Digitale God

L1230333

 

Digitale God

 

De wereld wordt stapje voor stapje een digitale wereld. De digitalisering is niet meer te stoppen. Omdat wij deel zijn van de wereld ondergaan wij hetzelfde lot. Als ons lichaam eenmaal is vastgelegd en onze DNA codes bekend en geanalyseerd zijn, verliezen we letterlijk veel van onze (geestelijke) speelruimte: namelijk het ‘niet weten’ wat ons in de toekomst te wachten staat. Veel zal voorspelbaar worden en veel zal worden gedaan om negatieve effecten van onze lichamelijke constitutie zoveel mogelijk te beperken. Maar zoals we nu ons ook af en toe moeten neerleggen bij het onvermijdelijke, zal dat in de toekomst niet anders zijn. Ondanks toegenomen technische mogelijkheden en wetenschappelijke kennis zal er altijd wel een gebied blijven waar we machteloos zijn. Dat is goed zo. Dat is zelfs prima want het idee dat wij alles in de hand zouden kunnen hebben is een vorm van afgodendienst. We aanbidden dan niet alleen de afgod van de techniek, de wetenschap en de afgod van het ingrijpen en beheersen, we draaien onszelf een reusachtig rad voor de ogen. Het leven heeft iets onvoorspelbaars, iets oncontroleerbaars en onbeheersbaars, heffen we dat op, proberen we daar een einde aan te maken, dan zou dat wel eens het einde van het leven kunnen betekenen!

Ik geloof, ik vermoed, ik weet dat leven samengaat met onbeheersbaarheid, met een groot gebrek aan autonomie, ware dit niet zo, dan was er geen transformatie mogelijk, geen evolutie en geen aanpassing. We zouden star zijn, verstarren en uitsterven. Onbeheersbaarheid, God zegene de greep, toeval, laat maar gebeuren, zijn dus zegeningen voor het leven en voor de mensheid. Natuurlijk geldt dat niet absoluut, niet voor elke situatie, niet voor elke ingreep, zeker niet als mensen gered kunnen worden, als er een leven gered kan worden door ingrijpen en door toegenomen kennis. Maar het ingrijpen en het voorkomen van leed, lijden en dood, is een menselijk fenomeen dat zijn beperkingen kent en dat binnen bepaalde grenzen kan plaatsvinden. Het willen overschrijden van die grenzen als een vorm van almacht, van potentie en van beheersingsstreven is geen goede zaak want daarmee wordt het leven bedreigd. Ook al lijkt dat misschien niet zo te zijn op het eerste gezicht.

 

Als de wereld digitaliseert, wat betekent dat dan voor onze religieuze opvattingen, voor ons geloven en voor ons beeld van God. In een wereld waarin God een fictie is, zal dat waarschijnlijk geen probleem vormen. Die fictieve God wordt gewoon een gedigitaliseerde fictieve God. Wie er dan nog in wil geloven, moet dat zelf maar weten. Maar in de wereld waar God geen fictie is, zal Hij zich per definitie onttrekken aan die digitalisering. Waarom? Omdat ook digitalisering een vorm van verbeelden is, van afbeelden van God. Maak geen beelden van God, geldt ook hier. Elk beeld is er slechts een, een beeld schiet tekort. Als God niet met een beeld, of met meerdere beelden is te vangen, te beschrijven, zal dat ook niet gaan in een digitale omgeving. Dat geldt zelfs al voor de taal van een boek. Wat is een boek, wanneer heb je de betekenis of de betekenissen van een boek uitputtend en compleet in beeld? Kun je die wel kennen? Zijn er niet meer lagen die elkaar aanvullen en uitsluiten? Marc-Alain Ouaknin, een Franse rabbijn, zegt hierover:

“Een boek is boek als er een mond is om het te lezen, om het uit te spreken. Het boek is ontologisch en hermeneutisch amfibologisch.

 (Amfibologie is een grammaticale ambiguïteit die ervoor zorgt dat een zin of een woord tegelijkertijd meerdere interpretaties kan hebben.)”

