God is een ‘kan-zijn’

‘Dieu est un peut-être’

God is een ‘kan-zijn’, hij is een ‘misschien’, of een ‘beetje-zijn’. De omschrijving stamt van Marc Alain Ouaknin, een Franse rabbijn en filosoof. Misschien ís God, misschien God is? Talloos zijn de varianten om zó over God te spreken. Dit spreken laat vooral zien dat wij het niet weten. Dat wij, en ik spreek met nadruk over een ‘wij’ als verzameling van gelovigen en niet gelovigen, weet het gewoon niet en kan het ook niet echt weten. Waarom? Omdat de mogelijkheid ontbreekt om het te weten te komen. Nou zullen er velen opspringen en roepen: ‘het staat toch in de bijbel’ of ‘de koran is toch duidelijk genoeg’!

Maar de bijbel net als de koran zijn boeken die geïnspireerd zijn neergeschreven: dat wil zeggen, dat de schrijvers op basis van inspiratie hun woorden hebben gekozen of gevonden, ze zijn als het ware aangereikt van buiten, net als bij een gedicht. Poëzie en mystieke teksten leven van de genade van de ontvangen woorden en de daaraan gekoppelde betekenissen. Maar die betekenissen liggen niet vast, ze zijn als het ware vloeibaar, voor meer interpretaties vatbaar. En dat willen ze ook graag: zo veelvoudig en zo diep mogelijk verklaard worden, zodat er telkens weer nieuwe vragen opdoemen die de teksten verder brengen en die de betekenissen nieuwe dimensies geven. Ouaknin citeert met instemming de dichter Juarroz die zegt:

‘In elk gedicht ontbreekt een stap verder. En als men een stap verder zet, ontbreekt weer een andere, enzovoort. Men kan zo de mogelijkheid van een eindeloos gedicht bedenken, onuitputtelijk, doorlopend, oneindig. Waaruit misschien het verband ontspringt tussen poëzie en het mystieke visioen van een woord in voortdurende evolutie, in eeuwige expansie.

Men kan met andere woorden zeggen dat een gedicht altijd onvolledig zal zijn. Niet alleen omdat alles onvolledig is, maar omdat het gedicht zich moet ontplooien en tot stand komen bij diegene die het ontvangt. Meer nog, het gedicht moet in staat zijn zich te herscheppen en zich eindeloos te vervolledigen bij zijn schepper en bij de anderen.’ Roberto Juarroz

 

God is een gedicht dat nooit af is. Zou het wel af zijn, dan heb je God in je zak. Dat is wat we veelal aantreffen bij religieuze fanatici: ze hebben, zo denken ze, veel kennis van God en verabsoluteren wat ze hebben gelezen. Ze zijn in het bezit van een waarheid die elke vorm van tegenspraak kan uithouden. Ze hebben een waarheid waar vragen verboden is. Ze nemen deel aan een waarheid die zich als een godsdienstoorlog over het land verspreidt en die elke tegenspraak de kop indrukt: letterlijk. Bergen doden zijn het gevolg. God als ‘een misschien’ is in hun ogen  een gotspe, een in hun ogen bijna heidense vorm van benaderen, een manier die absoluut niet kan. Ketterij is dan volgens hen nog zwak uitgedrukt om deze manier van benoemen te duiden. Nou is het begrip ketter afgeleid van de Katharen, zij die zich als de enige, zuivere en ware gelovigen beschouwden. Ze waren in hun eigen ogen zuiver op de graat en alle anderen niet. In feite zijn de religieuze fanaten vanuit dit standpunt de ware ketters. De ketter beschuldigt de ander als ketter en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Een cirkelredenering die alleen kan worden door of onderbroken als je afstand doet van het idee van een zuivere waarheid in je bezit. Ons kennen is stukwerk, stukje bij beetje, leer je pas iets en dat iets is niet zo heel veel als je over God spreekt. Misschien blijft een misschien, een onzekerheid in het kwadraat of drievoud.

