen). Leven van moment tot moment. Alle zekerheid die je graag zou willen hebben, wie kan ze je geven? Is dat voldoende voor je? Veel religieuze stromingen hameren erop dat je zou kunnen leven in het hier en nu, in plaats van grote plannen te maken waar de totstandkoming allerminst zeker van is. Boeddhisme en Zen -Boeddhisme, en de Westerse varianten ervan (waarvan Mindfullness een uitvloeisel is) vestigen de aandacht op het hier en nu. We leven in de wereld van de ‘schijn’, ‘maya’, een wereld van illusies, in stand gehouden door onze verlangens en begeerten. Die kleuren ons dagelijks denken en spreken en zetten ons aan tot handelen. Daardoor raken we telkens verstrikt in illusies, in onbereikbare wensen. Erkennen en herkennen dat we dat doen en dat we zo gevangen zitten, is de eerste stap naar bewustwording en relativering ervan. Onze gedachten zijn net zo vast en zo vluchtig als onze taal. Ze werken net zo. Onze gedachten en verlangens vertalen we in taal en als we er met alle macht aan vasthouden zetten we ons zelf in een soort van gevangenis. Piekeren, wakker liggen, gevangen zitten, stress, zijn de effecten. Daar word je niet blij van. Schrijven kan je helpen om je taal anders in te zetten, om te ontsnappen uit je zelf gemaakte gevangenis. Ouaknin schrijft:

Schrijven is het labyrint voorbereiden waarin  je avonturiert, waar je je woorden verplaatst, er onderaardse gangen voor opent, er diep in doordringt ver van jezelf vandaan, er uitkijkpunten voor vindt die je parcours samenvatten en weer wijzigen, waarin je verdwaalt en uiteindelijk weer bovenkomt. Een labyrint waarin je kunt wandelen en mooie, verrassende en verkwikkende ontmoetingen kunt hebben.

 

Schrijven is genade ontvangen, inzichten vallen uit de lucht, je kunt ze niet forceren. Opeens valt je iets toe. Woorden komen en gaan en soms zit er in een beschrijving een element, een teken dat je diep van binnen kan raken. Omdat een ervaring boven komt, een persoonlijk element in je verhaal. Ouaknin citeert Franz Kafka die zegt:

 

‘Kunst als een gebed is een hand

uitgestrekt in het donker

zoekend naar een glimp van genade

die haar omvormt tot een hand die schenkt.’

 

Over dit schrijven als explosie van gedachten, het vormgeven van je innerlijk in taal zegt Ouaknin het volgende, woorden die inspireren om zelf aan de slag te gaan:

“Eigenlijk heb ik niet beslist om te schrijven. Je kiest niet om te schrijven. Je schrijft pas echt, oprecht, als je niet anders kunt dan je, letterlijk, in het schrijven storten. En dan vindt er een fenomeen plaats dat ik omschrijf als het ‘zwarte-gat-schrijven’: alle zinnen, gedichten, beelden die je ooit las of die je je herinnert komen krachtig terug, dringen zich op en verlangen om opgenomen te worden in de tekst die aan het ontstaan is. Op die manier vermenigvuldigt het aantal citaten – echte en apocriefe – citaten die andere citaten introduceren, epigrafen, epigrafen van epigrafen, als motto van het boek, hoofdstukken, paragrafen, leenwoorden, knipogen, imitaties en referenties, en gaan ze samen een speelse en re-creatieve dialoog aan. Paradoxaal genoeg is het in dat ‘zwarte-gat-schrijven’ dat je het meest intense licht ontmoet.”

 

Dat licht in het donker, licht in je leven, licht in je woorden, een horizon die opdoemt, een nieuwe dag die aanbreekt, na soms een donkere nacht van gevangen zitten, dat is genade. Al heb je nik met godsdienst, met religie, met een religieus begrip als genade, toch is dit het juiste woord dat deze ervaring beschrijft. Er is geen beter woord, zo vermoed ik. Inspiratie is te zwak uit gedrukt want het geschenk dat genade ook is, geschenk om niet, je hoeft er helemaal niets voor terug te doen, komt in het begrip inspiratie niet zo direct aan het licht. Χαρισv (charis) in het Grieks, cheen in het Hebreeuws (begenadigen is chanan), het zijn begrippen met een rijke en diepe betekenis. Het begrip genade is amfibologisch. (Amfibologie is een grammaticale ambiguïteit die ervoor zorgt dat een zin of een woord tegelijkertijd meerdere interpretaties kan hebben.) Het valt niet vast te leggen op een betekenis. Net zo min als ons leven, net zo min als de teksten die wij al schrijvend ontwikkelen over onszelf. “Laten we beginnen” – “Laat ik beginnen” is alvast een mooie titel om aan te vangen. Veel genade – moge genade vloeien in overvloed op deze nieuwe weg van zelfreflectie en zelf verstaan met taal die spreken doet en die opwekt en bevrijdt.

 

John Hacking

20 april 2017

 

L1230330

Advertisements

Auteur: john hacking

landscape-painter - University Chaplain Radboud University Nijmegen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s