God is een fenomeen waar de interpretaties slechts vage duidingen zijn en waar de interpretaties voortdurend tekort schieten omdat hier sprake is van oneindigheid. Oneindigheid die zich uit in taal, in betekenissen en het proces van betekenisgeving, de semiose. Dat is nooit af, nooit klaar, nooit volledig en absoluut. Net als het leven is het betekenisgeven een voortdurende transformatie. Lezen we iets nauwkeurig in de bijbel waar gesproken wordt over de naam van God, de onthulling van die naam dan zien we, ik citeer Ouaknin, het volgende:

 

“God legt uit wat hij van Mozes verwacht: dat hij het volk van de Hebreeërs zou bevrijden uit hun slavernij in Egypte. En Mozes antwoordt dat de Hebreeërs hem zullen vragen: ‘Wat is zijn naam?’, ‘Wat is de naam van die god die jou naar ons stuurt?’ En God antwoordt: ‘Je zult hen zeggen dat ik Ehejeh asjer ehejeh heet’, letterlijk ‘ik zal zijn wat ik zal zijn’, wat heel wat vertalingen weergeven door ‘ik ben hij die is’, een onmogelijke vertaling, zoals ik al zei, omdat het werkwoord ‘zijn’ in feite in het Hebreeuws niet bestaat in de tegenwoordige tijd, uitgezonderd die ene keer in Exodus 9:3. Het koppelen van de eerste ‘ik zal zijn’ met de tweede ‘ik zal zijn’ gebeurt door het ‘betrekkelijk voornaamwoord’ (asjer) dat ook ‘geluk’ betekent (osjer)!”

 

Ik zal zijn wat ik zal zijn. Het klinkt cryptisch, alogisch omdat het een niet samenvalt met het ander; er staat niet A=A! Er staat ‘Ik zal zijn, en dat is, wat, ik zal zijn’. Toekomst ligt er in opgesloten, een belofte, die waar gaat worden. ‘Ik zal zijn, geluk, ik zal zijn. Zou je ook kunnen vertalen op een wat vrijere manier. De komma’s zijn eigenlijk al te veel gezegd. Dus: ‘Ik zal zijn geluk ik zal zijn’! Geluk is het midden, het einddoel, is de weg, is het startpunt. Niet happiness, dat is weer te kort door de bocht, te Amerikaans, te eenvoudig en te simpel voorgesteld. Het gaat niet om je happy voelen, niet om een emotie. Ook niet om een beleving, of een ervaring van geluk in het hier en nu en in het klein. Het gaat om een programma: geluk! Geluk met uitroepteken! God, geluk! Ik zal zijn Geluk! Ik zal zijn wat! ‘Ik zal zijn wat ik zal zijn!’ Hebben we hiermee de betekenis te pakken? Kunnen we het nu misschien nu wel digitaliseren in een algoritme? Ik dacht het niet. Zelfs niet bij benadering!

Marc-Alain Ouaknin schrijft:

“De naam van God kan geen ‘ik ben’ zijn, maar enkel een ‘ik zal zijn’, de spanning van een project, een zich inschrijven in de dynamiek van een toekomst die zich opent, ‘daarginds’ (sjam), een woord dat ook naam’ (sjem) betekent en ‘hemel’, die men in het Hebreeuws uitdrukt als ‘twee daargindsen’ (sjamaj’im)!

God is geluk, niet omdat hij God is, maar omdat hij het werkwoord zijn is in zijn toekomstige modaliteit, en ons naar analogie inschrijft in het engagement, project en toekomstproject!

Wat de Bijbeltekst in een schitterende semantische vergelijking weergeeft. Het ‘geluk’, osjer, is het hart van de uitdrukking ‘Ehejeh asjer ehejeh’, die men zo kan openvouwen in een dubbele formulering die de gelijkstelling verduidelijkt tussen het werkwoord ‘zijn’ in de toekomst en ‘het geluk’.

Ehejeh asjer, of met andere woorden: ‘Ik zal zijn = geluk’.”

 

Wij worden in die naam van God naar analogie ingeschreven in het engagement, project en toekomstproject, dat God is, zal zijn. En wij vormen daar deel van. Wij zijn onderdeel, hart en kern van dat project en deze toekomst. Mozes hoeft niks anders te doen dan te gaan, met deze woorden in zijn hart en in zijn achterhoofd. Dan zal het leven als volk van God zich ontvouwen, ontplooien, zich ontwikkelen. Dat is een proces met een open einde. Geen beheersings-denken is hier aan de orde, geen autonomie. Alleen overgave, je durven toe te vertrouwen aan de niet digitaliseerbare God. Wie weet waarheen de weg leidt?

 

John Hacking

31 maart 2017

 

 

Citaten uit: Ouaknin, Marc-Alain, ¿ God en de kunst van het vissen, Tielt 2016 (Lannoo)

L1230332

Advertenties

Auteur: john hacking

landscape-painter - University Chaplain Radboud University Nijmegen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s