Ouaknin vergelijkt het spreken over God met de mogelijkheid van een tekst die veel, heel veel witruimte bevat. In die ruimte staat geen tekst en is in principe alles mogelijk met betrekking tot betekenisgeving. Hoe kan het zijn dat God overal en alles is, zo wordt over Hem gezegd, en wij er dan ook zijn? Als God overal en alles is, is er dan nog ruimte voor ons? Worden we niet ‘platgedrukt’ in een hoekje waar we het maar moeten zien uit te houden?

Omgekeerd wordt gezegd en ervaren dat God nergens is. Dat wij niets van hem merken in ons leven, dat hij kortom helemaal afwezig is. Aanwezig en afwezig zijn van God, wij kunnen dat met ons verstand niet bevatten. Maar waar komt het idee van misschien dan vandaan? Is het een soort van tussenpositie? Tussen af- en aanwezigheid? Ouaknin zegt het volgende hierover en ik citeer (een lang citaat):

 

“Het belang van de leegte en het wit dat de kabbala van rabbi Jitzchak Luria zal ontwikkelen in zijn theorie van de Tsimtsoem.

 

‘Aan het begin van alles, in een tijd die nog niet de tijd was, werd de Ene, het oorspronkelijk en oneindig licht, twee, niet door een toevoeging of emanatie, maar door het terugwijken zelf van “het oorspronkelijk licht”. De Oneindige maakte een lege ruimte in zichzelf, hij trok zich terug uit zichzelf in zichzelf, en dat terugtrekken dat ook zijn verdwijnen betekent, werd de wereld zelf, het universum in zijn geheel.

Een moedig beeld dat uitdrukt dat de wereld de plaats is waar God niet is, niet meer is, zelfs als hij volgens bepaalde interpretaties een spoor van zijn oneindigheid zou hebben nagelaten, de resjimoe. Sindsdien is de wereld een a-theologische ruimte geworden, een ruimte zonder God, de ruimte van Gods afwezigheid.’

 

Na de Tsimtsoem werd de lege ruimte opnieuw bekleed door een licht. Niet de totaliteit van het licht dat zich teruggetrokken had, maar een ‘getsimtsoemeerd’ licht, als we ons dit neologisme mogen permitteren.

Het is de theorie van ‘de tweede Tsimtsoem’. Een licht in de vorm van een lichtstraal met de naam qav, ‘straal’, die zich in de oorspronkelijke ruimte heeft ontvouwd in verschillende etappes en volgens verschillende extreem complexe lagen waarvan de drie- (of meer) dimensionele ruimte maar een van de latere ontwikkelingen is.

Door de emanatie van dit ‘getsimtsoemeerd’ licht is ‘de oorspronkelijke mens’ of Adam Qadmon verschenen, eerste verschijning van de Oneindige in de lege ruimte, ‘eerste verschijningsvorm van het goddelijk licht dat gevloeid was uit de Ein-Sof naar de ruimte van de (eerste) Tsimtsoem’.

 

De Tsimtsoem is een manier van aanwezig zijn die een spoor, een vonk van zichzelf achterlaat, enkel opdat door deze verdwijnende-verschijning, naar een formule van Jankelevitch, de wereld ‘zich juist, harmonieus kan ontwikkelen, leven en worden, en niet verstikt raakt door een te aanwezige aanwezigheid’.

Dit opnieuw introduceren van het licht van de Oneindige in die lege Godsruimte, laat veel later een Meester als rabbi Nachman van Bratslav zeggen dat we dus in de gelijktijdige aanwezigheid zijn van twee tegenstellingen: het ‘er zijn’ van God en het ‘er niet zijn’ van God: jesj ve ayin bejachad.

Zijn en tegelijkertijd niet zijn, dat is de vraag! Een vraag die opent naar een ontologie en een (a)theologie. Voorbij het zijn en het niet-zijn is er het ‘kan- zijn’ (peut-être)!

God is een ‘kan-zijn’ (peut-être). Het woord God in het Hebreeuws, el, zou komen van ‘Oelai‘, ‘kan-zijn’ (peut-être)!

 

Een intuïtie die ik kreeg terwijl ik de werken van rabbi Nachman van Bratslav las en die op een dag werd bevestigd door Claude Vigee, die dit onderricht zelf had gehoord van Ruth Reichelberg, die het op haar beurt hoorde van Rav Tsvi Yehouda Kook, bij wie ze studeerde.
‘Kan-zijn’ dat je terugvindt in alle witruimtes van de tekst, niet om ons uit te nodigen aan theologie te doen, maar om elke interpretatie van het risico te ontdoen dat ze denkt de waarheid over de tekst te bevatten.”

 

Einde citaat

 

De wereld is dus een a-theologische ruimte geworden, een ruimte zonder God, de ruimte van Gods afwezigheid, omdat God zich heeft teruggetrokken. En zij kan als wereld ‘zich juist, harmonieus ontwikkelen, leven en worden, omdat ze niet verstikt raakt door een te aanwezige aanwezigheid’ van God die alles bepaalt. “Voorbij het zijn en het niet-zijn is er het ‘kan- zijn’ (peut-être)! God is een ‘kan-zijn’ (peut-être). Het woord God in het Hebreeuws, el, zou komen van ‘Oelai‘, ‘kan-zijn’ (peut-être)!” Zo Ouaknin, waarmee hij het ‘kan-zijn’, het peut-être’ duidt.

Kunnen we hiermee leven? Hebben we hier genoeg aan voor ons gelovig zelf-verstaan en het verstaan van ons geloof? Kunnen we met een ‘God-misschien’ uit de voeten, of hebben we meer houvast, meer zekerheid, een meer persoonlijke relatie nodig?

De omweg die Ouaknin bewandelt over de route van de kabbala zal niet iedereen aanspreken. Het is ook geen ontologie die hier wordt ontwikkeld, een leer van het zijn, maar het is een speculatie, een optie, een denkbeeldig model om te verklaren waarom God afwezig is in de wereld en waarom wij er kunnen zijn als God overal aanwezig is. Het is een poging om de tegenspraak te duiden, niet om hem op te heffen. Het is een model dat uitnodigt tot verdere speculatie, verdere verdieping, verdere reflectie en vooral tot het stellen van nieuwe vragen. Rabbi Nachman van Bratslav radicaliseert in zijn tijd dit denken en Ouaknin is van hem gecharmeerd. Dat vooral omdat Nachman niet stopt met het stellen van vragen en geen genoegen neemt met een of meerdere duidingen. Hij draagt de betekenissen verder, hij daagt ons uit om in dit veld van betekenissen te stappen en nieuwe routes te verkennen. Dat is geloven – niet aannemen dat iets absoluut waar is – maar zoeken, tasten, verkennen wat op je weg komt, de route, de weg ten leven proberen te gaan – met vallen en opstaan, met vragen en nog eens vragen en met geen genoegen nemen met een antwoord. Zeker niet met de als definitief gebrachte antwoorden.

Als er zoveel openheid is, als er zoveel vragen kunnen worden gesteld, dan is er ook heel veel ruimte voor twijfel, gelovige twijfel en twijfelend geloven. Dan past elk mens in dit model van vragen, van het op zoek zijn naar houvast en het niet definitief kunnen vinden. Alleen de radicalen, zij plaatsen zich buiten dit discours van vragen. Zij houden van een zekerheid die hun guillotine zal worden omdat ze zelf het hoofd op het hakbijl leggen van hun absolute zekerheid. Uiteindelijk is er dat maar één: dat ze net als iedereen zullen sterven. Maar over God zegt die helemaal niets. Die wil niet worden vastgelegd, niet in beelden en niet in woorden, niet in betekenissen en niet in zekerheden. Mooi toch – zoveel openheid –zoveel vrijheid – zoveel toekomst!

 

John Hacking

18 april 2017

 

Citaten uit: Ouaknin, Marc-Alain, ¿ God en de kunst van het vissen, Tielt 2016 (Lannoo)

20150705_220742

Advertisements

Auteur: john hacking

landscape-painter - University Chaplain Radboud University Nijmegen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s